De mug en de kaars

Facebook anno 1600

Interview met Sophie Reinders (1984), docente historische letterkunde aan de Universiteit Utrecht. In juni promoveerde ze cum laude op De mug en de kaars. Vriendenboekjes van adellijke vrouwen 1575-1640.

“Mijn boek gaat over de vriendenboekjes die rond 1600 opeens hip waren onder jonge adellijke vrouwen, vooral in Gelderland en Overijssel. Het bestaan van deze bronnen was wel bekend, maar er was nog nooit iemand de archieven ingegaan om eens te kijken wat er nog lag. Uit de ruim veertig boekjes die ik al met al gevonden heb, heb ik geprobeerd de leefwereld te reconstrueren van deze vrouwen, van wie we verder nauwelijks sporen hebben.

Ze zetten in elkaars albums allerlei deugdzame spreuken, motto’s, versjes en tekeningen, soms superuitgebreid en heel mooi, maar vaak ook heel slordig en onleesbaar: ik heb eindeloos in archieven onder tl-licht naar bladzijden zitten staren waar ik niet uitkwam. Ook verzamelden ze er bijdragen van verwanten en zelfs beroemdheden in: zo wist Rutghera van Eck prins Maurits te bewegen zijn familiedevies ‘Je maintiendray’ erin te schrijven, nou, dat was echt wel wat als je de allerhoogste edelman van het land in je boekje kon vangen. Verder maakten ze er gewoon plezier mee: ze schreven hun lievelingsliedjes erin, maakten grapjes rondom gedichtjes, losten rebussen op en reageerden op elkaar: het was ook gewoon vermaak.

Bij lezingen zeggen veel mensen: ik had vroeger ook een poesiealbum! Maar dit was echt heel anders. In mijn poesiealbum had iedereen een eigen bladzijde waarop je een standaardversje schreef en een glitterplaatje plakte: je piekerde er niet over om iets op iemands anders bladzijde te kliederen. Bovendien waren het rond 1600 geen meisjes van tien: deze vrouwen waren twintig.

Een ander belangrijk verschil is dat er ook veel mannen in schreven, vaak met liefdesliedjes, als signaal van: ‘Joehoe! Ik ben op de markt!’. Die trouwden dan soms inderdaad uiteindelijk met de eigenaresse of een van haar verwanten.

Als historicus moet je natuurlijk ongelooflijk oppassen met vergelijkingen, maar ik vind die boekjes erg op Facebook lijken. Ik deel met mijn zusjes liedjes van YouTube, zij schreven er liedteksten in; wij delen inspirerende citaten, dat deden zij ook. Fundamenteel is dat we op elkaar reageren. Het is gewoon leuk om liedjes, afbeeldingen, citaten en andere culturele snippers met elkaar te delen, dat is dus al honderden jaren oud.

Als ze trouwden, stopten ze meestal met hun boekje: het was niet gepast om als getrouwde vrouw een boekje bij te houden waarin mannen liedjes over smachtende minnaars schreven. Het was echt iets voor huwbare jongeren. Om in adellijke kringen een goede partner te vinden, was een goede reputatie ongelooflijk belangrijk. Als er over je geroddeld werd, deed je je familie oneer aan en dat was in adellijke kringen de ergste schandvlek, dat was zakken op de huwelijksmarkt. Je ziet de jonge edelen wel de grenzen opzoeken en af en toe een flirterige of lichtschunnige opmerking maken, maar het blijft allemaal binnen het betamelijke.

De titel van mijn boek, De mug en de kaars, verwijst naar een Frans gedichtje dat in bijna ieder album staat, soms wel drie keer. Met de strekking: zoals een mug (mot, vlieg of vlinder) zijn leven in gevaar brengt door het licht van een kaars te aanschouwen, zo brengt de minnaar zijn leven in gevaar door te kijken naar de schoonheid van een jongedame.

Het zegt veel over de rol van mannen en vrouwen: de vrouw is een statige, deugdzame kaars, die keurig recht overeind staat en de man is een plagerige mug die prikjes uitdeelt. Maar er zit ook een waarschuwing in: laat je niet leiden door hartstocht of verblinden door schoonheid, want dat is dodelijk. Als edele moet je vooral niet uit passie trouwen, want dan raak je op elkaar uitgekeken en moet je de goederen gaan verdelen. Huwelijk en liefde moeten in de eerste plaats gebaseerd zijn op vriendschap en gemeenschappelijke belangen. De grootste angst van ouders was dat hun dochter er met de stalknecht vandoor ging. In de genealogie werd dan genoteerd dat ze jong overleden was, dat was echt schande!”

Eerder verschenen in Trouw en op http://marijkelaurense.nl/

De waarheidzoekster

Henriette Boas, een leven voor de zaak

[Signalering] Een nostalgische verrassing voor  de generatie krantenlezers die is opgegroeid met haar ingezonden brieven. Het boek is ook een verrassende historische beschrijving van Joods Nederland in de 20ste eeuw en van het leven in de jonge staat Israël in de late jaren ‘40. Henriette sprak redacties aan op fouten in hun berichtgeving en gaf ongevraagd haar opinie over affaires in de Nederlandse Joodse gemeenschap of in Israël en over andere zaken. Ze schuwde daarbij een contraire mening niet. Zo vond ze de verering van Anne Frank en Etty Hillesum maar niks. Haar brieven waren steevast  ondertekend met ‘Henriette Boas, Badhoevedorp’.

‘Jetty’ groeide op in een welgesteld en intellectueel gezin aan de Amsterdamse Den Textraat waar 50% van de bewoners Joods was. Haar vader leidde jongens op voor het staatsexamen gymnasium. Onder hen was Jacques Presser, de latere auteur van het beroemde boek Ondergang over de Jodenvervolging, dat ze fel bekritiseerde omdat het geen voorgeschiedenis geeft maar zich beperkt tot de oorlogsjaren, omdat ze het subjectief vond en omdat de titel suggereert dat de joodse gemeenschap na 1945 niet opnieuw tot leven is gekomen.

Haar liberale maar niet gelovige Joodse milieu is geen indicatie voor haar fanatieke zionisme en haar levenslange strijd met zichzelf, maar de gezinssituatie wel, althans zo zag zij het. Omdat haar ouders geen tijd hadden voor de kinderen, week ze uit naar de zionistische jeugdbeweging, waarna het zionisme haar leven en werk heeft getekend. Het eerste hoofdstuk geeft herkenbare rode draden in haar hele leven, zoals haar minachting voor mensen uit een minder intellectueel milieu, onder wie Presser. Jetty studeerde klassieke talen, psychologie en Hebreeuws. Ze was briljant maar ook contactgestoord. Ze kon uitgerekend in Palestina haar draai niet vinden, maakte ruzie met bijna iedereen die ze eerst sympathiek vond, kreeg geen baan of wist die niet te houden. Ze had een  moeilijk karakter maar leerde door haar jeugd ook om haar frustraties om te zetten in een actieve rol. Die speelde ze in grote kwesties zoals in de affaires Weinreb en Menten. Micheels schildert een intelligente en alerte vrouw die de weg in het leven niet kan vinden. Ze wil zich inzetten voor de Joodse zaak maar ook voor de wetenschap, en kan haar ei uiteindelijk alleen kwijt als tijdelijke lerares en schrijfster van ingezonden brieven en opiniestukken. Het boek is verrassend en spannend. Tot zover de welverdiende lof.

