Großes Ey

Kunst tussen warme broodjes en gebakken aardappeltjes

In de Duitse non-fictie biografie Großes Ey vertelt Ute Bales (1961) over Johanna Ey, een gescheiden bakkersvrouw die van 1916 tot 1947 in Düsseldorf een kunsthandel dreef. Dankzij haar kregen scharminkelige schilders als Otto Dix en Max Ernst hun eerste exposities. Zelf zou ze nooit van hun roem profiteren. Daar was zij trouwens ook de vrouw niet naar.

[Recensie] Op de tot 28 mei verlengde Otto Dix-tentoonstelling In K20 (Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen) prijkt een grotesk portret van een gezette vrouw. Ze had je overgrootmoeder zou kunnen zijn. Zo’n overweldigend vrouwmens in een ruim zittende, rode jurk, rond brilletje, opgezette werkhanden, sigaretje. Het is Johanna Ey (1864-1967), ooit de meest geschilderde vrouw van Duitsland. Niet ver van de K20, de dertig jaar jonge kunsttempel in Düsseldorf draagt trouwens een galerie-straatje haar koosnaam: de Mutter Ey straße.

Zelf verafschuwde ze die bijnaam, hoewel ze als moederkloek over de academiestudentjes en over hun docenten waakte. In het prille begin kochten ze broodjes bij haar. Ey, behept met een handelsinstinct, zette ook koffie. Soep kon ook en waarom dan geen gebakken aardappelen? Schnaps als kille Rijndamp door de stad waaide? Maar studenten hebben geen geld. Het gepof liep de spuigaten uit. Een schilder, Savelsberg,  betaalde zijn schulden af met een rivierlandschapje. Ey vond het een mooi doekje en ging overstag. Een maand later ontdekte een heer van stand het schilderij in de bakkerij en bood 100 mark.

Ey aarzelde even maar verkocht het hem. Dit zouden haar jongens haar zeker kwalijk nemen! Integendeel. Zij vonden het opperbest. Waarom begon zij geen expositieruimte voor jonge kunstenaars? En zo verruilde ze de bakkerswinkel (waar ze zelf bakte) voor een kunsthandel waar je ook wat kon eten en drinken; een mooi staaltje 21ste eeuwse branchevervaging eigenlijk.

Agressieve vader

Met het portret van een sterke vrouw – agressieve vader, agressieve echtgenoot, gestorven kinderen – vertelt de auteur via Ey ook over de ontpoppende, hedendaagse kunst in het Rijnland. Ook nu voelt  Düsseldorf – zich ondanks de hier ooit actieve en docerende Joseph Beuys – ondergeschikt aan het avant-gardistische Berlijn en München als kunsthandelsstad par excellence.

Met schrik zagen de academiestudenten welke wilde wegen – expressionisme, fauvisme, kubisme – de kunst insloeg. Wat hier ook meespeelde waren de frontervaringen in de Eerste Wereldoorlog, die de schilders mee terug naar hun atelier namen. In loopgraven hadden zij kleurexplosies en vervormde lichamen gezien. Otto Dix, arbeiderszoon uit Dresden vermengde zijn bijna Renaissancistisch-Duitse schilderstoets (als Holbein) met hedendaagse decadentie en oorlogsgruwel. Ey was overtuigd van zijn talent. Ze liet hem in de voorkamer bivakkeren zolang hij maar zijn schilderijen voor een expositie bij haar maakte. Aangetrokken door Ey’s reputatie meldde ook Max Ernst zich uit het naburige Brühl. Ernst begon net surrealistische schilderijen te maken. Zoiets fascinerends had Ey nog nooit gezien. Passanten stopten bij haar etalage en er ontstonden opstootjes. Onder de geïnteresseerden was een jong artsenechtpaar Lydia en Artur Bau dat op afbetaling werk van Ernst kocht. Ey gaf ze het beproefde galeriehoudersadvies: “Nu beslissen hoeft niet. Ik geef het op zicht mee. Hang het op. Kijk er dagelijks naar en u zult eraan gehecht raken. Dat is bij mij ook zo gegaan.” Het echtpaar zou de eerste grote verzamelaar van Ernst worden, waarbij ze enige sleutelstukken (nu in Museum Ludwig, Keulen) bezaten. Tegelijk werden ze ook deel van Ey’s bonte kunstenaarsfamilie.

