Simple food

Sergio Herman goes home

[Signalering] Sergio Herman trakteert in Simple food, 60 eenvoudige recepten voor thuis, de lezer met basisbereidingen voor elke dag. Met de ervaring van een superchef toont hij smakelijk en eenvoudig te bereiden recepten. Ver weg van de restaurantkeuken met ingrediënten die overal verkrijgbaar zijn. Met recepten voor onder meer soepen, salades, pasta, dranken, vlees-, vis- en vegetarische gerechten. Met receptenindex en productindex. Mooi uitgevoerd kookboek, rijk geïllustreerd met paginagrote kleurenfoto’s.

Eerder verschenen op Kookboekennieuws 

Toevluchtsoord

Sterke horrorroman van Nederlandse bodem

[Recensie] Ik had eerder al enorm genoten van de verhalenbundel van Anthonie Holslag, die (soms gruwelijke, maar altijd inventieve) horror verbindt aan de psychologie van angst, geweld en de depressie die daarna komt. Zijn karakters komen levensecht over, niet gekunsteld, en ze laten een huivering achter. In dit boek zit trouwens ook een knipoog naar zijn eerdere verhalen! Die laat ik je echter zelf achterhalen.

In Toevluchtsoord vergroot hij eigenlijk een van zijn korte verhalen. Een van de karakters is therapeut en hoewel ze niet het buitenbeentje van de groep is, is ze wel de observator, steeds aan het nadenken over de dynamiek van het geheel. En ze heeft stof genoeg. Samen met haar jeugdvrienden en -vriendinnen spendeert Maude een weekeinde in een blokhut in het Adirondackgebergte. Ze hopen er te ontsnappen aan de spanningen van het volwassen leven. Maar de eerste avond is nog niet goed en wel om of op de televisie ziet het gezelschap verontrustende beelden. Al snel lijkt het erop dat ze van de buitenwereld zijn afgesneden. Een wanhopige poging om hulp te vinden dreigt op een fiasco uit te draaien. En bovendien blijkt een van hen, Jonathan, ermee te maken te hebben. Wat hij te vertellen heeft op de nieuw ontstane dreiging (die oppervlakkige overeenkomsten heeft met vergelijkbare dreigingen uit World War Z of The Walking Dead), doet de rillingen over je rug lopen.

Met heel sterke openingsscènes (die je vragen doen stellen bij een bepaald karakter), en een talent voor het weergeven van gruwel (er zijn een paar goed bloederige momenten), sleurt Anthonie je het verhaal in. Maar het sterkst is misschien wel de ‘horror’ van misgelopen levens, mensen die zichzelf zijn kwijtgeraakt. Hoewel dat laatste bij sommigen misschien wel het beste is.
Het verhaal is niet lang en hoewel het een plezierige afwisseling was met de dikke pillen die gebruikelijker zijn is dat mijn belangrijkste kritiekpunt. De psychologie van de karakters had dieper uitgewerkt kunnen worden. Jennifer had meer persoonlijkheid kunnen krijgen – waar lagen de wortels van haar depressie? En de relatie van Meg en Lars had nog meer uitgewerkt kunnen worden. Hoe houden ze het met elkaar uit? Hoe blijft een groep bevriend als ze al ruzie maken om de TV? Dat had ik graag willen weten. De onderhuidse spanning barst hier toch best snel open, maar had van mij langer mogen worden opgerekt. Verder weet ik te weinig van de IT-business om na te kunnen gaan of klopt wat hier over computervirussen wordt beweerd (voor het verhaal werkte het, maar ik had er toch vragen bij). En tenslotte werd Jonathan vaak John genoemd, liepen sommige zinnen niet helemaal lekker en vond ik een paar redigeerfoutjes (dubbele woorden en een paar keer een ‘knip en plak’ fout als ‘MaardDat klopte echter niet …’. Het liet de tekst voor mij genoeg haperen om soms wat meer afstand tot de tekst te voelen. Tegen de ontknoping zat ik er echter weer helemaal in. Onafwendbaar, gruwelijk en voor de lezer uiteindelijk bevredigend. Ik hoop dat Anthonies volgende boek nog een stuk langer is en nog een stuk dieper, want ik had nog best langer in de wereld van dit boek willen verblijven.

Dit boek bewijst in mijn opinie dat het Nederlandse taalgebied goede horrorschrijvers kent, die echt een huivering kunnen opwekken bij de lezer en hoewel ze misschien nog niet zo onder je huid gaan zitten als Stephen King, daar toch best al wel bij in de buurt komen! Een aanrader voor de lezer die van spanning houdt.

Eerder verschenen op Hebban

Het diner van Trimalchio

Zeer vermakelijk verhaal dat alle vooroordelen over het Romeinse leven tot leven brengt

[Recensie] Het Satyricon is een uitzondering in de Romeinse literatuur die over het algemeen vrij serieus en ingetogen is. Het werk van de hand van de Romeins schrijver Gaius Petronius Arbiter (27-65) is een Romeinse schelmenroman die fragmentarisch overgeleverd is in diverse middeleeuwse manuscripten en is ook wat betreft het oeuvre van Petronius een vreemde eend in de bijt.