Maar ook een woord van kritiek: de auteur steekt helaas de lezers die de Joodse wereld slechts oppervlakkig kennen, nauwelijks een hand toe. Voetnoten waren geen overbodige luxe geweest, bijvoorbeeld om een blad als de Joodsche Wachter te duiden. Micheels verwijst naar artikelen van vader en dochter Boas in veel bladen en kranten, maar geeft zelden een datum. De lezer kan ze dus moeilijk terugvinden. Ze verwijst niet naar bronnen, maar had toch minstens een beredeneerd overzicht kunnen geven van de talloze kranten en tijdschriften waarin Jetty schreef, en van de vele spelers in haar leven, die de leek niet kent. En dan nog dit: er hadden echt een paar van die fameuze brieven in afgebeeld moeten worden.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Mevrouw Kahler

Niet meer wie ik was, maar wel wie ik nu ben

[Recensie] Tegen het einde van haar boek vat Ina Bogers het proces van haar ziekte samen onder de noemer aanvaarden, en stelt: “Maar ik ben er nog, ik ben er weer. Niet meer wie ik was, maar wel wie ik nu ben!” Multipel myeloom heeft haar leven veranderd. Ze beschrijft hoe ze heeft leren omgaan met alle fases die de ziekte met zich mee brengt. Zo kan ze, wanneer ze na de eerste diagnose vijf jaar eerder en een geslaagde autologe stamceltransplantatie weer ziek wordt, die tegenslag toch weer accepteren.

Het in eigen beheer eenvoudig uitgegeven boek valt uiteen in twee delen. Het eerste bestaat uit blogs die ze voor familie en vrienden schreef om hen via internet op de hoogte te houden. Misschien is dat voor onbekenden wat minder interessant, maar wél spreekt er uit elk verslag van haar behandelingen een verbazingwekkende neiging naar het zien van lichtpuntjes die haar lijden draaglijk maken. En die een lezer – zieke of partner – kunnen helpen bij het zoeken en vinden van enige vorm van troost. Haar verhaal wordt verluchtigd en ondersteund door diverse wijsheden, gedichten en verhalen van bekende en onbekende personen. Zoals de fabel van de eekhoorn en de mier van Toon Tellegen, een korte maar rake schets die het belang van helen door delen onderstreept.

Deel twee is zakelijker van toon. Symptomen en behandeling van multipel myeloom komen aan bod, maar ook gaat Bogers meer persoonlijk in op onderwerpen als pijn, veerkracht, de toegevoegde waarde van een goede arts en de gevolgen van een chemobrein. We lezen wat kaal worden en andere veranderingen in haar fysieke mogelijkheden betekenen, en hoe ze via diverse methoden daar iets aan kan doen: Herstel en Balans, haptotherapie, mindfulness, fysiotherapie, voeding en leefstijl. Ook religie en natuur dragen bij aan de overgave van de auteur aan haar lot: in een donkere tijd keerde mevrouw Kahler, in haar eigen woorden, zich naar het licht en begon weer te genieten van wat het leven haar nog zou kunnen bieden.

Eerder verschenen in Hematon Magazine

In eigen beheer uitgegeven, te bestellen door een mail te sturen naar inabogers@gmail.com

Power to the People!

Een autonomie van het populisme

[Signalering] Dit boek is een themanummer over populisme van het tijdschrift Sociologie, bestaande uit diverse  artikelen, een interview met de Mexicaanse politicoloog Benjamin Arditi en een bespreking van boeken die Bas Heijne en Dick Pels daarover schreven. De redacteuren van het nummer willen een drievoudige breuk met het bestaande onderzoek naar populisme forceren. Allereerst onderstrepen zij dat het populisme geen ideologie is, maar een set stijlfiguren (zich distantiëren van de elite, het construeren van een heartland, etc.) en sentimenten (identificatie met de ‘gewone’ mensen, etc.). Voorts wijzen zij erop dat het populisme niet voorbehouden is aan een bepaalde groep (bijvoorbeeld de onderklasse), maar wijdverbreid is. tot slot stellen zij dat het populisme niet alleen aan bepaalde gevoelens uitdrukking verleent, maar ze ook vormt. Het populisme zou niet moeten worden toegeschreven aan bepaalde figuren (Henk en Ingrid), maar worden verklaard vanuit figuraties (de constructie van relaties tussen actoren). Uiteindelijk is het een interessant themanummer geworden, omdat het positivisme van de redacteuren en de door hen beoogde drievoudige breuk met het bestaande onderzoek naar populisme impliciet wordt tegengesproken door andere auteurs die eraan meewerkten.

Eerder verschenen in Sociologie Magazine

De Gebroeders Wright

De heersers van het luchtruim

David McCullough schreef een interessante biografie over de gebroeders Wright

Toen ze voor het eerst vlogen, kon haast niemand geloven dat het de gebroeders Wright gelukt was. Veel uitvinders hadden het geprobeerd, maar vrijwel geen was zo succesvol als de Amerikanen. Historicus David McCullough schreef een degelijke dubbelbiografie over de beroemde gebroeders.

[Recensie] Volgens twee interessante anekdotes, begon de fascinatie voor vliegen al op jonge leeftijd bij Wilbur en Orville Wright. Hun vader had een ‘kleine helikopter’ mee genomen uit Frankrijk en zijn zonen gingen er direct mee aan de slag. Het was niet meer dan een stokje en in elkaar gedraaide elastieken. Toen hun vader liet zien hoe het ding naar het plafond vloog, waren de jongens direct nieuwsgierig. Ze noemden het liefkozend de ‘vleermuis’. Hun vroegere lerares op de basisschool kon zich nog herinneren dat de broertjes een keer met stukjes hout bezig waren. Wat ze bouwden? Een machine om mee te vliegen, was het antwoord.

Wind doorgronden

De fascinatie voor knutselen en vervoersmiddelen zat er al vroeg in bij de gebroeders Wright. Wie de nieuwe dubbelbiografie, De Gebroeders Wright. De onverschrokken pioniers van de luchtvaart, over ze leest, wordt al snel duidelijk dat ze het liefste met hun handen bezig waren. Ze waren het gelukkigst achter de werkbank, schrijft McCullough. Samen begonnen ze niet voor niets een fietsenwinkel, gefascineerd als ze waren door het vervoersmiddel. Ze waren goed in hun vak en de vraag naar tweewielers groeide.