We lezen hoe heftig de kunstenaars over kunst en politiek discussieerden en daarbij de keuken en drankkast van Ey leeg plunderden. Maar welke opvattingen had Ey? Een gevestigde kunsthandelaar uit de stad zag haar activiteiten, raakte overtuigd en ging haar als collega steunen. Maar kunsthandelaars moeten ook contacten leggen met de gegoede burgerij en museumconservatoren. Hoe Ey dat deed lees je niet. Ze ging maar weer eens bratkartoffelen maken. In ieder geval wilde zij geen vrouwvolk binnen. Dat gaf maar onrust onder haar jongens. Enige jaloezie was haar daarbij niet vreemd.

Teder beschrijft Bales hoe Ey op haar 62ste onmogelijk verliefd wordt op een bezoekende, Majorcaanse schilder/dichter Jacobo Sureda (die ook met Jorge-Luis Borges correspondeerde). Hij had haar zoon kunnen zijn. Ze bezoekt Sureda in 1927 op Majorca; mèt de vaste jongens van haar kunsthandel. Dat Sureda inmiddels een vriendin blijkt te hebben maakt haar razend, maar ze vergeeft hem.

Wiedergutmachung

Bij terugkomst verandert de Weimar Republiek in Nazi-Duitsland. Hedendaagse kunst wordt ontaard verklaard en uit musea gesleept om nog één keer bespot te worden op een rondreizende expositie. Ernst, Dix, haar vertrouwelingen Gert Wollheim en Otto Pankok zijn ook ontaard verklaard. Haar meeste andere kunstenaars wordt verboden te schilderen of te beeldhouwen.Een aantal is joods en vlucht.

De waardering die Ey van de gemeente kreeg, brokkelt rap af. Een zending moderne kunst voor de wereldtentoonstelling in Chicago blijft steken bij Hamburg. Dit had haar internationale, commerciële doorbraak kunnen zijn. Helaas, het wordt nóg erger. Tussen 1934 en 1947 blijft haar kunsthandel gesloten. Ze overleeft de bombardementen van de Geallieerden. Het huis is weg. Gelukkig blijft een deel van haar collectie gespaard omdat ze die tijdig ergens in de Eifel stalde. Het echtpaar Bau luistert naar haar raad om de aan hun geleende Ernst-kunstwerken veilig te verbergen. Ook hun villa wordt gebombardeerd.

In 1947 zet de gemeente met Mutter Ey weer een kunsthandel op. Die Wiedergutmachung duurt slechts enkele maanden. Ze is oud en op en overlijdt.

Als non-fictie biografe documenteerde Bales zich plichtsgetrouw. Gebruikte ze ook Ey’s eigen aantekeningen die een journalist destijds zou gaan bewerken? Het onderhoudende verhaal kabbelt voort. Maar wat ging nu echt in Ey om? Waarom wordt een simpele bakkersvrouw een trouw beschermster van de kunst? Ontwikkelde zij haar smaak en kennis?

Typisch non-fictie is ook dat inwisselbare personages louter als informatiebrengers door het verhaal lopen. Niet alle feiten kloppen trouwens. Zo vestigde autocoureur Caracciola zijn wereldsnelheidsrecord niet op de Nürburgring maar op de afgesloten snelweg Frankfurt-Darmstadt. Voor Ey vervingen kunstenaars haar eigen ongelukkige gezinsleven. Ze namen haar uit naar de bioscoop, naar het theater, vierden samen carnaval, gingen op vakantie naar Majorca. Zulke bevlogen, moederlijke galeriehoudsters die doorgaan tot ze er bij neervallen bestaan nog steeds; ook in Nederland. Noem het oprechte kunstliefde.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Nederland in 100 voorwerpen

Nederlandse geschiedenis in 100 schitterende voorwerpen

Het nieuwe Rijksmuseum maakt op allerlei manieren duidelijk dat het niet alleen een kunsthistorisch museum is, maar de hele geschiedenis van Nederland wil vertellen. De uitgave van het boek uit 2013 De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen past daar helemaal bij.

[Recensie] Terwijl de Nederlandse politiek jarenlang steggelde en debatteerde over een nieuw te bouwen Nationaal Historisch Museum in Arnhem, werd er in Amsterdam stilletjes jarenlang aan zo’n museum gewerkt. Dat werd niet een plek met vage thema’s zoals ik & wij, water & land of oorlog & vrede, maar een klassiek gebouw waar aan de hand van historische voorwerpen de geschiedenis van Nederland wordt verteld.

Zo verscheen onlangs het prachtige boek De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen. Deze uitgave ter gelegenheid van het nieuwe Rijksmuseum is gemaakt naar het voorbeeld van het in 2011 verschenen Geschiedenis van de wereld in 100 voorwerpen. Dat boek nam de lezer aan de hand van de collectie van het beroemde British Museum in Londen mee op een fascinerende tocht door de wereldgeschiedenis. Nu neemt het Rijksmuseum de lezer aan de hand van zijn eigen collectie mee op een tocht door de veelzijdige Nederlandse geschiedenis.