Doordat de Satyricon slechts fragmentarisch is bewaard zitten er grote gaten in de tekst, dit maakt de tekst soms lastig leesbaar. De passage over Het diner van Trimalchio vormt een samenhangend, vrijwel ononderbroken geheel. Petronius was ceremoniemeester aan het keizerlijk hof en beschreef in zijn roman een levendig diner, het is een van de bekendste scènes uit de literatuur van de oudheid geworden. Latinist Vincent Hunink (1962) aan de Radboud Universiteit Nijmegen besloot ter gelegenheid van het thema ‘Verboden vruchten’ een speciale deeluitgave van zijn vertaling van Petronius’ Satyricon (2006) uit te brengen: Het diner van Trimalchio. Het diner bij Trimalchio is het bekendste fragment uit de Satyricon. Deze bekendheid is deels de danken aan de controversiële film ‘Satyricon’ van Fellini uit 1969, waarvan Hunink een still gebruikt voor de kaft van zijn boek.

De hoofdfiguren van het verhaal zijn een voormalige slaaf, de verteller, Encolpius (‘Schootventje’) en zijn jonge seksvriendje, Giton (‘Boy next door’) die een ongebonden bestaan leiden en verzeild raken in een orgie en een uitzinnig decadent maal, het beroemde ‘diner van Trimalchio’. In andere Romeinse literatuur is niet zoveel decadentie bij elkaar te vinden.

    “Je zou denken dat je in een musical zat en niet in de eetkamer van een heer van stand. In elk geval werden er werkelijk prachtige amuses geserveerd. Iedereen was inmiddels gaan aanliggen (…).” (p. 13)

Het fictieve diner is niet alleen buitengewoon interessant vanwege het afwijkende onderwerp, maar ook vanwege de opzettelijk slordige spreektaal die wordt gebruikt. Hunink laat deze platte dialogen in zijn vertaling bijzonder fraai tot zijn recht komen.

“(…) Er zit een goeie boterham in! Literatuur daar hebt-ie nou genoeg mee zitten knoeien.” (p. 35)

Mocht je als lezer gecharmeerd zijn van Het diner van Trimalchio, dan raad ik je aan de volledige vertaling van de Satyrica van Petronius ook te lezen, deze is ook van de hand van Hunink en bevat ook meer achtergrondinformatie over de roman als geheel en de ontwikkeling van het verhaal. Al met al is Het diner van Trimalchio een zeer vermakelijk verhaal dat alle vooroordelen over het decadente Romeinse leven tot leven doet komen. Het diner bevat alle ingrediënten voor een wilde Romeinse nacht: van overmatig drankgebruik tot uitzonderlijke gerechten en van bizarre shows tot vrije seks.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus

Over de religie

Schleiermacher doet zijn best om van de religie iets te maken dat volstrekt op zichzelf staat en verder niets nodig heeft

[Recensie] De religie wil ons maar niet loslaten. God is al diverse keren ‘dood’ verklaard. Kerken worden verbouwd tot boekhandels en poptempels. Priesters en nonnen trouwen, dominees verkondigen van de kansel niet meer in de Heer te geloven. Maar zie, tegelijkertijd verschijnt de EO op de tv, zit de Christen-Unie in het kabinet en verrijzen in de stad moskeeën die suggereren dat de Efteling tegenwoordig overal is. En het publieke debat wordt gegijzeld door de angst voor de religieuze reacties op een film die niemand gezien heeft. De vraag is alleen: heeft dit alles nog iets met religie te maken?

Luisteren we naar Friedrich Schleiermacher (1768-1834) in Über die Religion, dan luidt het antwoord: weinig of niets. Nu schreef Schleiermacher zijn in 2007 opnieuw in het Nederlands vertaalde boek in 1799, toen er van moslim-extremisme of van Geert Wilders nog geen sprake was. Toch stond de religie destijds ook in een kwade reuk. Door de denkers van de Verlichting werd zij bestreden om haar fanatisme en onverdraagzaamheid. Schleiermacher is het daar helemaal mee eens, maar met de ware religie hadden zulke excessen niets te maken, vond hij.

In vijf ‘betogen’,  uitdagend gericht tot de ‘ontwikkelden’ onder de ‘verachters’ van de religie, zet Schleiermacher gepassioneerd en met veel omhaal van woorden uiteen wat religie dan wel is. Met metafysica en dogmatiek heeft zij volgens hem niets van doen, net zo min als met moraal. Alle ontaarding van de godsdienst komt voort uit de vermenging van de ware religie met deze haar wezensvreemde elementen. Dus weg ermee! Religie, schrijft hij in een beroemd geworden formule, is ‘gevoel en smaak voor het oneindige’.

Alles komt aan op de ‘schouwing’ (Anschauung) van het oneindige universum, dat overal is en dat door iedereen op een eigen manier kan worden ‘geschouwd’. Er is, met andere woorden, geen grens aan het aantal religieuze ervaringen. Want dat lijkt het religieuze voor Schleiermacher toch in de eerste plaats te zijn: een ervaring, individueel en intens, zich concentrerend in het ogenblik en gericht op ‘het Ene en het Al’.

Schleiermacher doet zijn best om van de religie iets te maken dat volstrekt op zichzelf staat en buiten zichzelf niets nodig heeft. Zelfs god en de onsterfelijkheid kunnen gemist worden. Dat klinkt wel erg onorthodox. Kun je het eigenlijk nog wel religie noemen? De nadruk op het zelfstandige ofwel autonome karakter van de religieuze schouwing doet eerder aan de kunst denken, die in de 18e eeuw eveneens haar autonomie ontdekte. En met vergelijkbare consequenties, want de romantici claimden voor hun autonome kunst net zo’n connectie met het oneindige. Belichaamde het romantische kunstwerk niet het oneindige in een eindige vorm?