Maar ze hadden een nog veel grotere fascinatie: vliegen. Nu hadden door de eeuwen heen al meerdere uitvinders zich stuk gebeten op het maken van een vliegtuig. Zo gaan er verhalen over een Spaanse geleerde die zich in 875 bedekte met veren om net als een vogel te vliegen; maar het lukte hem niet. Ook waren er mensen die op meerdere plekken in Europa hun eigen vleugels maakten. Zij vielen allemaal te pletter.

Spannend

In de tijd van de gebroeders Wright – eind negentiende, begin twintigste eeuw – waren er veel pogingen. Het was een tijd waarin de auto een succes werd en er veel meer belangrijke uitvindingen werden gedaan, zoals de telefoon. Zweefvliegers boekten al succesvolle resultaten. Maar de broers wilden meer: een motor toevoegen en grotere afstanden overbruggen.

Maar dan moesten ze eerst wel begrijpen hoe je überhaupt in de lucht bleef. Die kunst keken ze af van vogels. Tegelijkertijd probeerden ze de wind te doorgronden. Dat deden ze op Kitty Hawk, een afgelegen plaats in North Carolina. En daar speelt verreweg het mooiste deel van het boek zich af.

McCullough schrijft beeldend over hoe ze studeren, knutselen en uiteindelijke verschillende vliegtuigen bouwen. Dat deel van een boek leest als een schelmenroman. Als lezer sta je er als het ware naast en je kijkt over de schouders van de broers mee naar de nieuwste creaties.

De ontlading was groot toen het de broers lukte om te vliegen. Ze vestigden record na record en bleven steeds langer in de lucht. Eerst kon en wilde haast niemand het geloven. Veel journalisten waren bijvoorbeeld sceptisch. Maar toen steeds meer mensen met eigen ogen aanschouwden hoe de broers vlogen, werden ze razend populair. Overigens niet alleen in de Verenigde Staten. In Frankrijk kregen ze erg veel waardering en leidden ze ook piloten op. ‘De heersers van het luchtruim’, werden ze treffend genoemd.

Gek genoeg wordt het boek een stuk minder spannend nadat de uitvinders erin slaagden om te vliegen. Het tweede deel beschrijft voornamelijk de vele vluchten die de broers uitvoerden en dat is een stuk saaier dan het eerste deel, waarin ze met vallen en opstaan het luchtruim kiezen. Ook hun karakters komen niet helemaal uit de verf. McCullough zet ze vooral neer als onverschrokken doorzetters, maar daar blijft het bij. Dat komt waarschijnlijk doordat ze liever met hun handen werkten dan praten of schreven.

Desalniettemin is dit een geslaagd boek. McCullough, die eerder schreef over John Adams en Harry Truman, heeft een degelijke dubbelbiografie geschreven. Hij heeft een vrij sobere schrijfstijl en vertelt duidelijk over de gebeurtenissen. Hij plaatst de ontwikkelingen kundig in de tijd van de gebroeders Wright.

Eerder verschenen op Kennislink

Colonial Agro-Industrialism

Toen was staatswetenschap heel gewoon

Aandacht voor analytische chemie was belangrijke drijfveer achter Nederlands kina-monopolie

In de tweede helft van de 19e eeuw zagen chemici en andere wetenschappers er geen been in om zich dienstbaar op te stellen aan het economisch belang. Het chemisch laboratorium verkreeg hierdoor een centrale plaats in de koloniale teelt van kina, de grondstof voor het antimalariamiddel kinine. En dat hielp weer bij het opbouwen van het Nederlandse monopolie op kina dat in het begin van de 20e eeuw tot volle bloei kwam, aldus historicus Arjo Roersch van der Hoogte. Op december 2015 promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht op zijn studie naar het Nederlandse kina-monopolie: Colonial Agro-Industrialism. Science, Industry and the State in the Dutch Golden Alkaloid Age, 1850-1950.

[Interview] De bezittingen in Azië brengen de koloniale mogendheden grote rijkdom. Er valt daar veel te halen, maar je loopt er ook van alles op. In Brits India, Nederlands-Indië en andere koloniën bezwijken de Europese soldaten en ambtenaren massaal aan malaria. Dankzij Spaanse overzeese activiteiten in Zuid-Amerika is een oplossing bekend. Op de oostelijke hellingen van het Andesgebergte groeit de kinaboom (Cinchona officinalis). Jezuïeten, die als missionarissen hier werken, leren al in de zeventiende eeuw van de lokale bevolking over de geneeskrachtige werking van de bast van de kinaboom. Deze bast gebruiken ze bij de behandeling van onder meer malaria. Maar een echt optimale behandeling is het niet.

Zelf kina kweken

Dat verandert als in 1820 twee Franse apothekers erin slagen kinine te isoleren uit de kinabast. Dit is de werkzame stof tegen malaria. Meteen explodeert de vraag naar kinabast. De Britten zien kinine als een tool of empire. Roersch van der Hoogte: “Kinine dient het staatsbelang, want het is essentieel om het ambtelijke en militaire apparaat in met name Brits India letterlijk in leven te houden.” De aanvoer van kina uit Peru, de belangrijkste leverancier, is echter zeer onvoorspelbaar en bovendien is de kwaliteit heel wisselend. De Britten, maar ook de Nederlanders die met vergelijkbare problemen zitten in Nederlands-Indië, willen directe toegang tot de kinabast. Ze willen zelf kinabomen gaan kweken.

Ondertussen is het belang van de kinaboom de Peruvianen uiteraard niet ontgaan. Gewoon even de binnenlanden ingaan en wat planten meenemen, zoals je dat voorheen deed, zit er niet langer in. Maar ook strenge controles zijn te omzeilen en via tal van schimmige ruilconstructies en botanisten die onder een pseudoniem opereren, weten de Nederlanders maar liefst 500 kinaplantjes naar Batavia (Jakarta) te verschepen. Zonder succes, geen enkel boompje houdt het daar vol.

De autoriteiten laten het er niet bij zitten. In 1854 wordt de Gouvernements Kina Onderneming opgericht. Dit overheidsbedrijf moet de teelt van kinabomen in Nederlands-Indië mogelijk maken. De teelt verhuist naar het hoger gelegen Bandoeng (Bandung). Daar groeien de kinabomen prima, maar helaas zit er in de gekozen variëteit geen greintje kinine.