Kunst en geschiedenis

Er komen uiteraard schilderijen van Rembrandt, Appel en Vermeer langs. Maar ook een poppenhuis, een beeldje van een Hollandse graaf, een katholieke miskelk en een jas uit een concentratiekamp. Aan de hand van elk voorwerp vertelt Gijs van der Ham, senior conservator bij de afdeling Geschiedenis van het nieuwe Rijksmuseum, een verhaal dat typerend is voor een bepaalde periode uit de Nederlandse geschiedenis.

Neem het beeldje van de Hollandse graaf. Het is een van de 55 centimeter hoge grafbeeldjes op het praalgraf van Isabella van Bourbon, die in 1465 stierf op doorreis van Gorinchem naar Gent. Het waren oorspronkelijk vierentwintig beeldjes van edellieden. Dit beeldje stelt Albrecht van Beieren voor, Isabella’s overgrootvader. Albrecht was al lang dood toen het beeldje van hem werd gemaakt.

Hij stond op het graf om het belang van de Bourgondische dynastie aan te geven. Hij bestuurde Holland, Zeeland en Henegouwen, een positie die later de hertogen van Bourgondië zouden bekleden. De Bourbon-dynastie was erg belangrijk voor de middeleeuwse geschiedenis van Nederland.

Oud en nieuw

Of neem bijvoorbeeld het schilderij ‘De Zielenvisserij’, geschilderd door Adriaen van de Venne in 1614. Hij geeft hiermee commentaar op de religieuze en politieke conflicten van zijn tijd. Er gebeurt van alles op dit bijna twee meter brede schilderij. We zien zowel protestanten als katholieken mensen opvissen uit het water. De protestanten zitten stabiel in hun bootje, maar de katholieke sloep lijkt bijna te zinken. Aan de protestantse kant (links) staat een boom in volle bloei, bij de katholieken is de boom bijna vergaan.

Op de oevers staan naast kerkelijk volk ook politieke leiders van de tachtigjarige oorlog tegen Spanje. Op de linkeroever onder andere Frederik Hendrik en Maurits, samen met protestantse vorsten uit Europa. Rechts staan de Spaanse landvoogden die de Zuidelijke Nederlanden bestuurden. Voor wie Van de Venne dit schilderij maakte en waarom is onbekend. Maar de boodschap is duidelijk. Oranje en het protestantisme hebben de toekomst.

De toelichting bij alle honderd voorwerpen uit dit boek is redelijk beknopt, maar daardoor niet minder deskundig en duidelijk. De voorwerpen vertellen min of meer een chronologisch verhaal. Hoewel het eerste voorwerp, het schilderij ‘De Elisabethsvloed’ uit 1490 niet het oudste is. Het beeld een dramatische overstroming in de omgeving van Dordrecht uit. Het is gekozen als proloog, omdat de strijd van de Nederlanders tegen het water een van de belangrijkste rode draden in onze geschiedenis is.

Geen Romeinen

Ook het laatste voorwerp uit het boek is bijzonder. Het is het tegentablau ‘Oud West Thuis Best’, van kunstenaar Arno Coenen uit 2007. Het tablau verwijst naar allerlei hedendaagse ontwikkelingen als immigratie en multiculturele samenleving. Centraal staan twee kickboksers maar ook een portret van Willem van Oranje. De zijkanten bestaan uit traditionele Marokkaanse tegeltjes maar de drie kruisen van Amsterdam zijn ook duidelijk zichtbaar. In de Arabische tekst staat onder andere: “Maar het zijn wel ònze Marokkanen.”

Het oudste voorwerp uit het boek is een stenen reliëf met de apostel Petrus afkomstig van de abdijkerk van Egmond uit omstreeks 1140 (hoewel de steen al sinds ca. 900 als sarcofaag-deksel fungeerde). De vroegste geschiedenis van ons land, de prehistorie, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, ontbreken jammer genoeg in het boek. Om de eenvoudige reden dat voorwerpen uit deze tijd zich niet in de collectie van het Rijksmuseum bevinden.

Maar ondanks deze onvermijdelijke tekortkoming heeft Van der Ham een schitterend werk afgeleverd. Eindelijk is het verleden van Nederland op één plek te vinden. De voorwerpen en beschrijvingen geven een haast tastbaar beeld van onze geschiedenis. Eigenlijk is het jammer dat het er ‘maar’ honderd zijn.