De gelijkenis berust niet op toeval. Toen Schleiermacher Over de religie schreef, deelde hij – in Berlijn – een woning met de romantische criticus Friedrich Schlegel. Hij werkte mee aan diens tijdschrift Athenäum, waarin zijn ‘betogen’ door dezelfde Schlegel uitbundig werden geprezen. Volgens Schleiermacher konden waarachtige priesters (mensen met een originele schouwing, die optraden als `middelaar’ voor degenen die nog niet zo ver waren) heel goed vergeleken worden met kunstenaars en dichters, zij het dan zonder schilderij of gedicht. De romantici, op hun beurt, vergeleken ware kunstenaars en dichters met ‘priesters’, ook al schrijft Schlegel ergens dat religie voor hem toch voornamelijk neerkwam op ‘enthousiasme’. Blijft de vraag wat de religie méér was voor Schleiermacher? Wat hield een religieuze schouwing of ervaring in, los van een vaag holisme?

In het tweede en langste betoog (over ‘het wezen van de religie’) wordt zo’n religieus moment in bijna erotische termen beschreven: “Vluchtig is het, doorzichtig als de eerste geurige nevel waarmee de dauw de ontwaakte bloemen bewasemt, schuchter en teder als de kus van een maagd, heilig en vruchtbaar als de omhelzing van een bruid; en ja, dat ogenblik is niet als dit alles, het is het zelf. (…) Ik lig aan de boezem van de oneindige wereld; op dat ogenblik ben ik haar ziel, want ik voel al haar krachten en haar oneindige leven als mijn eigen leven; ze is op dat ogenblik mijn lichaam, want ik doordring haar spieren en haar ledematen zoals die van mezelf .” Tenslotte staat het religieuze gevoel uit deze omarmende penetratie op om zich in de ziel te weerspiegelen “als het beeld van de zich losrukkende geliefde in het opgeslagen oog van de jongeling”, waarna het zich verspreidt “als een blos van schaamte en lust over zijn wangen”.

Dat is niet niks. Maar wat is het precies: een emotionele versie van Spinozas amor intellectualis dei, een lieflijke variant van Nietzsches dionysische roes of allebei tegelijk? Schleiermacher verklaart zich nader: het doel van de religie is `het beminnen van de wereldgeest en het vreugdevol beschouwen van zijn werken’. Waar vinden we de wereldgeest? Niet zomaar in de uiterlijke natuur, zo blijkt; wat Schleiermacher bedoelt valt niet samen met de in de 18e eeuw zo populaire esthetische ervaring van het ‘sublieme’, opgeroepen door woeste bergketens of storm op zee. De wereldgeest moeten we zoeken, aldus Schleiermacher, in de ‘wetten’ van de natuur. Hoe meer kennis, des te dieper de ervaring: de wetenschap baant hier dus het pad naar de religieuze mystiek.

Met die wetenschap bedoelde Schleiermacher meer de romantische Naturphilosophie van Schelling cum suis dan de mechanistische fysica, die eerder in de eeuw tot de ‘natuurlijke religie’ (het bestaan van God bewezen op grond van de orde in het universum) had geleid. Voor de verlichte natuurlijke religie, nog altijd actueel onder de benaming Intelligent Design, heeft Schleiermacher geen goed woord over. Veel liever zijn hem de bestaande ‘positieve’ religies, waartegen de Verlichting te hoop liep.

In het laatste ‘betoog’ komt vooral het verguisde christendom er goed af. Alle leerstelligheid en alle wereldse bemoeienis worden weliswaar afgewezen, maar de kern van de christelijke boodschap blijkt exact overeen te komen met wat Schleiermacher zelf beweert over de ware religie: ook in het christendom zou alles draaien om het “streven van al het eindige naar de eenheid van het geheel”. En Christus wordt gepresenteerd als het prototype van de `middelaar’, zonder wie dit streven bij de meesten van ons zonder resultaat zou blijven. Het is een verrassend slotaccoord, deze rehabilitatie van het christendom. Friedrich Schlegel (die zich in 1807 tot het katholicisme zou bekeren) kwam daar pas veel later aan toe, maar Schleiermacher was dan ook een praktiserend dominee toen hij Over de religie schreef.

De identificatie van christendom met romantisch holisme behoort mijns inziens tot de minst overtuigende kanten van Over de religie. Want het is wel erg handig om alles wat niet in je kraam te pas komt (en dat is bij het christendom heel veel) als niet waarlijk religieus opzij te schuiven en toch vol te houden dat het nog steeds om christendom gaat. Zo gemakkelijk valt de band met de romantische kunst en poëzie niet af te schudden. Wat kan zo’n – in wezen onmogelijke – schouwing van het oneindige universum tenslotte anders zijn dan een romantische fictie waarin de schouwer zelf is gaan geloven?

Een andere vraag is of je daar iets tegen moet hebben. Misschien is het geloof in zo’n verzinsel juist bijzonder heilzaam. Deze visie vinden we bij William James (1842-1910), van wie onlangs enkele lezingen uit de bundel The will to believe (1897) zijn vertaald. De afstand lijkt groot tussen de Duitse romantische dominee en de Amerikaanse psycholoog en filosoof, een van de geestelijke vaders van het ‘pragmatisme’, maar in de praktijk blijkt dat reuze mee te vallen. William, de oudere broer van de romancier Henry James, verdedigt de ‘legitimiteit van het religieuze geloof’ met het even pragmatische als psychologische argument dat het zinvol is om te geloven in ficties, hypotheses of mogelijkheden, zo lang ze beantwoorden aan reële behoeften.