Dienstbare wetenschappers

Nederland stuurt nieuwe mensen naar Bandoeng om de boel vlot te trekken, waaronder in 1858 de chemicus Karel Wessel van Gorkum. Hij heeft gestudeerd bij de destijds befaamde professor Gerrit Jan Mulder van de Universiteit Utrecht. “Deze Mulder heeft een heldere visie op de rol van zijn werk”, zegt Roersch van der Hoogte. “De chemie moet volgens hem in dienst staan van de economie en in dit geval dus van de koloniale landbouw.”

Van Gorkum deelt die visie en gaat voortvarend aan de slag. Hij brengt de chemie naar de kinateelt en zet een laboratorium op binnen de Gouvernements Kina Onderneming. Volgens hem zijn chemische analyses nodig om de veldexperimenten en de veredeling van de kinabomen veel gerichter te laten verlopen. Zijn aanpak weerspiegelt een veel bredere trend.

Roersch van der Hoogte: “Vanaf het midden van de negentiende eeuw zien we dat het laboratorium een centrale rol begint te krijgen in de industriële productie. Dat begint in Duitsland waar de snelle groei van kleurstoffen- en farmaceutische industrie de ontwikkeling van de analytische chemie stimuleert. De vraag naar grondstoffen groeit en tegelijkertijd worden de kwaliteitseisen steeds strenger. Het belang van goede analyses neemt toe. Men kan steeds meer meten en doet dat ook.”

De intrede van het laboratorium in de kinateelt werpt z’n vruchten af. De Nederlanders slagen er in de jaren 1870 in om een nieuwe variëteit van de kinaboom te ontwikkelen die goed gekweekt kan worden en een ongekend hoog kininegehalte bevat. Om dit resultaat optimaal te exploiteren moet de teelt richting de private sector. De Gouvernements Kina Onderneming spant zich in om particuliere planters aan de kinateelt te krijgen en stelt planten, chemische analyses, advies en ondersteuning ter beschikking. Planters mogen overal onbeperkt gebruik van maken.

Duitse hegemonie

De opzet slaagt en meerdere Nederlandse planters storten zich op de kinateelt. Maar al snel duikt er een nieuwe horde op. De Duitse farmaceutische bedrijven beheersen de kinamarkt, omdat zij beschikken over de beste laboratoria en nieuwste analysetechnieken. “De Duitsers analyseren het kininegehalte in een partij kinabast en bepalen vervolgens de prijs. Omdat ze ook verreweg de grootste afnemers zijn, ligt de controle van de markt volledig in hun handen. De Nederlandse planters zijn van mening dat ze hierdoor een te lage prijs krijgen voor hun product.” De oplossing klinkt vertrouwd Nederlands: de planters gaan samenwerken en richten een coöperatie op: de Bandoengsche Kininefabriek.

Tijd om zelf de analyses van het kininegehalte uit te voeren, vindt Pieter van Leersum, op dat moment directeur van de Gouvernements Kina Onderneming. Hij realiseert zich dat als de controle op de analyse van kinabast bij de Duitsers blijft liggen, de controle op de markt ook in Duitse handen blijft. De Nederlanders moeten dit zelf kunnen doen. Er is een nieuw laboratorium nodig en Van Leersum brengt dat lab onder bij de Gouvernements Kina Onderneming. De Onderneming fungeert vanaf dan als onderzoekscentrum voor de hele kinasector, van de teelt van de bomen tot en met de analyse en productie van kinine. “We zien hier een heel duidelijke wisselwerking tussen ‘staatswetenschappers’ en de particuliere sector, de planters”, zegt Roersch van der Hoogte. “Hier ligt de basis van het latere Nederlandse kinamonopolie. Eigenlijk een topsector avant la lettre.”

Kwaliteit

De nauwe samenwerking tussen wetenschap, bedrijfsleven en overheid verklaart volgens hem ook waarom Nederland uiteindelijk de Britten weet te passeren als belangrijkste producent van kina. “De Britten zijn lange tijd de grootste producent, maar zij zijn niet geïnteresseerd in de kinateelt vanuit economische motieven. Hun primaire belang is de beschikbaarheid van een goedkoop antimalariamiddel. Dat hebben ze ontwikkeld, maar de kwaliteit van hun kina is onvoldoende voor de Duitse farmabedrijven. Omdat de Britten geen koloniaal wetenschappelijk instituut hebben opgezet, zoals de Nederlanders, lukt het niet de kwaliteit te verbeteren. Dat drukt de prijs, waardoor veel Britse kinaplanters hun heil elders zoeken. Ze stappen over naar thee. Dat is bovendien veel eenvoudiger te verbouwen en minstens zo winstgevend.”

Door zich, net als de Duitse farmaceutische sector, te blijven richten op kwaliteitsverbetering en verhogen van de standaarden, werken de Nederlandse kinineproducenten zich internationaal in de kijker. In 1899 starten de Nederlandse planters bovendien een eigen markt: de Batavia Kinamarkt. Ze gaan rechtstreeks leveren aan vooral Amerikaanse bedrijven en beginnen te morrelen aan de Duitse hegemonie in de internationale handel.

Al snel kunnen de Duitsers niet meer om de Nederlanders heen en in 1907 mag de in 1903 opgerichte Nederlandsche Kininefabriek toetreden tot het internationale Kininekartel. Binnen dit kartel hadden Duitse bedrijven tot dan toe de touwtjes in handen. Vanaf dat moment is de Nederlandse opmars echter niet meer te stuiten. De Nederlandse producenten leveren niet alleen de hoogste kwaliteit, ze mogen ook al snel de grootste quota voor hun rekening nemen. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog speelt de Nederlanders goed in de kaart. De Duitse industrie raakt geïsoleerd en de Nederlandse kininesector stapt in het gat. Nederland neemt de controle op de internationale kinamarkt over en weet die positie tot eind jaren dertig vast te houden.

Eerder verschenen op Kennislink

Kijk hier voor meer informatie over dit proefschrift

Schol in de Noordzee

Biografie van de platvis en de Nederlandse visserij

[Signalering] Kunnen we in de toekomst met een goed geweten schol blijven eten? In deze gedegen biografie geven de auteurs aan wat de Noordzee zo aantrekkelijk maakt voor platvissen en voor vissers die nu nieuwe ‘duurzame’ visserijmethoden ontwikkelen. Ruim honderd jaar visserijonderzoek visserijonderzoek komen aan bod. Adriaan Rijnsdorp is al veertig jaar nauw betrokken bij het scholonderzoek en geeft veel inside informatie over bijvoorbeeld het gerommel met de visserijstatistiek.