Eerder verschenen op Kennislink

A Beirut Anthology

Oost ontmoet west in Beiroet

[Recensie] Steden waar ik graag terugkom: Antwerpen, Berlijn, Istanbul, Mainz, Palermo, Rotterdam, Shiraz, Thessaloniki en vooral – hiermee behoorde het lijstje te beginnen – Beiroet. Vraag me niet wat deze steden verbindt, behalve dan dat het steden zijn en dat ze iets kosmopolitisch over zich hebben. Vraag me ook niet wat Beiroet in dit gezelschap zo uitzonderlijk maakt, want veel verder dan een cliché over “oost ontmoet west” kom ik niet.

Hoe dat ook zij, ik lees graag boeken over de Libanese hoofdstad en was blij toen ik onlangs A Beirut Anthology. Travel Writing through the Centuries in handen kreeg. Reisverhalen zijn altijd leuk, Beiroet is dat ook en samensteller T.J. Gorton had al ervaring opgedaan met een goede biografie van de Druzenleider Fakhr al-Din ibn Maan, dus dit moest de moeite waard zijn. Helaas is dat niet het geval.

Om te beginnen bestaat het beschreven Beiroet niet meer. Na de Tweede Wereldoorlog is er nogal wat nieuwbouw geweest en ik hoef u niet te vertellen wat er tijdens de Burgeroorlog is gebeurd. De mooie Ottomaanse stad die in A Beirut Anthology wordt beschreven, is er niet langer. Je kunt niet door de tuinen van de genoemde Fakhr al-Din wandelen met in je achterhoofd “dit is de plek waarover ik heb gelezen”. Het is alsof je de weg krijgt uitgelegd in een huis dat inmiddels is gesloopt.

Een tweede probleem is de beknoptheid van het commentaar. Als u niet weet wie de Druzen zijn, wat een Druzenleider zoal doet, wie Fakhr al-Din was en wat de familie Maan voor Libanon heeft betekend, komt u er ook niet achter. Alsof je een klassieke tekst uit het Grieks of Latijn vertaalt en het resultaat naar de lezer werpt zonder nadere toelichting. Dat gaat dus niet want de lezer zal daardoor zijn eigen ideeën op de tekst projecteren. Dan bevestigt A Beirut Anthology dus nogal wat oriëntaliserende vooroordelen.

Desondanks zijn sommige fragmenten aardig. Hieronder is de beschrijving die Willem van Tyrus gaf van de verovering van Beiroet door de Kruisvaarders, een gebeurtenis waarover Gorton best had mogen vertellen dat ze de stad maakte tot wat ze is: hét punt waar westerlingen het Midden-Oosten betreden. ‘Échelle du Levant’. Ook al werd de stad later weer Arabisch en ook al werd Beiroet een tijdje overvleugeld door Tyrus en Sidon, het karakter dat de stad dankzij de Kruistochten kreeg, heeft ze behouden.

“King Baldwin… gathered all the forces of his kingdom and laid siege to the city of Beirut. …Nearby the city there was a fine pine grove which was called the Pineda; this was most useful to our side, for they used the wood to make siege engines such as catapults and trebuchets and mangonels and ladders, all of which operated day and night and so caused great damage to those inside the walls.

Thus the siege continued for two whole months, and the long delay began to weigh on the besiegers. They therefore threw themselves into the attack even more fiercely than usual; those on the wooden towers could see that the inhabitants were desperate and sorely frightened. The towers were brought up to the walls and soldiers began to climb onto the battlements. Finally, there were so many of our men inside that they managed to open one of the city gates, and the remainder of the army surged in.

The Turks in the city fled towards the sea, thinking to escape that way; but our men in the galleys met hem most cruelly with swords and forced them back. Finally after so many of them had been killed that the streets were running with blood, the survivors cried out for mercy to the King, that they should be spare. The King took pity on them and forbade his army from killing any more of them. Thus the city of Beirut was taken in the Year of Our Lord 1111, on the 27th day of April.”

Koning Boudewijn vernieuwde de stadsmuren en bouwde een mooie kerk in Beiroet. Die laatste is er nog altijd, al is het gebouw momenteel in gebruik als moskee.

Eerder verschenen op https://mainzerbeobachter.com/

Zeegang

Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw

[Signalering] ‘Zeegang’ betekent volgens Van Dale niet meer dan ‘deining’, maar Jaap Bruijn komt met een nieuwe betekenis, die meteen overtuigt. Zeegang is in dit boek de gang naar zee, de zeeman op zoek naar werk en aan het werk. Bruijn beschrijft in het algemeen én in het bijzonder de vele zeevarende Nederlanders en buitenlanders op Nederlandse schepen in de 18de eeuw. In de koopvaardij, marine, walvisvaart, zeevisserij en bij de VOC was werk voor tienduizenden per jaar. Zeegang kent nauwelijks een aanloop en eigenlijk geen conclusie, maar geeft in een twaalftal hoofdstukken antwoord op alle wie-, wat-, waar-, hoe- en waaromvragen die er over dit onderwerp te verzinnen zijn.