James is er niet op uit om ‘absurditeiten’ te legitimeren. Maar wat is erop tegen om te geloven in “het bestaan van een of andere ongeziene orde waarin de raadsels van de natuurlijke orde kunnen worden verklaard”? Misschien zijn wij mensen wel net als de huisdieren, oppert hij: zoals huisdieren zonder het ten volle te beseffen deelnemen aan de menselijke orde, zo nemen wij misschien zonder het ten volle te beseffen deel aan zo’n onzichtbare hogere orde.

Maar dat is niet het enige: door datzelfde geloof zouden deze ficties ook wel eens werkelijkheid kunnen worden. De pragmatische psycholoog James spreekt in dit verband van het ‘zelfverifiërende geloven’ oftewel: die niet waagt, die niet wint. Om identieke redenen is het volgens hem zinvol om te geloven dat we in een moreel universum leven of dat het leven de moeite waard is om geleefd te worden. Door dit geloof te willen wordt het ook een beetje of zelfs helemaal waar.

Zo’n sterk geloof in de wil lijkt typerend voor Amerika, in James’ dagen nog het land van de onbegrensde mogelijkheden. Maar de wil om te geloven in de waarheid van de poëzie en haar ficties was minstens zo sterk bij Schleiermachers romantische vrienden. Romantiek en pragmatisme blijken opeens dichter bij elkaar te staan dan je op het eerste gezicht zou denken.

Ontbreekt de ‘wil om te geloven’, dan blijft het uiteraard allemaal fictie en is het onzin om er religie van te maken. Waarom zouden we? Alsof poëzie op zichzelf niet genoeg is. Aan de andere kant zou een dergelijke fictie, pluriform en tolerant, de religie beslist geen kwaad doen. Dachten alle gelovigen tegenwoordig als Schleiermacher of James, dan kon Geert Wilders rustig zijn film uitzenden zonder dat iemand hoefde te vrezen voor de gevolgen. In dat geval zou Wilders zelfs geen enkele geldige reden hebben gehad om zijn film te maken.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op www.arnoldheumakers.nl/

Als de sterren zingen

Een wonderlijk boek vol verhalen

[Recensie]

De auteur en illustrator

Tonke Dragt werd geboren in Nederlands-Indië. Helaas kwam de fijne tijd in Nederlands-Indië tot een einde toen Japan het land bezette en Tonke in een kamp terechtkwam. Daar is ze met een vriendinnetje begonnen met boeken te maken. Ze gebruikten hiervoor wc-papier, oude blaadjes en vreemde papiertjes omdat er weinig papier was. Na de oorlog behaalde ze haar diploma HBS-B en volgde een opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten.

De eerste verhalen van Tonke werden gepubliceerd in het kinderblad Kris Kras. Haar eerste boek ‘verhalen van de tweelingsbroers’, verscheen in 1961. De boeken van Tonke worden in allerlei talen vertaald en verfilmd. Haar verhalen spelen zich af ergens in een verleden of toekomst, niet precies aan te geven. Vroeger verdiepte ze zich in sagen, legendes en mythen. In haar boeken komen daar regelmatig elementen van terug. Het thema in haar boeken is veelal de zoektocht van de hoofdpersoon naar zichzelf, om te ontdekken wat zijn plaats is op de wereld.

Achterflaptekst

“Een prins die zijn dromen geheim wil houden. Een tweeling voor wie geen raadsel te moeilijk is. Het geheim van de sterren die zingen… Tonke Dragt neemt haar lezers mee in haar archief van bekende én niet eerder gepubliceerde verhalen. Voor het eerst brengt ze die op een persoonlijke manier bij elkaar, met een indeling die een inkijkje biedt in het wezen van haar schrijverschap: van sprookjes en sagen tot raadselverhalen, van spannende avonturen en sciencefiction tot betoverende nachtverhalen.

Alle beelden zijn van Tonke Dragt zelf: collages, illustraties en schilderijen uit een periode van ruim zestig jaar. Bij veel verhalen beschrijft ze bovendien de ontstaansgeschiedenis ervan. Zo vertelt dit boek niet alleen de verhalen, maar geeft het ook een beeld van de verhalen áchter de verhalen.”

Verhaal

In dit boek vind je allerhande verhalen. Geschreven en geïllustreerd door Tonke Dragt. De verhalen zijn gerangschikt naar thema en onderwerp, niet in de volgorde waarin ze zijn ontstaan. Zo vinden we de volgende thema’s: Sprookjes & vertellingen/ Sagen, mysteries & avontuur/ Raadselverhalen/ Toekomstverhalen & sciencefiction en Nachtverhalen. Alle verhalen zijn pareltjes op zich. Je komt in allerlei werelden terecht en daardoor spreekt het me zo aan. Verhalen om in weg te dromen, en fijn om voor het slapen te lezen. Het zijn niet zulke lange verhalen, waardoor het prima is voor te lezen of door je kind te laten lezen tussendoor. Door alle verschillende thema’s die gebruikt worden, is het daarnaast ook een fijn boek om onderwerpen bespreekbaar te maken. Zoals moed hebben, eisen stellen aan anderen (te lezen in het verhaal Het woud van Petunia’s), maar ook eenzaamheid, avonturen beleven zoals in Op zoek naar de gordel van Isis waarin geheimschrift gemaakt wordt. Ik weet zeker dat kinderen na het lezen van dat verhaal ook erg graag geheimschrift zullen willen ontwikkelen.