Nederlandse vissers overschreden hun quotum met honderd procent. Omdat Rijnsdorp en collegae doorgaven dat de Nederlandse cijfers dus onbetrouwbaar waren, werd dit ‘ongepast’ geacht. Zij gingen ondanks grote druk niet knoeien met de cijfers. De aanlandplicht van ongewenste bijvangst die nu geldt, is volgens de auteurs een schier onmogelijke opgave; het is symptoombestrijding die overbevissing niet oplost. Bovendien blijkt dat ongeveer een derde van de ondermaatse schol overleeft en de rest is al eeuwenlang voedsel voor zeevogels. De consument kan gerust schol eten, dankzij afgenomen visserijdruk, goed beheer en menige schol wordt duurzaam gevangen.

Eerder verschenen in Natura

 

De goede lezer. Filosoferen over literatuur

Gretig, vrij en verantwoordelijk lezen

[Essay] In de zomer van 2005 voert Cees Nooteboom in Een ontmoeting met een hoofdletter in NRC Handelsblad een fictief gesprek met de L. Met de opdracht een woord te zoeken dat met ‘het idee van de vrijheid’ te maken heeft – was hij maar een fransman! – twijfelt de eveneens fictieve Nooteboom tussen ‘Lopen’ en ‘Lezen’, maar kiest voor het laatste: “De lezer leest, de lezer kiest. De lezer pakt het ene boek in de boekwinkel, of in de bibliotheek, en niet het andere. De lezer is vrij.” (Nooteboom 2005) De letter L meent echter dat het met de vrijheid van de lezer nog zo eenvoudig niet ligt. Lezers zouden niet alleen vrij moeten zijn om te kiezen wat ze lezen, maar ook om te kiezen wat ze ervan maken of ervan vinden. Die vrijheid lijkt heel mooi, maar gemakkelijk is het volgens de L niet. Om te kunnen kiezen wat je creëert, is verbeelding nodig. Die ontwikkel je door meer te lezen dan slechts één boek, al worden er soms zelfs hele beschavingen op slechts één boek gebouwd: “Lezen is kiezen, maar om te kunnen kiezen moet je lezen.”

Precies deze combinatie van vrijheid en verantwoordelijkheid vormt de kern van het pleidooi dat de Australische filosoof Damon Young houdt in The Art of Reading (2016). Het boek werd in 2016 in het Nederlands vertaald als De goede lezer. Filosoferen over literatuur. In de Engelse titel ligt de nadruk op lezen als noodzakelijke voorwaarde voor de verwezenlijking van de inkt op het papier. Young bepleit in zijn inleiding dat lezen een complex, intelligent en in wezen creatief proces is. De potentie van de lezer wordt volgens hem miskend door focus op de auteur. De auteur kan, naar de beroemde roman van Henry James, wel figureren in het tapijt, maar geen processen van toe-eigening teweegbrengen en is uiteindelijk niet bij machte werelden te verwezenlijken: dat kan alleen de lezer. Youngs populair-filosofische analyse van zijn persoonlijke leesgeschiedenis is een antwoord op die beteugeling.

In de Nederlandse titel, De goede lezer, resoneert een nog veel karakteristieker aspect van Youngs betoog. Hij beargumenteert wat lezers tot ‘goede lezers’ maakt, waarbij met ‘goed’ in Aristotelische zin ‘deugdzaam’ bedoeld wordt. Deugden zijn volgens Aristoteles zoiets als neigingen of houdingen die in aanleg aanwezig zijn, maar die door regelmatige arbeid ontwikkeld en onderhouden moeten worden en die het juiste midden bepalen tussen een tekort en een teveel. “Vaardig lezen”, zo redeneert Young daarop verder, “vraagt om een subtiel evenwicht tussen verschillende gedragspatronen: denken en voelen, spontaan handelen en gewoonten, eerbied en een kritische houding, haast en traagheid, moed en omzichtigheid, betrokkenheid en afstandelijkheid.” (Young 2016: 23)

In elk hoofdstuk van De goede lezer stelt Young aan de hand van enkele literaire teksten een deugd centraal. Achtereenvolgens zijn dat: nieuwsgierigheid, geduld, moed, trots, matigheid en rechtvaardigheid. Young beschrijft het filosofische denken over de desbetreffende deugd en reflecteert op de manier waarop juist déze literaire teksten ons in staat stellen deze deugd te trainen: een saaie of stilistisch juist zeer fijngevoelige tekst test ons geduld, maar is dat soms meer dan waard. Een verhaal dat aan het einde van een boek niet ‘rond’ is, is misschien frustrerend, maar leert ons meer over het lef waarmee we de werkelijkheid tegemoet moeten treden dan een gemakkelijk heldenverhaal waarin de lefgozer wint.

Hoewel Young vanuit dit uitgangspunt zeer uitgesproken is over zijn voorkeur voor pittige kost boven ontspanningslectuur, presenteert hij zichzelf als culturele omnivoor die evenveel genoegen vindt in stripverhalen als in het werk van Henry James of Jorge Luis Borges. Door de bevlogenheid en belezenheid waarmee hij zijn liefde voor de eigenaardigheden van teksten toont, wordt Youngs doel om de lezer tot ongeremd, gretig lezen aan te zetten, wat mij betreft zeker bereikt. Wie zich daar eveneens toe aan- gespoord voelt, kan terecht in het laatste hoofdstuk, getiteld De rommelkamer, naar The Lumber Room van Saki (ook wel bekend als H.H. Munro), waarin verhalenderwijs de bibliografie van de eerdere hoofdstukken wordt gegeven; een beschrijvend overzicht van alle literaire en filosofische teksten die de ‘goede lezer Young’ hebben gevormd vanaf zijn kindertijd, de “dingen die vindingrijk maken (…) de fantasieën die blijven malen terwijl het eten wordt verorberd”. (167)

Young bekritiseert zijn eigen vroegere leeshouding zeer nadrukkelijk. Over het feit dat hij als misantropische tiener de strips van Batman stuk las, schrijft hij: “Als kind werd ik door Batman gegrepen om zijn woeste rechtsgevoel en zijn drang om te overwinnen: een gevalletje ouderwets kleingeestig wensdenken.” (57) Batman bleef, omdat de tekst Young bleef uitdagen en hij zich bijvoorbeeld vragen ging stellen over rechtvaardigheid en libertarisme. Over die latere leeservaring schrijft hij echter.