Bruijn, emeritus hoogleraar zeegeschiedenis, is goed op de hoogte van recent onderzoek en weet sterk kwantitatieve en kwalitatieve gegevens, archiefmateriaal en persoonlijke levensverhalen te combineren. De 18de eeuw blijkt geen tijd van grote  veranderingen (maar daarom niet minder interessant) en, na initiële groei, uiteindelijk ook in de zeevaart een periode van stagnatie en achteruitgang. Wat uit de persoonlijke verhalen van een tiental zeelieden blijkt die door het boek heen aan bod komen, is vooral het gebrek aan romantiek of heroïek in de 18de-eeuwse ‘zeegang’. Naar voren komen vooral de vreselijke risico’s en de onzekerheid voor de zeelieden zowel als het thuisfront.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Taal

Elementair boek over de veelzijdigheid van taal

Is taal aangeboren of aangeleerd? Hebben dieren ook taal en waarom verandert taal? Deze en andere vragen worden beantwoord in het compacte boek Taal van Sterre Leufkens. De auteur geeft in begrijpelijke taal een compleet beeld van de taalwetenschap, en weeft de verschillende onderwerpen op een heel natuurlijke manier aan elkaar.

[Recensie] Wat is taal? Dat is de kernvraag waar Leufkens haar boek Taal mee opent. Het is een lastig te beantwoorden vraag, zo blijkt, want taal is eigenlijk voor iedereen verschillend. Daarom beschrijft Leufkens het fenomeen ‘taal’ in haar boek vanuit acht perspectieven: taal voor een kind, een dier, een oermens, een biograaf, een hersenkundige, een socioloog, een leraar en een politieagent. Door die verschillende benaderingen laat Leufkens op aantrekkelijke wijze zien hoe veelzijdig taal is.

Aangeboren of aangeleerd

Leufkens is taalwetenschapper en schrijft al langer voor een breed publiek. Samen met Marten van der Meulen startte ze in 2012 het blog Milfje ‘over waarom alle taal mooi is en iedereen gelijk heeft’, wat een succesformule bleek. Het blogduo schreef samen met de hoofdredacteuren van de Dikke Van Dale het boek Taal in 2015. Leufkens ervaring met schrijven voor het brede publiek is duidelijk merkbaar in de prettige manier waarop ze haar lezers aan de hand neemt. En tegelijk de inhoud niet schuwt.

Zo’n beetje alle belangrijke onderwerpen uit de taalwetenschap komen aan bod in het nieuwe boek Taal. Ten eerste de belangrijke discussies die er spelen, zoals die tussen Noam Chomsky en Michael Tomasello: is taal aangeboren of aangeleerd? En daarmee samenhangend: hebben dieren ook taal? Veel taalwetenschappers stellen van niet, omdat dieren geen grammatica hebben. Maar steeds meer studies laten zien dat ook communicatie bij dieren bepaalde patronen kent, die dicht bij ons begrip van grammatica staan.

Leenwoorden

Ook de controverse over de herkomst van onze taal wordt uitvoerig besproken. Werd het Indo-Europees, de voorvader van de Europese talen, oorspronkelijk gesproken in Turkije of op de steppe ten noorden van de Zwarte Zee? En hoe verhoudt het zich tot het spijkerschrift Soemerisch? De taalwetenschappers zijn er nog niet helemaal uit.

Verder lezen we over de bron van veel taalergernissen: taalverandering. Voor sommige lezers is het misschien schokkend om te lezen dat 75 procent van onze taal uit leenwoorden bestaat. Maar Leufkens laat zien dat taalverandering van alle tijden is en dus geen enkele reden tot zorg.

Vis in het water

Daarop aansluitend komt de problematiek rondom taalnormen om de hoek kijken. Kun je mensen taalregels opleggen? Velen kennen de discussie die in 2012 speelde toen toenmalig minister Plasterk als voorzitter van de Nederlandse Taalunie ‘hun hebben’ in de ban deed, terwijl de meerderheid van de bevolking het dagelijks in de mond neemt. De taalwetenschapper die het in De Wereld Draait Door opnam tegen de minister, legde uit dat deze verschuiving een functie heeft. Door het gebruik van ‘hun’ geef je aan dat het om personen gaat en niet om dingen, en zo zie je maar dat elke taalverandering niet zomaar is.