Vormgeving

Een prettig vormgegeven boek met duidelijke thema’s en onderwerpen. Het kan natuurlijk zijn dat het één je wat minder aanspreekt dan het ander, maar er staat zoveel in dat je genoeg hebt aan de andere hoofdstukken. De verhalen zijn voorzien van prachtige illustraties en tussendoor vertelt Tonke over de achtergronden van de verhalen. Deze achtergrond van verhalen staat beschreven op mooie geelgekleurde bladen. In het boek zitten twee linten, waardoor je bij kunt houden waar je gebleven bent. Een fijne dikke kaft en sterke bladen, maken het een ware schat om dit boek in de hand te houden.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Het verleden op je bord

De culinaire geschiedenis van Nederland

[recensie] Een paar maanden geleden schreef ik het al in de blog Aan tafel in het archief, er is de afgelopen periode veel aandacht voor de Nederlandse culinaire geschiedenis. In rap tempo verschenen verschillende publicaties over onze eetcultuur, waaronder Nederland dineert, De kleine geschiedenis van de Nederlandse keuken en Oranje toetjes. Niet alleen in recente boeken kom je steeds meer historische recepten tegen, ook in het archief duiken zo nu en dan oude receptenboekjes op, zoals het zeventiende-eeuwse recept voor jenever uit het RHC Vecht en Venen dat recent te zien was in het tv-programma Binnenstebuiten. Het Regionaal Archief Tilburg en het Stadsmuseum Tilburg namen de proef op de som en organiseerden een speciale publieksdag waarbij gerechten uit oude receptenboekjes werden bereid en te proeven waren. Ook de Koninklijke Bibliotheek blijft niet achter, de collectie bestaat – mede dankzij het legaat van schrijver en lekkerbek J.W.F. Werumeus Buning – uit honderden historische culinaire werken en door de depotfunctie worden er bijna dagelijks nieuwe, recente  kookboeken aan toegevoegd. Tijd dus voor de Koninklijke Bibliotheek om de culinaire collectie te presenteren en te laten zien dat de houdbaarheidsdatum van eeuwenoude recepten nog niet verlopen is.

Culinair historicus Christianne Muusers heeft de krenten uit de pap gehaald en presenteert met Het verleden op je bord een kookboek vol met recepten uit de culinaire schatkist van de Koninklijke Bibliotheek. Muusers is specialist op het gebied van kookschriften en –boeken van de middeleeuwen tot aan de negentiende eeuw en stelt in haar inleiding dat ze geen wetenschappelijke studie met voetnoten en ook geen alomvattend overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse keuken heeft samengesteld. Maar een historisch verantwoord kookboek is het zeker geworden! En niet zo maar een, het boek staat boordevol achtergrondinformatie, prachtige historische prenten en foto’s van gerechten om je vingers bij af te likken.

In zo’n vier hoofdstukken behandelt ze op geheel eigen wijze vijf eeuwen kookgeschiedenis. Hierbij richt zij zich niet alleen op de gerechten en ingrediënten uit voorbije eeuwen, maar maakt ze ook kleine uitstapjes naar de tafelmanieren uit verschillende perioden. Zo behandelt ze onder meer het verschil tussen de Russische en Franse serveerstijl. Tegenwoordig eten we in Europa à la Russe, oftewel gerechten worden één voor één in gangen geserveerd. Hiervoor werd het Franse serveersysteem gehanteerd, waarbij alle gerechten van een gang tegelijkertijd in schalen op tafel werden gezet. Dit betekent dat schotels met vis, taart, vlees, gevogelte en fruit gelijktijdig en door elkaar op tafel werden gezet.

Niet geheel onvermijdelijk heeft Muusers keuzes moeten maken met het hertalen en presenteren van de historische recepten. Anders dan tegenwoordig vond de schrijver van een recept het vroeger immers vaak niet nodig om hoeveelheden of bereidingstijden te vermelden. Muusers heeft in Het verleden op je bord voor een heel transparante manier gekozen om haar keuzes te presenteren. Zo kan de lezer achterin het boek de originele recepten vinden en precies zien welke beslissingen Muusers heeft genomen. De hertalingen en vertalingen van recepten heeft ze gepubliceerd op haar website waarop ze ook elke twee maanden een historisch en modern recept plaatst.

“Je kunt het bereiden van recepten uit het verleden ook vergelijken met het koken uit exotische keukens: onbekende ingrediënten, andere technieken en vreemde smaakcombinaties.” (p. 8)

Naast het behandelen van de historische recepten door de eeuwen heen stelt ze ook de kwestie van plagiaat aan de kaak. Zo wijst ze er op dat veel auteurs van kookboeken door de eeuwen heen geregeld recepten van elkaar hebben overgenomen. Sommige maakten het daarbij erg gortig. Muusers wijst de lezer dan ook op een paar smeuïge details zoals in het kookboek van Vincent La Chapelle. In zijn inleiding van The modern cook (1733) geeft hij af op de gerechten van zijn voorganger, Massialot. Deze zouden volgens La Chapelle hopeloos ouderwets zijn terwijl La Chapelle maar liefst een derde van zijn recepten uit diens kookboek kopieert en ook nog durft te stellen dat hij ‘geen letter heeft geleend van andere auteurs, alles is het resultaat van zijn eigen praktijkervaring. Aaltje de zuinige keukenmeid geeft net als La Chapelle af op haar voorgangers:

“daar hebt gij de Volmaakte Hollandsche, Geldersche, en wat al niet meer, keukenmeiden! […] zy draagen den tytel van volmaakt; maar, waarlyk, zy zyn zulks in den aart der zaake niet […].” (p. 116)

Aaltje verwijt de keukenmeiden te kostbare rechten, enkel geschikt voor aanzienlijke en vermogende lieden te bereiden. Toch neemt ze graag over van de spilzuchtige keukenmeiden van vroeger. Niet veel later doet Henriëtte Stam hetzelfde, zij neemt veel recepten over van een Duits kookboek dat een jaar eerder verscheen: Praktisches Kochbuch (1845) van Henriette Davidis.