“Ik mag het Frank Miller niet aanrekenen dat ik in The Dark Knight Returns af en toe een ethische of politieke nuance mis omdat ik moe of zenuwachtig ben. Ik moet zelf de verantwoordelijkheid nemen voor mijn wisselvalligheid, zonder toe te geven aan de gevolgen ervan. “(23)

De beide citaten typeren Youngs stijl: soms informeel, met een vorm van humor die door de zelfspot draaglijk is; dan weer redenerend, streng en ronduit stellend. Het verhaal dat Young over zijn persoonlijke leesgeschiedenis vertelt, is door die dubbele toon weliswaar grappig en uitnodigend; het is ook consequent streng en moraliserend. In zijn gepassioneerde pleidooi voor deugdzaamheid diskwalificeert Young leeshoudingen die minder gericht zijn op morele groei en hij doet dat vanuit ervaringen die mogelijk niet elke lezer deelt. In de eigenzinnige lezer die Young zelf als kind was – “Toen ik elf was had ik dagelijks een meditatiemoment” (79) – zal niet iedere lezer zich immers herkennen. Zo is de vergelijking die Young in het hoofdstuk Geduld maakt tussen de boeken van Dan Brown en Henry James scherp, vlammend en genadeloos, maar diskwalificeert Young tegelijk met de romans van Brown ook de gemakzuchtige houding van diens liefhebbers. Hoewel dat een logische consequentie van zijn opvatting over ‘goed lezen’ is, vind ik dat problematisch. Ik stoor me er niet zozeer aan dat hij literaire kwaliteitsoordelen velt – hij onderbouwt ze overtuigend – maar wel aan het feit dat hij er een morele kwestie van maakt dát lezers dergelijke teksten in alle vrijheid kiezen. Een ander voorbeeld: in het hoofdstuk Matigheid heeft hij het over ‘zin in afleiding’ aan de hand van zijn Star Trek-verslaving: het was dan wel geen “echte eet-, drank- of seksverslaving, en bovendien was er binnen het jaar geen sprake meer van. Het was niettemin een slecht gereguleerde hunkering naar rust in het hoofd. Op een moment dat ik even uitblies, gaf ik eraan toe[,] (…) keer op keer ver- koos ik oud en simpel boven nieuw en geraffineerd.” (122)

Aan de hand van het werk van Iris Murdoch legt Young uit hoe literatuur kan ‘ontzelven’ en zijn Star Trek-bui eerder ‘zelvend’ was: een vakantie van de werkelijkheid. Hoewel ik me wel kan vinden in het verschil dat hij aanbrengt, gaat het in deze redenering niet alleen om het ontwikkelen van deugden, maar ook om het toegeven aan zonden: luiheid, vraatzucht, trots. Zijn lezers die voor meer oppervlakkige lectuur kiezen inderdaad vergelijkbaar met verslaafden? Zijn ze niet moedig genoeg om een onaffe wereld in te stappen? De vraag rijst of het productief is om op die manier over lezen te spreken. En tot wie? Welke lezer heeft Young in zijn eigen pleidooi voor ogen, behalve gelijkgestemden? Want hoezeer ik zelf óók hecht aan het vellen van kwaliteitsoordelen op basis van eigen literatuuropvattingen en leeservaringen, en hoezeer ik het standpunt ook onderschrijf dat literatuur kan helpen bij het trainen van bepaalde capaciteiten en dat het van ethisch, politiek belang is dat mensen kunnen omgaan met onzekerheden – of in dat opzicht moedig zijn – meen ik dat er wel degelijk verschillen zijn in de manier waarop teksten aan die deugden appelleren aan verschillende soorten lezers. Young bespreekt geen literatuur uit die hoek (zoals Rita Felski’s pleidooi om genuanceerder om te gaan met het vermeende onderscheid tussen academisch en leken-leesgedrag in Uses of Literature (2008) of de suggesties van Jim Collins om ‘civili- zed reading’ te herdenken in Bring on the Books for Everybody (2010)) en spreekt zich nergens uit over andere soorten leeservaringen, bijvoorbeeld aan de hand van experimentele literatuur, over andere kunstvormen of over andere manieren om deugden te ontwikkelen. Mogelijk wordt mijn kritiek op dit punt wat te zeer beïnvloed door de ‘strengere’ Nederlandse titel, waarin het eerder om eigenschappen van ‘goede lezers’, dan om de kunst van het lezen lijkt te gaan, maar Young maakt zelf ook geen duidelijk onderscheid in zijn oordelen over tekst- en lezerseigenschappen en leeshoudingen.

De filosofische reflecties op de deugden, tot slot, zijn erudiet en inzichtelijk, soms wat wijdlopig en voor filosofen misschien weer wat te kort door de bocht. Young toont zich echter bewust van zijn positionering en benadrukt zijn oprechtheid in deze ‘on- zuivere’ vorm van populair-wetenschappelijke verslaglegging:

“Ik schuif het gordijn tussen hoge en lage cultuur opzij, tussen Heidegger en de superheld, om te laten zien dat ik de stijve academische wereld verwerp. Ik toon me jeugdig en relevant voor de mainstream, investeer in het symbolisch kapitaal dat de hippe intellectueel aankleeft. Als de nerd die verdwaald is geraakt tussen de universitair docenten, de pretentieuze filosoof tussen betweterige leken, zoek ik in elke subcultuur wat daarbuiten valt. Behalve dat ik die Žižekjes doe, de functie van trol uitoefen, leg ik het universele streven van de filosofie bloot: vol vertrouwen, zonder me druk te maken over een wetenschappelijk paspoort, steek ik de grenzen over tussen genres, disciplines en tijdperken. Dat maakt de manier waarop ik Borges, Batman of Heidegger lees niet onoprecht. Het geeft alleen aan dat de wetenschap die ik bedrijf niet per se zuiver hoeft te zijn (…)” (58-59)

Mijn reactie op dit uitgangspunt is, inderdaad, dat De goede lezer een heerlijk boek is voor wie niet alleen graag gretig en toegewijd leest, maar daar ook graag over filosofeert. Voor de ‘stijve academische wereld’ is Young juist te dogmatisch. De Nederlandse uitgave bevat wat slordigheden, wat – ook vanwege de minder gelukkig gekozen titel – doet vermoeden dat de Engelse editie meer recht doet aan wat Young wil zeggen; voor wie hecht aan zorgvuldig lezen lijkt me dat cruciaal.

Eerder verschenen in Vooys

Literatuur

  • Collins, J., Bring on the Books for Everybody. How Literary Culture Became Popular Culture, Durham & London 2010.
  • Felski, R., Uses of Literature. Malden, MA/Oxford 2008
  • Nooteboom, C., ‘Een ontmoeting met een hoofdletter’. In: NRC Handelsblad, 29-07-2005
  • Young, D., De goede lezer. Filosoferen over literatuur. Utrecht 2016

God is een vluchteling

De verborgen terugkeer van het christendom in Europa

[Recensie] “Vanuit een sofa in een seculiere samenleving die tot voor kort dacht dat elke vorm van identiteit, religieus of seculier, zou verdwijnen in de mars van de geschiedenis, kan het soms moeilijk zijn de buitenwereld te begrijpen”, schrijft David Dessin op zijn blog.