Naast deze grotere thema’s, lezen we tussen de regels door ook nog over allerlei andere aspecten van taal, zoals laaggeletterdheid, straattaal, taalpolitiek (Fries), Afrikaans, computers, onomatopeeën, gebarentaal – wat alleen nog mist is het Vlaams.

Alles is op een heel natuurlijke wijze aan elkaar geregen en toch is het heel compact. Dat is misschien meteen ook het enige nadeel: de informatiedichtheid is groot, waardoor je soms een beetje snakt naar een adempauze. Maar voor de taalgeïnteresseerde lezer is dit vast geen enkel probleem: die voelt zich als een vis in het water!

Eerder verschenen op  Kennislink

Van het erf af

Boerendochters in de stad

[Signalering] In het naoorlogse Nederland gaven veel boeren hun boerderij op en trokken hun kinderen naar de stad. Veel dochters die nu als coach, gezinstherapeut of lector in de stad goed boeren, blijven verlangen naar de geuren en kleuren van het platteland. Wetende dat in plattelands dorpen waar iedereen elkaar kent het leven vaak verstikkend is en stadslucht vrij maakt, zijn zij op zoek naar een verloren tijd.

Wat deze paradoxen voor boerendochters precies betekenen, wordt duidelijk uit deze door Sietske Dijkstra en Lia van Doorn samengestelde bundel met persoonlijke verhalen. Daarin wordt mooi vertolkt wat cijfers over de tegenstelling tussen de stad en het platteland nimmer aan het licht brengen. Hoe anders de gelaagde identiteit van boerendochters, die veelal in een drempelwereld verkeren, uit te drukken? Uit de gepresenteerde verhalen spreken niet alleen de schaamte en de trots die met het verlaten van het erf gepaard gaan, maar ook de liefde voor het platteland.

Eerder verschenen in Sociologie Magazine

Ons creatieve brein

Ons brein als creativiteitsmachine

Nederlands beroemdste hersenwetenschapper heeft een nieuw boek geschreven. In Ons creatieve brein laat Dick Swaab aan de hand van talloze korte paragrafen over kunst, muziek en wetenschap zien waar creativiteit vandaan komt. Je raadt het misschien al: ons onbewuste brein zit erachter.

[Recensie] Het nieuwe boek van neurobioloog Dick Swaab, Ons creatieve brein, gaat over de vorming van onze hersenen onder invloed van de omgeving. Daar ging zijn vorige boek Wij zijn ons brein ook over. De nadruk lag toen op de invloed van de baarmoeder en de daarin aanwezige hormonen op de hersenontwikkeling van mannen, vrouwen, homo’s en hetero’s.

In zijn nieuwe boek bevinden de hersenen zich in een omgeving van beeldende kunst, muziek, techniek en wetenschap. Net als de omstandigheden in de baarmoeder, beïnvloedt die creatieve omgeving de manier waarop de de hersenen zich ontwikkelen.

Het nieuwe breinboek ligt in dezelfde lijn als het vorige: hersengebieden die groter of kleiner zijn bij mensen die bepaald (kunstzinnig) gedrag vertonen en het idee dat gedrag en voorkeuren al grotendeels voor de geboorte zijn vastgelegd. Aan dat rijtje wordt nu creativiteit toegevoegd, als onbewuste manifestatie van het brein.

Dick Swaab

Dick Swaab (1944) is neurobioloog en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en de Zhejiang Universiteit in Hangzhou, China. In 1985 richtte hij de Nederlandse Hersenbank op waar hersenweefsel van overleden mensen wordt verzameld voor onderzoek.

Omgeving doet ertoe

Het idee dat het brein dat we bij onze geboorte meekrijgen ons leven bepaalt, kwam Swaab na verschijning van de bestseller Wij zijn ons brein in 2010 – waarvan in Nederland meer dan 450.000 exemplaren zijn verkocht – op veel kritiek te staan, voornamelijk uit filosofische hoek. Hem werd verweten het belang van de omgeving bij het tot stand komen van gedrag te verwaarlozen.

Swaab vindt de kritiek dat hij geen oog heeft voor context onzin. Elke hersenwetenschapper weet: de omgeving doet ertoe, zo schrijft hij op de eerste pagina van zijn nieuwe boek. In Ons creatieve brein staat inderdaad een reeks voorbeelden van de interactie tussen de hersenen en onze culturele en werkomgeving. Een voorbeeld: de manier waarop de hersenen zich ontwikkelen beïnvloedt beroepskeuze en andersom heeft het beroep weer effect op de structuur van het brein.