Het boek biedt een heerlijke mix van achtergrondinformatie over de culinaire Nederlandse geschiedenis, de gewoonten om de maaltijden heen en recepten met foto’s om van te gaan watertanden. De fijne schrijfwijze van Muusers wordt op evenwichtige wijze afgewisseld met prachtige afbeeldingen uit vervlogen tijden en bijzonder fraaie foto’s van de behandelde gerechten. Daarbij zijn de recepten voorzien van handige tips en grappige kaderteksten met leuke wetenswaardigheden. Dit alles tezamen maakt Het verleden op je bord tot een heerlijk boek voor de geschiedenisliefhebber met een honger naar onze culinaire historie.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus

Tot as

Een familiegeheim en verkoolde lichamen

“…want degene met de mooiste droom,
en met de zachtste, wreedste en wildste blik,
wordt ter aarde geworpen en bezoedeld met stof.”
Het moeten sterren zijn geweest – Gustaf Fröding

[Recensie] Nigeria. Isohe, een jonge moeder, krijgt van haar vriendin te horen dat het ‘zover is’, maar Isohe twijfelt. Ze wil haar dochtertje niet alleen laten, hoewel ze weet dat haar man snel thuis zal zijn. Ze heeft te weinig tijd gehad om zich voor te bereiden, maar ze besluit toch om vrijwillig mee te gaan. Ze heeft haar keuze maanden geleden al gemaakt en het is een eer dat Ze haar vragen. Ook haar zus is met Hen meegegaan.

“De politieman deed een stap dichterbij naar de verkoolde klomp toe en voelde een golf van misselijkheid door hem heen gaan. Zijn meer ervaren collega’s die op de vindplaats rondstapten beweerden dat het een lichaam was. Of tenminste, dat het dat ooit was geweest. Zelfs had hij het verwrongen voorwerp  eerst voor een tak aangezien. […..] De gekromde vogelklauw die zich naar de hemel strekte als in een laatste wanhopig gebaar moest een hand zijn geweest. De borstkas leek opengebroken. En waarom zaten er gapende gaten in de oogkassen?”

Stockholm

Agente Rebecka Born heeft er lang op gewacht, maar is uiteindelijk toch gevraagd om toe te treden tot de elite-eenheden Sektionen för Särskilda Hot (SSH), de Dienst zonder dreiging. Op het werk krijgt ze van Commissaris Lennart Fleming te horen dat het al de tweede keer is dat er een lichaam is gevonden, onder identieke omstandigheden. Toch heeft Fleming er geen behoefte aan dat de SSH zich gaat bemoeien met de zaak, omdat ze er officieel niet bij betrokken worden en dat de zaken beter niet naar buiten zouden moeten komen, om paniek in de hand te houden. Rebecka besluit tóch om op onderzoek uit te gaan en vindt op de plaats delict een klein wit pakje. De inhoud blijkt te bestaan uit nagels, haar en bloed.

“Nu haar kans was gekomen, moest ze ervoor zorgen zich verre te houden van verleidingen, en mocht ze onder geen beding haar gedachten naar het verleden laten afdwalen…”

Familielandgoed Ulfsby

Rebecka draagt een angst uit haar jeugd met zich mee, die zijn oorsprong vindt in de zomer dat ze zestien werd. Een druppend geluid is tegenwoordig al voldoende om haar angst weer te laten oplaaien. Ze had in de oude stal op het landgoed iets gezien en uit pure angst in haar broek geplast. Haar moeder werd kwaad en heeft altijd ontkent dat hetgeen Rebecka daar had gezien ook werkelijkheid was. Toen ze er jaren later nogmaals aan refereerde, zette haar moeder haar in de auto en bracht haar naar de Spoedeisende Psychiatrie.

Haar dwangmatige behoefte om haar zelfstandigheid te bewaken is het pantser wat ze zich heeft aangemeten om haar angsten te kunnen beheersen. Nog steeds weet ze zeker wat ze destijds heeft gezien.

Grimstad

De plek waar het tweede lichaam is gevonden ligt bij het dorp, waar het nationalisme hoogtij viert en… alle meisjes zwart lijken te zijn. Rebecka weet dat er hier vroeger geofferd werd en de dreiging lijkt op de loer te liggen.

Na een gebroken en verwarrende nacht besluit Rebecka om er op uit te gaan. Omdat ze in de verte rook ziet, gaat ze poolshoogte nemen en komt uit bij Ulfsby. Ze is verbaasd dat het familiehuis tegenwoordig dienst blijkt te doen als asielzoekerscentrum. Daar ontdekt ze dat er brand is geweest in een aanbouw en dat een buitenechtelijke neef nu eigenaar is van het landgoed. Wanneer ze een verdacht persoon ziet rondlopen besluit ze haar mee te nemen voor een verhoor. Het meisje, dat zich Stella noemt, stort tijdens het verhoor echter in en wordt daarop snel naar het ziekenhuis gebracht.

Rebecka’s chef Richtert is verbolgen over het feit dat het meisje is verhoord, zonder dat hij daarbij aanwezig was en haalt subiet de SSH van de zaak af. Rebecka trekt zich daar echter niets van aan en wil de omstandigheden uitzoeken. Daarom bezoekt ze Stella regelmatig in het ziekenhuis. Het lukt haar Stella’s vertrouwen te winnen, waardoor ze Rebecka meer aanwijzingen weet te geven en haar de juiste kant op kan sturen.