Dessin, filosoof (UA) en adviseur ideologie op de studiedienst van de N-VA, voegde de daad bij het woord, kwam zijn sofa uit en trok de straat op. Hij belandde onder meer op een Chaldeeuws trouwfeest en de viering van een katholieke pinksterbeweging met Filipijnse roots, sprak met een bisschop van de Syrisch-orthodoxe kerk, ontmoette evangelische Pakistani’s, vluchtelingen uit Iran, zevendedagsadventisten uit Ghana, pinksterchristenen uit Congo én uit China (‘de grootste zielenmarkt ter wereld’).

Opvallend detail: om deze tot de verbeelding sprekende verhalen op te tekenen, moest Dessin niet verder reizen dan België, Nederland en Duitsland. In God is een vluchteling wijst hij op frappante cijfers: ruim de helft van de migranten in de Europese Unie behoort tot het christendom. 13 miljoen van hen zijn afkomstig van buiten Europa, tegenover 12 miljoen moslims. En ook in de huidige vluchtelingenstromen bevinden zich veel christenen.

Een Europese religie?

Het is een interessante vaststelling: terwijl Europa de laatste decennia in ijltempo seculariseerde (slechts zo’n vijf procent van de Vlaamse katholieken gaat nog regelmatig naar de kerk), heeft het christendom zich in de rest van de wereld explosief ontwikkeld en verspreid. Het christendom wordt vaak beschouwd als een bij uitstek Europese religie, maar vandaag woont maar liefst twee derde van de 2,2 miljard christenen buiten Europa. En dat ligt niet noodzakelijk aan Europees missiewerk: Dessin legt uit hoe het het christendom zich al verspreidde in de richting van Turkije, China, India en Afrika nog voor het tussen de veertiende en negentiende eeuw een voornamelijk Europese religie werd.

Voor vele van de christenen buiten Europa is het risico op vervolging groot. Dessin verwijst onder meer naar misselijkmakende toestanden in Eritrea. In kampen gebouwd met oude scheepscontainers worden christenen er op grote schaal opgesloten en mishandeld. De auteur windt zich op over het feit dat deze vervolgingen van christenen over het hoofd worden gezien door politiek en media:

“Waarom ligt de wereld niet wakker van de groteske schending van de mensenrechten in Eritrea? Het mag Europese media dan ontgaan, maar containerkampen zoals Mai Serwa en Me’eter zijn hedendaagse concentratiekampen voor christenen: militaire complexen bedoeld om religieuze gevangenen te martelen en uit te putten tot ze sterven.”

Christenen in een postchristelijk Europa

Eens niet-Europese christenen – opgejaagd door honger, oorlog of vervolging – in Europa aankomen, worden ze geconfronteerd met een christendom waarin ze zich amper herkennen. De zogenoemde ‘nieuwe christenen’ verbazen zich over leegstaande kerken en de relatief progressieve houding van kerkleiders als Johan Bonny.

Voor geseculariseerde Europeanen is religie een hoogst individuele kwestie geworden, maar voor heel wat nieuwe christenen is de band tussen heilige boeken en politieke overtuigingen of maatschappelijk gedrag veel evidenter. Hun ideeën over homoseksualiteit of abortus kunnen aanstootgevend klinken, maar wellicht dachten ‘oude christenen’ er enkele generaties geleden ongeveer hetzelfde over. Aan de andere kant zijn sommige kerken ‘moderner’ dan ze lijken. Zo zijn er de zogenoemde prosperity gospels: geïndividualiseerde versies van het christendom, selfservicegeloof waarin de Bijbel vooral wordt gezien als een instrument voor zelfontplooiing en -verrijking.

Origineel verhaal

God is een vluchteling is een erg origineel boek. Dessin bekijkt thema’s als migratie, de vluchtelingencrisis en integratie vanuit een unieke invalshoek en roept interessante vragen op. Hoe ziet de toekomst van het christendom eruit als de koers ervan niet langer wordt bepaald door Europeanen? En misschien vooral: hoe gaan we als samenleving om met de groeiende groep van ‘nieuwe christenen’ die de Bijbel lezen vanuit een volstrekt ander referentiekader?

Dessin verweeft brede historische kennis met pakkende hedendaagse getuigenissen tot een meeslepend verhaal. De reis van het christendom buiten Europa is boeiend en onbekend terrein.

Religie op school?

Dat betekent niet dat ik me kon vinden in alle conclusies van Dessin. Net zoals vele auteurs die een maatschappelijke uitdaging aankaarten, legt ook hij een grote verantwoordelijkheid bij het onderwijs. Volgens Dessin was het grotendeels ontbreken van het christendom in de curricula van het lager en hoger onderwijs enkele decennia geleden nog te rechtvaardigen omdat leerlingen die kennis thuis of in de kerk wel opgelepeld zouden krijgen. Omdat die christelijke achtergrond vandaag ontbreekt in een geseculariseerd Europa, pleit hij ervoor om ‘kennis over de grootste religie van de wereld’ weer mee te geven op de schoolbanken. Vraag is wat Dessin onder die ‘kennis’ verstaat, hoe die wordt aangereikt en welke materie er nog aan bod komt.

Zoals Patrick Loobuyck betoogt in Samenleven met gezond verstand heeft het onderwijs de plicht leerlingen zo goed mogelijk te informeren over wat de mens en onze maatschappij maakt tot wat ze nu is. Religie is daarbij allerminst het beste vertrekpunt. Levensbeschouwing heeft zeker zijn plaats op school, maar door een uitzonderingsstatus te geven aan religies en door kinderen zichzelf te laten identificeren met één bepaalde levensbeschouwing worden hokjes- en wij-zij-denken in de hand gewerkt.

Als godsdienstfilosoof met een christelijke achtergrond wilde Dessin dit boek naar eigen zeggen schrijven “vanuit het standpunt van een hedendaagse, afstandelijke jonge Vlaming, voor een zowel religieus als niet-religieus lezerspubliek.” Voor het grootste deel van het boek slaagt hij daarin, maar doorheen het boek en in het besluit wordt wel duidelijk dat Dessin van mening is dat we in Europa met het christendom iets waardevols verliezen:

“Met het christendom lijken we in Europa ook elke mentale band te zijn verloren met een wereld waar zaken zoals religie, traditie, volk, identiteit, waarheid, goed en kwaad … nog wél belangrijk zijn. We zijn dwergen op de schouders van reuzen, zei Bernardus van Chartres over de Europese christenen. Maar vandaag zijn de reuzen er niet meer. De Afrikanen en Aziaten staan nu op hun schouders en kijken op ons neer.”

Met het idee dat we het christendom nodig hebben als moreel kompas of om ons te identificeren – en zelfs verheffen – als volk brengt Dessin zijn eigen christelijke, Vlaams-conservatieve visie voor het voetlicht. Echter: ook voor wie die overtuiging niet deelt, blijft God is een vluchteling een sterk en interessant boek over de geschiedenis, de uitdoving en de verborgen terugkeer van het christendom in Europa.