Brein weer centraal

Wat is creativiteit eigenlijk? Swaab beschrijft het als het maken van nieuwe combinaties uit de enorme stroom informatie die ons bereikt vanuit de buitenwereld en die opborrelt in ons brein. Dat maakt creativiteit tot een hersenproces. En onze hersenen tot creativiteitsmachine.

“Weer is het uitsluitend ons creatieve brein waarmee we ons beroep verder ontwikkelen, waar verf en steen tot kunst wordt, de trillingen tot muziek en informatie, waar wetenschappelijke inzichten ontstaan en nieuwe behandelingen worden ontwikkeld”, schrijft Swaab. Kortom, ook nu staat het brein weer centraal, als machine die ons maakt wie we zijn. Met dat standpunt zoekt de hersenwetenschapper opnieuw de controverse op.

Maakbaarheid van het leven

“Mijn ideeën zijn heus niet zo in beton gegoten als jullie denken”, zei Swaab onlangs in een interview met het magazine New Scientist. Wie het rijkelijk geïllustreerde Ons creatieve brein leest zal echter weinig twijfel of discussie tegenkomen over de hier gepresenteerde hersenwetenschap.

Of ook dit boek stof doet gaan opwaaien? Creativiteit is een minder controversieel onderwerp dan de hersenverschillen tussen mannen en vrouwen of hetero’s en homo’s. Maar de discussie zal, zoals altijd, weer op hetzelfde neerkomen: de maakbaarheid van ons leven en het wel of niet bestaan van de vrije wil.

Eerder verschenen op Kennislink

De haven van Rotterdam

Ode aan de Rotterdamse haven

[Recensie] Er varen niet alleen schepen door de Rotterdamse haven, maar je vindt er ook een eiland, robots en zelfs een naturistencamping. Het boek De haven van Rotterdam toont de vele gezichten van de belangrijkste haven van Nederland.

Wie ’s avonds door het havengebied van Rotterdam rijdt, ziet een aaneenschakeling van lichtjes en de meest wonderbaarlijke gebouwen. Hoge, rokende torens worden afgewisseld door brede, cilindervormige opslagtanks en rijen kleurrijke containers. Het is een prachtig gezicht, maar doet ook erg wereldvreemd aan. Alsof je een soort maanlandschap betreedt; een onbewoonde, wonderlijke wereld.

Dankzij de verschijning van het boek De haven van Rotterdam hoef je niet meer naar deze plek zelf af te reizen om dit te begrijpen. Hoe divers en opzienbarend de haven is, kun je daarin ook zien en lezen. De auteurs tonen de vele gezichten van dit opmerkelijke stukje Nederland. Met name de fabelachtige foto’s leveren een belangrijke bijdrage. Ze geven een wereld weer van ontelbaar veel kranen, pijpen waar vlammen uitslaan en gigantische schepen. Ze hebben vrijwel allemaal gemeen dat de mens er nietig bij lijkt.

Naturistencamping

Het boek beschrijft van west naar oost de 36 belangrijke plekken in de haven. Van de Maasgeul, waar zeeschepen binnenkomen, tot Reijerwaard in Ridderkerk. Dit noemen de auteurs ‘de versafdeling van Rotterdam’. Hier komen bijvoorbeeld containers vol sinaasappels terecht, die vanuit ‘Foodcenter Reijerwaard’ doorgestuurd worden naar onder meer supermarkten en horecabedrijven. Al deze 36 beschrijvingen, die ongeveer een pagina in beslag nemen, zijn de moeite waard om te lezen. Het zijn deze korte stukjes die laten zien hoe veelzijdig het havengebied is.

Zo wordt het beereiland beschreven, een onbewoond eiland dat bij de Maasvlakte ligt. Het is vernoemd naar een natuurgebied dat hier vroeger lag. Het lijkt een ridicule plek voor een eiland. Omdat hier zoveel schepen varen, ligt het immers in de weg. Maar het eiland blijkt een functie te hebben en dat heeft te maken met de dichtbij gelegen LNG-terminal GATE voor gas. “Het water tussen het eiland en de terminal is exclusief bedoeld voor LNG-tankers. Alle andere schepen varen buitenom”, staat in het boek. Dat maakt de haven, en daarmee ook dit boek, zo fascinerend: er gaat meer schuil achter wat je ziet, dan je in eerste instantie denkt.

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de naturistencamping in de haven. Want wie denkt dat het alleen maar om de dertigduizend schepen gaat die er doorheen varen, komt bedrogen uit. Een deel van de haven is recreatiegebied en daar wordt veel gebruik van gemaakt.