Wat volgt is een zoektocht waarbij Rebecka op allerlei duistere en bevreemdende sporen stuit. Hebben de vondst van het witte pakje, de zwarte meisjes, het asielzoekerscentrum en de vondst van de lichamen iets met elkaar gemeen? Hoe is Ulfsby hierbij betrokken? Waarom haalt Richtert de SSH van deze zaak af?

Tot as heeft meerdere lagen en het vereist wel oplettendheid van de lezer om goed de draad van de plot te kunnen blijven volgen. Door middel van flashbacks worden er aanwijzingen gegeven van zaken die zich in het verleden hebben afgespeeld. De spanningsboog zakt regelmatig in, maar de nieuwsgierigheid wordt groot gehouden doordat er successievelijk iets wordt toegevoegd om het verhaal steeds meer sluitend te krijgen. De dreiging is voelbaar.

Zelf vind ik het wel wat gekunsteld overkomen, dat er veel factoren zijn die uit de familiesfeer gehaald worden. Het lijkt dan net iets té toevallig te zijn. Ik ben dan ook zeer benieuwd of deze auteur een tweede boek zal schrijven met dezelfde hoofdpersoon, want nog meer ellende kan er voor haar bijna niet meer bijgehaald worden. Desalniettemin is het een zeer knap geconstrueerd verhaal geworden, met voldoende verrassingsmomenten om snel door te willen lezen. Een veelbelovend debuut van een nieuwe Scandi-auteur.

De personage Rebecka wordt psychologisch heel goed uitgediept en gaandeweg wordt steeds duidelijker wat ze met zich meedraagt, hoe ze de cocon om zich heen heeft gecreëerd en wat de invloeden zijn op haar persoonlijke leven.
De overige personages blijven wat aan de oppervlakte en dat is jammer genoeg wel een gemiste kans. Het zou het verhaal veel meer diepgang geven, wanneer de lezer zich ook in hen zou kunnen inleven.

Het nawoord is schokkend, omdat er wordt uitgelegd dat het weliswaar een fictief verhaal is, maar dat het wel degelijk is gebaseerd op de werkelijkheid, waar racisme en voodoo een rol in spelen.

Over de auteur

Lisa Bjurwald (1978) is een Zweedse schrijver en journalist. Ze heeft als hoofdredacteur gewerkt bij twee dagbladen en heeft zich beziggehouden met het maken van een reportage over de stijging van extreem-rechtse bewegingen. Ze is expert op het gebied van de bestrijding van vreemdelingenhaat. Een van haar rapporten won in 2010 de prijs van de Europese parlementaire journalistiek.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

De keuken van Corsica

Kookboek over de cultuur en smaak van het eiland Corsica

[Recensie] Corsica is een eiland in de Middellandse zee. En niet zomaar een eiland. Tot 1991 was het een regio van Frankrijk maar vanaf mei van dat jaar kreeg Corsica een speciale status met meer macht dan de regio’s op het vaste land. Het ligt dichter bij Italië dan bij Frankrijk en Sardinië is maar 12 kilometer verderop. Het is een ruig eiland met veel bergen en heeft 300.000 inwoners. Het toerisme is een belangrijke bron van inkomsten. Corsica heeft zelfs een eigen taal al spreekt men voornamelijk Frans en Italiaans.

De keuken van Corsica vertelt ons dat het eiland het rijkste gastronomische erfgoed van Frankrijk heeft en het boek De keuken van Corsica laat dat uitgebreid zien. We lezen o.a. over het Corsicaanse varken, de kazen die er geproduceerd worden, de producten uit de zee en uiteraard de Corsicaanse wijnen. Bij alle zaken die voorbijkomen staat een portret van een inwoner die alles weet over het desbetreffende product. En zijn er de uiteraard recepten. Veel recepten en prachtige foto’s.

Het is logisch dat in een kookboek als dit ingrediënten gebruikt worden die Corsicaans zijn. En het is dan ook te verwachten dat niet al die ingrediënten even makkelijk verkrijgbaar zullen zijn in ons koude kikkerland. Maar veelal is een alternatief snel gevonden en ook de recepten voorzien daar vaak in.  Alle hoofdstukken beginnen met informatie over een product, daarna een portret van een producent of kenner, dan nog een stuk informatie en daarna de recepten. De hoofdstukken zijn Het Corsicaanse varken, Vlees, Kaas, Producten uit de zee, Fruit en Groenten, Desserts, Kennis van (bij)zaken en Corsicaanse wijnen.

De gerechten zijn te vergelijken met het ruige Corsicaanse landschap. Geen verfijnde liflafjes maar stoere kost vaak voor 6 personen. Grote schotels en altijd ruimte voor nog een portie. Een stoere stoofpot van schenkel of Bonen met worst. Langoest geflambeerd in brandewijn of een Tartaar van dorade met olijven, citroen en venkel. Ook de desserts mogen er zijn. Citrussalade met saffraan of Gebakken eiervla met kastanjemeel.

Eerder verschenen op Kookboekennieuws

Baby’s eerste verhaaltje – Dierentuin

Een piepklein verhaaltje voor piepkleine mensjes

[recensie]

De auteur en illustratoren

Lisa Jones maakt verschillende producten, zoals lampen, klokken, posters en boeken. Ze woont in een oude molen in het zuiden van Engeland en werkt ook vanuit daar. Al haar producten kenmerken zich door de vrolijke figuren, beestjes en kleuren die ook in dit boekje terug te vinden zijn.

Edward Underwood schrijft boeken in verschillende genres, van kinderboeken tot thrillers en romans. Edward is geboren in Duitsland maar woont al geruime tijd in Louisiana. Hij is naast het schrijven van boeken ook medicijnman in de Indiase stammen.