Eerder verschenen op https://vreemderdanfictie.be/

 

Kantiaans Psychologisme

Cherrypickend door de Kantiaanse traditie

De filosoof Kant en psychologie gaan niet door een deur, is de heersende mening. Dit is een onterecht beeld, mede ontstaan door een methodestrijd in de negentiende eeuw. Peter Sperber geeft met zijn proefschrift de verliezers hun plek terug in de geschiedenisboeken.

[Interview] Immanuel Kant (1724-1804) is een van de grootste moderne filosofen uit de westerse geschiedenis. De Duitser veroorzaakte een revolutie in het denken over de werking van de menselijke geest en zintuiglijke waarneming. In zijn werk gebruikte Kant veel psychologie, een discipline die in zijn tijd nog geen zelfstandige wetenschap was. Peter Sperber (historicus en filosoof, Universiteit Utrecht) promoveerde op 21 juni op de psychologie in de werken van Kant en de Kantiaanse traditie. Zijn proefschrift is in tegenspraak met de heersende anti-psychologische interpretatie van het werk van Kant.

Verliezers vergeten

“In Kant beroemdste werk, Kritiek van de zuivere rede (1781), zet de filosoof uiteen dat ruimte, tijd en causaliteit niet onafhankelijk van de mens in de wereld bestaan. Het zijn vormen die door de menselijke geest gebruikt worden om orde en eenheid te scheppen in een oneindig complexe zintuiglijke ervaring. Zonder deze vormen zou ons waarnemen volkomen onbegrijpelijk blijven,” aldus Sperber. Hij maakt hier duidelijk hoe Kant allerlei termen en ideeën, die onder de psychologie vielen, gebruikte voor zijn theorieën over de menselijke geest. Dat filosofen tegenwoordig vinden dat Kant juist niets van psychologie moest hebben, heeft volgens Sperber mede te maken met ordinaire ruzie.

De splitsing van filosofie en psychologie als aparte wetenschappen vond pas plaats aan het einde van de negentiende eeuw, een eeuw na het verschijnen van Kants boek. “In die eeuw vond een heftige strijd plaats over de functie van de psychologie binnen de filosofie, waarbij psychologie aan het kortste einde trok. Deze tweestrijd is tot vandaag de dag onderbelicht is gebleven in de geschiedschrijving”. Zoals het vaker gaat in de geschiedenis is de visie van de winnaar de waarheid. De verliezers en hun theorieën zijn naar de achtergrond gedrukt en vervolgens in de vergetelheid geraakt.

Alles moet empirisch

Het begon allemaal met een crisis binnen de filosofie, begin negentiende eeuw. Filosofen deden onderzoek naar de geest van de mens door erover na te denken en door empirisch onderzoek (gebaseerd op zintuiglijke waarnemingen) te doen. Dit laatste, de psychologie, was op dat moment geen aparte wetenschap. De nieuwe empirische wetenschappen, zoals natuurwetenschappen en wiskunde, waren veel succesvoller dan filosofie in die tijd. Kants aanhangers, de Kantianen, begonnen na te denken over hoe psychologie een onafhankelijke onderzoeksrichting kon worden met eigen onderzoeksmethodes.

Zij werkten voor het eerst de psychologische theorieën in Kants leer uit, maar niet altijd overtuigend. Dit veroorzaakte een splitsing onder de Kantianen en zij waren in twee kampen te verdelen. Sperber: “De psychologische Kantianen vonden dat filosofische theorieën gebaseerd moesten worden op een psychologische theorie over de werking van de menselijke geest. Het andere deel van de Kantianen vond juist dat de psychologie geëlimineerd moest worden.

Een nu vergeten geluid kwam van de radicale Kantiaan Friedrich Eduard Beneke (1798-1854). Hij was voorstander van het idee om de filosofie maar helemaal te vervangen door empirische psychologie. “Op die manier zou de filosofie gered worden van de ondergang en net zo succesvol worden als de empirische natuurwetenschappen. Deze visie krijgt totaal geen aandacht in de geschiedschrijving, maar was toen heel belangrijk in het debat.”

Psychologie eruit

Sperber toont hiermee aan dat het historisch onjuist is om Kants filosofie los te zien van de psychologie, om de simpele reden dat deze twee wetenschappen in zijn tijd nog niet gescheiden waren. “Die tegenstelling begon pas vorm te krijgen in het midden van de negentiende eeuw.” Aan het einde van de negentiende eeuw was de scheiding tussen filosofie en psychologie definitief geworden. Het waren twee aparte wetenschappen die vooral de verschillen gingen benadrukken om de scheiding te legitimeren. Psychologie werd niet langer gezien als een nuttige bijdrage voor de filosofie. Hiervoor wezen filosofen al cherrypickend naar Kants leer.

“Het klopt op zich wel dat Kant kritiek had op de psychologie, maar die is niet los te zien van de tijdsgeest. Er was tijdens zijn leven namelijk een sterke methodologische strijd aan de gang over hoe je het beste de geest kon bestuderen. Kant was bang dat zijn theorieën aan verandering onderhevig zouden zijn als hij ze ophing aan de psychologie. En dat was niet zijn bedoeling, ze moesten voor eeuwig gelden.”

Geschiedenis hersteld

Sperber is niet de eerste die pleit voor meer ruimte voor de psychologie in het werk van Kant. “Sinds de jaren negentig wordt er weer meer gekeken naar psychologie binnen de filosofie, ook bij Kant. Maar dat Kant zich verre van psychologie had willen houden is nog steeds de overheersende mening. Ik wil met dit proefschrift duidelijk maken dat hij veel inspiratiebronnen had, waaronder ook de psychologie. Er bestaat nu te veel de neiging om Kants leer te reduceren tot een coherent programma en ik denk dat dat niet mogelijk is.”

Met dit onderzoek voegt Sperber een vergeten beeld toe aan de Kantiaanse traditie. “De strijd tussen filosofie en psychologie, die tot nu toe buiten beschouwing is gelaten, was heel groot en niet alleen onder de volgers van Kant. Nu ik dit weet, kijk ik ook anders naar andere filosofen en hun werk. Het valt ineens op welk standpunt ze innamen in het debat, voor of tegen de psychologie, en hoe dat van invloed is geweest op hun werk. Maar het allerleukste aan dit onderzoek was om te zien hoe een wetenschappelijke discipline zichzelf langzaam ontwikkeld heeft.”

Peter Sperber promoveerde op 21 juni jl. op Kantiaans Psychologisme, Universiteit Utrecht. De promotie is onderdeel van het ‘Vrije competitie programma’ van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het proefschrift is hier in te zien

Eerder verschenen op Kennislink