Ballet

Het boek geeft ook de geschiedenis weer. In de negentiende eeuw waren de haven en de stad een, stellen de auteurs. De haven richt zich in de loop der tijd echter steeds meer op overslag, breidt westwaarts uit en de stad en de haven verliezen elkaar uit het oog. Het ‘ballet van boten en installaties’ dat je vroeger in Rotterdam zag, is verplaatst naar de rand van de stad.

De geschiedenis van de haven is fascinerend, maar het komt in De haven van Rotterdam niet helemaal goed uit de verf. Neem het verhaal over de opkomst van de overslaghaven. Dat wordt zo kort en bondig verteld dat er veel onduidelijk blijft. De geschiedenis had veel meer aandacht verdiend. Ook zijn er af en toe opmerkelijke constateringen. Zo wordt gesteld dat de haven weer terug is in het centrum van Rotterdam, door een groot beeldscherm in station Rotterdam Centraal waar schepen op te zien zijn. Dat komt niet overtuigend over. Maar dat is een kleine smet op een verder voortreffelijke uitgave, dat alleen al vanwege de mooie foto’s de hoge aanschafprijs waard is.

Eerder verschenen op Kennislink

Het getij

Invloed van eb en vloed op de mens

[Recensie] De oneindige bewegingen van de zee fascineren bijna iedereen. Op het strand zullen we allemaal als kind wel eens een zandkasteel door de golven verwoest hebben zien worden. Het getij, Wijsheid en wetenschap van eb en vloed is doorademd met deze fascinatie voor de kracht van de zee, zowel in fysische als metaforische zin. Het boek is een aaneenschakeling van anekdotes over hoe eb en vloed de wereldgeschiedenis bepaald hebben. Het tipt zowel aan Griekse mythes zoals de doortocht         van Odysseus langs Scylla en  Charybdis als aan het (beroemde) verhaal over de getijdenberekeningen die vooraf gingen aan de landing op D-day, nodig om precies hoog  genoeg water te hebben bij zonsopgang.

Niet noodzakelijkerwijs is het een boek voor natuurkundigen, want de wat diepgaandere (mathematische) uitleg over het ontstaan van getij en de verschillende harmonischen daarin zul je er niet in aantreffen. Hoewel de auteur hier in de inleiding al voor waarschuwt, is het toch ook wel een kleine teleurstelling dat de resonantie in de baai van Fundy niet beter wordt uitgelegd. In deze baai is het getijverschil meer dan tien meter omdat hij een eigenfrequentie heeft die dicht bij de M2-getijdenfrequentie ligt. Ook andere natuurkundig interessante principes zoals de zogenoemde amfidromische punten in de oceaan waar de faselijnen van de getijdengolf bij elkaar komen (en de amplitude naar nul gaat) worden maar schaars besproken.

Een gemiste kans om uit te leggen wat een Kelvingolf is, dus dat zal elders weer een platform moeten krijgen. Leuk is wel dat er in het boek aandacht wordt besteed aan de uitdaging om de zeespiegel te meten; wat is je referentie als zowel land als zeeoppervlak voortdurend in beweging zijn?

Het gebrek aan natuurkundige diepgang is wel bevorderlijk voor een breder lezerspubliek. Je kunt als lezer je hart ophalen aan verhalen over kanoeten (strandlopertjes) die met het getij mee foerageren of de nostalgische folklore waar Aldersey-Williams pagina na pagina mee weet te vullen. Voor de wat meer natuurkundig geïnteresseerden is het boek Sea level science van David Pugh en Philip Woodworth misschien beter geschikt, een toegankelijk en goed leesbaar studieboek voor de beginnende en verder gevorderde oceanograaf.

Eerder verschenen in het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde

Warum dick nicht doof macht und Genmais nicht tötet

Onstatiestiek

[Signalering] Drie bekende sceptische Duitse hoogleraren hebben de koppen bij elkaar gestoken en een boekje over onzinstatistiek geschreven. Inmiddels bijna voorspelbare kwesties als het verschil tussen absoluut en relatief risico, percentages, borstkankerscreening, toevallige ziekteclusters rond kerncentrales en correlatie versus causaliteit komen langs, maar het is verfrissend het ook eens in het Duits te horen, en de formuleringen en voorbeelden zijn vaak treffend en origineel. Genoeg voer voor de liefhebbers. De drie hebben al een paar jaar een website die zulke liefhebbers zeker aan hun Lesezeichen kunnen toevoegen: unstatistik.de.

Eerder verschenen in Skepter