Achterflaptekst

“Dit boekje heeft felgekleurde tekeningen, een eenvoudig verhaaltje en dikke, zachte bladzijden. Daar zijn baby’s dol op!”

Verhaal

We volgen Boeba Baby, hij gaat met papa naar de dierentuin. In de dierentuin ontmoeten ze samen allerlei dieren. Bij de dieren staan de geluiden die ze maken, die je als voorlezer van het boekje goed na kunt doen.

Vormgeving

Mooi verpakt in een doosje komt er een zacht babyboekje tevoorschijn. De pagina’s voelen erg prettig aan, zeker voor babyhandjes. Ze knisperen zacht. Daarnaast zit er een handige lus aan, zodat het boekje aan de box of kinderwagen vastgemaakt kan worden.

De kleuren van het boek zijn sprekend, de tekeningen spreken het jonge kind aan. Duidelijke, prima gevulde pagina’s. Op de pagina’s zijn meerdere vormen en afbeeldingen te zien, wat het een kleurrijk geheel maakt. De kleuren zijn passend bij de dieren waar het om gaat.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles

Contact

Antwerpens stadsdichter levert het bewijs: Poëzie is een daad

[Recensie] Na een jaar stadsdichterschap van Antwerpen bundelde Maarten Inghels (1988) zijn poëzie die verschillende gedaantes kan aannemen: als traditioneel gedicht maar net zo goed als foto, performance, tatoeage of volksbevraging – het veel mooiere Nederlandse woord voor enquête. Dat maakt zijn bundel  Contact tot een prikkelend multidisciplinair winterboek.

Sinds God in Brussel woont en een narrige, oude vent blijkt te zijn, die de godganse dag in zijn ochtendjas rondloopt en de mensheid pest kijk je nergens meer gek van op. In België is het surrealisme aan de orde van elke dag. Neem een stadsdichter als Inghels.

Zijn bundel Contact opent met een reeks epische post-mortem gedichten waarin dubbelgangers des dichters heengaan celebreren. Denk hierbij aan het chanson A Mon Dernier Repas van de Franstalige Vlaming Jacques Brel.

Van een stadspoëet verwacht je dat hij zich poëtisch aan de zijlijn van de actualiteit ophoudt en daarop maar mild reflecteert. Zo niet deze dichter.

Gelijk de eerdergenoemde God (gespeeld door Benoît Poelvoorde) blijkt Inghels behoorlijk bemoeizuchtig van aard. Het beeldenpark Middelheim biedt hij bijvoorbeeld een grote brokaatkarper voor hun vijver aan. Een karper is immers net zo ongrijpbaar als de poëzie.

Maar zit er nu echt iemand op gedichten te wachten? Toch wel. Inghels verspreidt visitekaartjes en zet mini-advertenties met zijn telefoonnummer voor een gedicht. En verdorie: het nummer wordt veel gebeld. Dat geloven we niet? Inghels drukt de telefoonnummerlijsten zonder schroom af, alsof het conceptuele tekstkunst (gaap) van Hanna Darboven is.

Denk niet dat Inghels een artistieke thuiszitter is. Remco Campert dichtte dat poëzie een daad is en Inghels brengt dat in praktijk. Hij loopt langs de Schelde, om van bron tot monding de rivier op onregelmatigheden te controleren. Hij laat zijn gedichten op zakdoekjes afdrukken en stopt deze in de jaszakken van theatergarderobes. Je zoekt je huissleutels en vindt er een gedicht bij. Hij verleidt mensen een dichtregel over het thema ‘honger’ op een lichaamsdeel te tatoeëren. Sofie B (36) beschouwt dat als een vorm van aanschouwelijk literatuuronderwijs. We lezen op haar bovenarm (foto-als-bewijsstuk) “bij jouw lichaam/ is adem honger. ” Toegegeven dat is wel erge Vijftigers-poëzie.

Met zijn publiekparticipatiepoëzie richt Ingels iets aan wat ook op ontwrichten kan uitdraaien. Omdat de stad nachtwinkels vaak louche bedoeningen vindt, zet Inghels ook hier de vertrouwenwekkende dichtkunst in. Hij biedt het woord ‘poëzie’ als lichtreclame aan om naast net zo’n aan en uit flikkerend ‘open’ bordje te plaatsen.

De reacties van de veelal buitenlandse ondernemers lopen uiteen. Inghels noteert bij de foto’s van zijn bezoeken hartverscheurende oorlogsverhalen maar ook een benepen vraag wie dan de elektriciteit voor dat extra bordje zal betalen. En dan dient zich plotsklaps ongezochte poëzie vanuit de andere kant aan. Een winkelier uit Bangladesh bezweert hem dat hijzelf vijfhonderd gedichten heeft geschreven. Gewoon. Hij mailt ze naar zijn vaderland waar ze op cd worden opgenomen. “Neem maar een stapeltje mee.”

Na zoveel absurdisme verbaas je je niet over het treurige gedicht over de eenzame uitvaart van een suïcidale zwembadbouwer die dacht dat hij een boom was. En aan dat merkwaardige boomverlangen wijdt Inghels dan ook mooie regels.

Achterin het kloeke boek re-mixt Inghels het befaamde Alpenjagerslied van Paul van Ostayen over de ontmoeting, halverwege een berg, tussen een klimmende en afdalende man.

De aandachtige lezer weet dan inmiddels dat Maarten, gelijk Marc uit het Van Ostayen-gedicht, ’s ochtends de dingen groet om zich telkenmale over de wereld te verbazen.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles