Opgeven is geen optie

Hoop is onsterfelijk en onuitputtelijk

[Voorpublicatie] Vandaag, 23 september, is de uitvaart van de Tilburgse fitnessinstructeur Jermaine de Wind (27), die vorige week stierf aan de gevolgen van een hersentumor. In 2008 werd De Wind voor het eerst getroffen door de ziekte, die destijds met succes werd behandeld. Hij was één van de weinige mensen met deze ziekte die na anderhalf jaar nog leefde. Zes jaar was hij zonder klachten, maar in 2014 kreeg hij nieuwe tumoren. Landelijke bekendheid kreeg De Wind met een crowdfundingactie die hij startte voor zijn dure behandelingen.

Samen met de Tilburgse filosoof en schrijver Ineke van Pelt werkte hij afgelopen tijd aan een boek over zijn leven: Opgeven is geen optie, Het onthutsende verhaal van Jermaine de Wind. Het boek verscheen een dag na zijn dood.

De Leesclub van Alles publiceert uit het boek de hoofdstukken 17, 18 en 19.

17

In 2014 begon de hoofdpijn weer terug te komen. Zo nu en dan moest ik me ziek melden. Daar baalde ik erg van want het liefst was ik ondanks de hoofdpijn gewoon door blijven werken. Ik probeerde de steken in mijn hoofd te negeren en ging soms even op bed liggen met ijsklontjes op mijn voorhoofd. Natuurlijk wist ik wel beter, maar de onrustgevoelens probeerde ik met alle geweld terug te dringen. De klachten bleven aanhouden en ik dacht: “Dit is foute boel.” Ik moest de huisarts overreden om mij een verwijsbrief voor een MRI-scan te geven.

Angstig wachtten mijn vriendin Lisette en ik op het moment dat ze mij de onheilspellende uitslag zouden geven. Steeds meer artsen kwamen de kamer binnen, terloops naar ons knikkend. Eindelijk kwam het verlossende woord: “Er is geen twijfel. We zien duidelijk hersentumoren.” De neuroloog wees de plekken aan: “Kijk, hier zit er een en hier, en hier. We gaan u zo snel mogelijk opereren. Verder zullen we samen met u een behandelplan opstellen.”

’s Nachts, als ik niet kon slapen, zag ik soms in grote neonletters HERSENTUMOREN op mijn netvlies verschijnen. Tumoren nog wel, niet eens een hersentumor maar tumorén. Er volgden onderzoeken, heel veel onderzoeken, weer een MRI-scan, een echografie, bloedonderzoek. Het hield maar niet op. En het wachten op de uitslagen, dat was nog het meest gruwelijke. Ik heb het idee dat ik al bijna tien jaar aan het wachten ben op gunstige dan wel ongunstige uitslagen. Anderen zeggen dat ik beschik over een onverwoestbaar optimisme, maar de angst zit heel diep van binnen en die laat ik aan niemand zien. Ik word heen en weer geslingerd tussen verwoede pogingen om te genieten en er iets van te maken en het niet willen maar toch denken aan het onrustbarende vervolg. Heel voorzichtig begon ik me af te vragen of ik zou gaan sterven. Maar het enige wat niet wilde sterven was de hoop. De hoop is onsterfelijk en onuitputtelijk. De hoop op een wonder. Hoe klein ook. Steeds een stapje vooruit, weer iets verder maar dan weer een heel stuk terug. In mijn kop zijn de gezonde en ongezonde cellen oorlog met elkaar aan het voeren. Eigenlijk zou ik moeten bidden, maar tot wie of tot wat? Kon ik maar geloven zoals mijn oma gelooft in een god die van alles voor haar regelt als ze daar om vraagt. Maar ik moet eerst iets zien voordat ik erin kan geloven. Er zal vast iets zijn tussen hemel en aarde. Iedereen gelooft op een ander manier. Op zijn eigen manier. Soms zijn er tranen. Het lucht me wel op. Een douche van troost langs mijn wangen.

18

De dag na de eerste chemokuur waggelde ik alsof ik me op een schip bevond op woelige zee. Elke keer als ik een poging deed om te lopen viel ik bijna op de grond. Het grootste gedeelte van de dag hing ik lusteloos op de bank, zelfs te beroerd om iets te eten te maken of mijn kleren aan te trekken. Ik had hoofdpijn en mijn benen voelden slap. Het enige waartoe ik me kon zetten, was naar de kraan lopen om een glas met water te vullen. Dat waren van die dagen dat ik mezelf niet kon uitstaan. Ik was toch de survivor? Altijd had ik goed gegeten, veel groente, nooit gerookt of alcohol gedronken. Ik trainde mijn lijf en sliep goed en voldoende. Eigenlijk een voorbeeld van een gezond mens. En kijk me hier nou liggen, dacht ik dan.

De volgende dag dwong ik mezelf om me aan te kleden en naar buiten te gaan. Ik wilde weer naar de bewoonde wereld en die was slechts enkele minuten bij me vandaan. Het zou me toch wel lukken, een klein eindje lopen? Ik vulde mijn waterfles en ging naar buiten. Ik was nog maar net de straat uit of de hoofdpijn kwam weer terug, vooral omdat de felle zon ongenadig op mijn hoofd scheen. Ik liep langs een terras vol met lachende en pratende mensen. Vertwijfeld keek ik om me heen en vroeg me af of het wel verstandig was om door te lopen. Eenmaal weer thuis op de bank voelde ik me toch voldaan. Ik had het tenminste gedaan. Morgen weer, besloot ik, en dan nog een stukje verder. Ik wil zo graag blijven leven. Zo lang mogelijk ook. Minstens honderdtwintig wil ik worden. Toch zijn er dagen dat ik bang ben voor de jobstijding die er straks na het volgende MRI-onderzoek weer op mij af zal komen. Het is lente, elke dag zie ik meer blaadjes aan de bomen en de gele narcissen boven de grond uitkomen. Maar die wil ik de volgende lente ook weer zien. En de lente daarop ook. Ik wil volgend jaar tien bossen gekleurde narcissen op de markt kunnen kopen. Ik wil weer gaan koken. Ik wil weer aan de slag in de sportschool. Afspraken maken met vrienden. En hoe vaak heb ik mezelf al beloofd om me straks, als alles voorbij en achter de rug is, nooit meer druk te maken over onbenullige dingen. Me nooit meer kwaad te maken over kleinigheidjes, nooit meer ruzie te maken, met wie dan ook. Alleen maar genieten van elke volgende dag die gaat komen zonder me af te vragen of er wel een volgende dag zal komen.

19

Mijn oma, de moeder van mijn vader, heeft zich meteen toen ze hier in 1992 kwam wonen aangesloten bij een plaatselijke kerkgemeenschap: New Song in de Zuidoosterstraat in Tilburg. Zij vindt dat wij een roeping hebben en dat wij die onder de Antilliaanse bevolking moeten gaan vervullen. Velen uit die gemeenschap zijn geholpen om hun persoonlijke en gezinsleven op orde te brengen. Het plan dat God heeft met ons leven is groot en we leven hiervoor tot het einde. Zij heeft veel steun aan haar geloof en heeft al uren, nee dagenlang voor mijn genezing gebeden. En niet alleen voor mij. Ze bidt iedere dag vier keer voor mensen die ziek zijn, hun baan verloren hebben en allerlei ander persoonlijk leed. Mijn evangelische oma was ervan overtuigd dat haar gebeden eens verhoord zullen worden. Zelf ben ik er niet zo van overtuigd dat het leven zo in elkaar zit. Dat als je iets aan God vraagt, dat Hij dan je gebeden onmiddellijk verhoort en dat alles dan goed komt. Ik geloof wel dat er ‘iets’ is maar wat dat ‘iets’ is, weet ik niet. Ik moet altijd eerst iets zien of kunnen aanraken voordat ik het kan geloven. “God kan mij geen medische behandeling geven, oma. Ik heb een dokter nodig die me kan helpen en niet een God.” Maar om mijn oma een plezier te doen, gingen we op een dag een katholieke kerk binnen om een kaarsje voor mij aan te steken. We kwamen er toevallig langs toen we een wandelingetje maakten. Oma kan niet ver lopen. Ze heeft onlangs een knieprothese gekregen en aan de andere knie moet ze ook nog geholpen worden. Sinds ze negentien jaar geleden weduwe werd, woont ze alleen in een huis in de Waterhoefstraat in Tilburg. Daarom ga ik haar zoveel mogelijk opzoeken en neem ik haar zo nu en dan mee voor een uitje. Dat ze alleen woont vindt ze niet erg. Ze zou nooit meer een man willen. Nooit meer iemand die de baas over haar speelt. Ze wil haar eigen baas zijn.

Buiten ons leek er niemand in de kerk te zijn, op een kromgebogen oud vrouwtje na dat met samengevouwen handen naar het altaar staarde. Ik zag haar mond gebeden prevelen. We namen plaats op een van de vele lege kerkbanken en ik luisterde naar de binnensmondse Onze Vaders van mijn oma. In haar blik naar mij zag ik een verlangen naar troost. Hoewel God zweeg bleef er een niet aflatende behoefte aan een liefdevolle almachtige god die mij zou genezen. Ik keek naar de geschilderde muren en gebeeldhouwde heiligenbeelden. Mijn oma keek me even aan met een veelbetekende en ook intrieste blik. “Oma,” zei ik tegen haar, “als ik straks helemaal beter ben, dan gaan we samen naar Curaçao. Dat is mijn hoofddoel.”

 

Meer informatie: http://www.mainlife.nl/

Thuis mag ik niet meer zeuren

Waar Nederland constant mee bezig is

Sylvia Witteman (1965) is journaliste en columniste en schrijft al jaren voor de Volkskrant. Daar begon ze met het schrijven over eten en het delen van recepten. Dit deed ze tot 2011 maar al sinds 2005 schrijft ze ook niet-culinaire columns. Zo nu en dan worden haar stukjes gebundeld en daar is al menig boek door verschenen. Thuis mag ik niet meer zeuren (2016) is daar de meest recente van.

Zoals gewoonlijk wordt de lezer meegenomen in het dagelijks leven van Witteman: naar de supermarkt, een keertje een terrasje pikken en een dagje thuis met de kinderen en huisgenoot P. Alles passeert de revue. Dit klinkt misschien wat saai, maar juist de herkenbaarheid in de routine en de alledaagse gebeurtenissen zorgen ervoor dat de lezer zich ermee kan identificeren. Die herkenbaarheid wordt versterkt door de constante link met de actualiteit. Uiteraard gaat het even over de Zwarte Pietendiscussie, voetbal, faillissementen van grote winkelketens en terrorisme. Allemaal thema’s waar Nederland constant mee bezig is. En het fijne is, als één van deze onderwerpen jou niet interesseert, gaat het over anderhalve bladzijde weer over iets totaal anders.

Elke bundel, of het nu gedichten, verhalen of columns betreft, bevat sterke, maar ook minder sterke delen. Ook deze. Er zijn stukjes die irrelevant en oninteressant zijn. Deze zijn echter schaars en komen gelukkig nooit tweemaal na elkaar. Dat is vooral te danken aan Wittemans schrijfstijl. Elk willekeurig onderwerp wordt grappig, aandoenlijk of ontroerend met de woorden van deze bijzondere schrijfster. Het hoofdstuk Rouwkraagjes, over de dood van olifant Mumba in Artis heeft dit alle drie tegelijk. De familie olifanten die “rouwend bij haar stonden, vergeefs duwend en aaiend met die slurven”, ontroert. Vervolgens haalt Witteman de lezer uit het verdriet: “In de natuur trekt de kudde uiteindelijk verder, maar in Artis stuit je dan al gauw op praktische bezwaren, vertrapte kleuters en zo.” Daarna wordt het aandoenlijke feit verteld dat Mumba’s moeder verliefd is geworden op een nieuwe olifant. In slechts anderhalve bladzijde weet Witteman onze emoties alle kanten op te duwen.

Thuis mag ik niet meer zeuren is een genot om te lezen. Het leest vlot maar dat betekent niet dat het zonder na te denken te consumeren is. Gevatte opmerkingen en nieuwigheden – je kunt nog van alles leren van deze bundel. Wist jij bijvoorbeeld al hoe de straatnamen voor Monopoly vastgesteld zijn? En je kunt er nog lang van genieten ook, als je elke dag één stukje leest en niet verleid wordt om toch nog een hoofdstukje meer te lezen!

Eerder verschenen op cuttingedge

Dagelijkse kost 2

Koken met gezond verstand

[Recensie] Een nieuw boek van Jeroen Meus. Dagelijkse kost 2 met als ondertitel Koken met gezond verstand. Naar een boek van Jeroen Meus wordt altijd met verlangen uitgekeken. Zijn no-nonsens manier van koken spreekt velen aan en zijn televisieprogramma trekt heel veel kijkers. Jeroen is, ondanks het enorme succes van zowel zijn boeken, zijn kookprogramma en zijn restaurant, altijd bescheiden gebleven.

In het (bijna ontroerende) voorwoord in dit boek vertelt Jeroen ons wat er nu eigenlijk belangrijk is in het leven. Prachtige woorden als: “Mijn grootste verantwoordelijkheid als vader is het installeren van herinneringen.” Over zijn kijk op voedsel zegt hij: “Eten kan nooit een hype zijn” en “hoe meer ik leer, hoe meer ik weet dat ik nog veel moet leren.” Dat is Jeroen Meus ten voeten uit.

Het leuke van het boek is dat er geen structuur in te ontdekken valt. Aan het begin, bij de index, zie je de ‘hoofdstukken’ Vlees, Vis, Veggie, Pasta en Pizza, Salade, Soep, Uit het vuistje en Desserts. Maar aan de paginanummers en namen van gerechten zie je dat de recepten door elkaar staan. Er is geen volgorde in te ontdekken. Ondanks dat is het, zeker samen met het uitgebreide register achterin het boek, heel makkelijk om je favoriete recept terug te vinden. En dat is fijn want er staan heel veel recepten in het boek.

De recepten van Jeroen Meus variëren van simpel en door iedereen te maken tot iets uitgebreidere gerechten waar je iets meer tijd voor uit moet trekken maar die nog altijd geschikt zijn voor alle hobbykoks. Van Gebraden piepkuiken met tijmpuree en paprikasalsa of Porchetta met geroosterde groenten tot Wijting à la moutarde en Zalm teriyaki met broccoli-noedelsalade. De Spaghetti bolognese met linzen ziet er heerlijk uit en de Salade met reepjes kip tandoori, appel en komkommer lust iedereen. De hapjes in Uit het vuistje zijn om van te watertanden. Warme uientaartjes met geitenkaas en tijm of een Broodje wortelmartino (een pittige vegetarische filet Americain). En wat dacht je van een Broodje merguez met zelf opgelegde wittekoolsalade en sambalmayo.  Daarna kiezen we een dessert. Panna cotta van chocolade met banaan en pindacrumble of een Baba au rhum met sinaasroom.

Dagelijkse kost 2 is wederom een boek waar je geen genoeg van krijgt. Het zijn overigens allemaal nooit eerder gepubliceerde recepten en bij vrijwel alle recepten staan ook weer tips & trucs.

Alles klaargemaakt met veel liefde en passie want, zoals Jeroen aan het begin van het boek zegt, “koken is liefde tonen”.

Eerder verschenen op kookboekennieuws.nl

Controle!

Hoe het leven soms in duigen dreigt te vallen

[Recensie] Marjolein is een jonge moeder die wat vastgelopen lijkt te zijn in haar relatie en de dingen in haar leven. Haar jeugd voelde niet aan als een warm nest en de band met haar bemoeizuchtige, oordelende en kille moeder is niet onvoorwaardelijk te noemen.

Ze is zwaarmoedig en staat niet al te positief in het leven, wat er toe leidt dat ze regelmatig in conflict komt, niet alleen met anderen maar ook met zichzelf. ‘Doemdenken’  is het woord wat haar personage regelmatig oproept. Dit gedrag leidt bij de lezer soms tot wat irritatiegevoelens jegens het hoofdpersonage.

“Ze sluiten me buiten”. Zelf heeft Marjolein het gevoel dat ze wel degelijk optimistisch is. “Dat kan er ook nog wel bij, denk ik moedeloos. Houdt het nou nooit op? […] Het blijkt dat ik ondanks alles erg optimistisch van aard ben[…] Het past wel weer in de gebeurtenissen van de laatste tijd, weer iets dat volkomen mis gaat, bedenk ik me”.

Wanneer haar partner bij een ongeval om het leven komt, ze bij zichzelf tot overmaat van ramp een verdachte plek in een borst ontdekt, haar financiën ontoereikend blijken en ze van baan verandert, lijkt alles om haar heen in duigen te vallen. Ze komt in een rollercoaster van gevoelens terecht en dreigt de controle over haar leven te verliezen.

Omdat er in eerste instantie aan borstkanker wordt gedacht, gaat Marjolein op zoek naar oplossingen en neemt daarin een drastische keuze. Ondanks dat ze van haar omgeving hier niet al te veel steun bij ondervindt, gaat ze hierin toch dapper haar eigen weg en komt ze tot de conclusie dat ze zelf een keuze heeft gemaakt, waar ze volledig achter kan staan.

“Je hebt altijd een keuze, ook als je geen keuze hebt”

Het verhaal kent een onverwachte plotwending en eindigt in een spannende apotheose. Controle! is een vlotlezend verhaal en zal voor veel lezers herkenning geven. Absoluut een mooi debuut en zeer het lezen waard.

Over de auteur

Esther van der Ham heeft haar eigen uitgeverij: Droomvallei Uitgeverij. Ze schreef met Controle! haar debuut. waarin ze deels autobiografische gebeurtenissen verweefde. Eerder schreef ze kinderboeken die ze zelf illustreerde.

Eerder verschenen op metdeneusindeboeken.blogspot.nl

Alles verloren

Het vluchtelingendrama als samenzwering

[Recensie] Op het eerste gezicht lijkt het het zoveelste tragische vluchtelingendrama. Aan het begin van de thriller Alles verloren redden zeilster Tessa Insinger en haar reisgenoot, fotograaf Mortimer Davies die een reportage maakt over vluchtelingen die de oversteek naar Griekenland maken, een 17-jarige meisje uit het water.

Het meisje, Soumaya, blijkt de enige overlevende van een omgeslagen rubberboot met vluchtelingen die is vertrokken uit Turkije. Terwijl de andere opvarenden zijn verdronken omdat zij niet-werkende reddingsvesten droegen, heeft Soumaya het wel gered dankzij een autoband die haar vader haar kort voor vertrek heeft meegegeven.

Politieke belangen, gewetenloze mensensmokkelaars en het menselijk drama van de vluchtelingen zijn de ingrediënten van het nieuwste boek van thrillerschrijver Roel Janssen, voorheen financieel-economisch journalist bij NRC.

Het zinken van de rubberboot met vluchtelingen blijkt namelijk geen domme pech, maar het gevolg van een sinister complot waarin een groepje Europese functionarissen, aangevoerd door de kabinetschef van Frans Timmermans, de hand heeft gehad. Zij maken zich grote zorgen over het toenemende populisme in Europa en werken achter de schermen aan een radicaal plan in een poging om de voedingsbodem daarvoor – de vluchtelingencrisis – weg te nemen. Ook als daar mensenlevens voor moeten worden opgeofferd.

Janssen heeft af en toe de neiging om zijn personages, en dan met name de Europese functionarissen, feiten en meningen in de mond te leggen die iedereen die niet onder een steen leeft wel kent. Wie dat voor lief neemt, houdt een spannende thriller over waarin Tessa en Mortimer het aan de stok krijgen met gewetenloze mensensmokkelaars en de Europese samenzwering beetje bij beetje ontrafelen. Ondertussen raakt Soumaya op de Balkan in de problemen. Een heerlijk boek voor op reis.

Eerder verschenen in Wordt Vervolgd

 

Het hartige bakboek

Klassiekers én verrassende nieuwe recepten

[Recensie] Het doet Het hartige bakboek van Rutger van den Broek te kort om het een aanwinst voor de kookboekenkast te noemen omdat dit impliceert dat het boek in de kast gezet wordt om vervolgens te verstoffen. Dit boek zou een vaste plek op het aanrecht moeten krijgen, omdat er zo veel lekkere gerechten in staan die allemaal uitgeprobeerd moeten worden. Het is moeilijk kiezen waar te beginnen. Met het laagjesbrood, het soda bread, de muffins of toch met de pie met kip, prei en roomkaas.

Dit vierde boek van Rutger begint met de basis: ingrediënten, begrippen en technieken en recepten. De basisrecepten zijn niet alleen voor de verschillende deegsoorten, zoals brood-, blader- en quichedeeg, maar ook voor vulling en smaakmakers zoals ragout, pesto en kruidenroomkaas. De bereiding van de deegsoorten wordt stap voor stap uitgelegd met duidelijke foto’s erbij. Zo hoef je nooit meer bladerdeeg te kopen maar maak je het voortaan zelf, nu je kunt zien hoe eenvoudig dit eigenlijk is. De andere hoofdstukken hebben originele titels die meteen duidelijk maken wat de strekking van het betreffende hoofdstuk is: Klein maar fijn, Lekker voor tussendoor, Mandvol broodjes etc tot het laatste hoofdstuk Bijna helemaal zelf gebakken.

In Het hartige bakboek vind je zowel klassiekers als pizza Margherita, focaccia, quiche en beef Wellington als verrassende nieuwe recepten voor een spelt-bierbrood, bagelquiches en camembert in rozemarijnbrood. Het recept voor een bladerdeegster met tapenade valt meteen op door de foto. Je ziet een ster van, inderdaad, bladerdeeg waarvan de punten zijn gedraaid tot een prachtige vorm. Rutger slaagt er in om op heldere wijze uit te leggen hoe je dit zelf kunt maken. De foto van de ongebakken ster is een noodzakelijke hulp hierbij.

Niet alleen deze is foto is prachtig, alle foto’s zijn dat. Ook zijn ze functioneel (je ziet hoe het gerecht er uit moet komen te zien) en eetlustopwekkend. Mooie achtergronden, beetje verweerd hier en daar, maar dat is juist mooi. Het geeft een robuuste uitstraling aan het boek.

Prettig is dat Rutger naast het recept ook vaak variatietips geeft zodat je zelf een andere draai aan het gerecht kunt geven. De verrassende smaakcombinaties kunnen natuurlijk ook worden toegepast in andere gerechten. Je kunt op deze manier Het hartige bakboek ook als inspiratieboek gebruiken in plaats van uitsluitend als receptenboek.

Voorlopig blijft Het hartige bakboek dus in de keuken liggen want er valt nog veel uit te bakken én veel inspiratie uit te halen.

Natascha van der Stelt was namens Kookboekennieuws aanwezig bij de presentatie van Het hartige bakboek op 12 september in Amsterdam. Klik hier voor haar verslag.

Eerder verschenen op kookboekennieuws

Dagboek uit de rivier

Verdwijning uit het dorp

[Recensie] Op de achterflap van dit boek staat ‘een subtiele, ingenieuze thriller’. Klinkt veelbelovend! Het boek gaat over Barbara en haar zoon Rens van zeven die na een aantal moeilijke jaren en een vechtscheiding op vakantie gaan met haar nieuwe vriend Robbert. Robbert is uitgever en een van zijn schrijvers woont in de Ardennen. Deze schrijver werkt al een paar jaar aan zijn tweede roman, maar dat wil niet zo vlotten. Zijn debuutroman was een megasucces en Robbert verwacht dan ook veel van het tweede boek. De schrijver is gefascineerd door de verdwijning van een meisje uit het dorp.

Speurtocht

Robert en Barbara bezoeken de schrijver (zijn naam blijft onbekend) in zijn huis. Het klikt tussen Barbara en de schrijver. En als Rens dreigt zich te gaan vervelen, besluiten ze samen een spel te verzinnen. Een speurtocht die onschuldig begint, losjes gebaseerd op de verdwijning van het meisje uit het dorp. Tijdens het zwemmen gooit Barbara stiekem door haar geschreven papiertjes in de rivier, het lijken fragmenten uit een dagboek van een vrouw die opgesloten zit. Rens vindt de papiertjes en is gelijk geboeit. Zijn deze fragmenten soms van het vermiste meisje? Hij bijt zich vast in de aanwijzingen en gaat samen met Barbara en de schrijver op zoek naar het meisje.

Dagboek uit de rivier is geschreven vanuit het perspectief van de schrijver. Er zit weinig dialoog in het boek, behoorlijk wennen in het begin. Het boek kabbelt wat voort, maar aan het einde komt er gelukkig wat meer spanning en tempo in het verhaal. En dan is er ook nog een plottwist die het boek heel verrassend laat eindigen. Ik ben het met de flaptekst eens: inderdaad dit boek is subtiel en ingenieus.

De auteur

Achter de naam Frederik Baas gaat Jan van Mersbergen schuil. Dagboek uit de rivier is zijn thrillerdebuut.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

John Williams

Biografie over de man die de perfecte roman schreef

Wie was de man achter Stoner, Butcher’s Crossing en Augustus? Een nukkige traditionalist, zo blijkt uit een nieuwe biografie van John Williams, een man die vooral met zichzelf en zijn eigen carrière bezig was en ten onder ging aan alcohol en sigaretten.

[Recensie] Toen Edwin Frank, de samensteller van de klassiekenreeks van de New York Review of Books, begin jaren 2000 aan het snuisteren was door de rekken van boekhandel Crawford Doyle werd hij aangesproken door John Doyle zelve, een van de eigenaars van de winkel. “Ik vind de laatste tijd zo moeilijk exemplaren van John Williams’ Stoner,” zei hij, “Misschien moet je die roman opnemen in je reeks, zodat hij weer te krijgen is.” Frank las het boek, dacht erover na en bracht het in 2006 uit. Geen Amerikaan die er wakker van lag, maar Stoner werd opgemerkt door een aantal Europese redacteurs die er meteen de hand van een groot schrijver in herkenden. In 2009 verscheen de Spaanse vertaling, gevolgd door de Franse, Italiaanse en Nederlandse, waar inmiddels een paar honderdduizend exemplaren van verkocht zijn.

Ook in 1965, toen Stoner voor het eerst verscheen, was de roman geen succes. De recensies waren voor het overgrote deel lauw en al na een jaar verdween het boek uit de boekhandel. Van bijdrukken was geen sprake. Voor auteur John Williams was dit een grote teleurstelling, want hij meende terecht dat hij een meesterwerk op papier had gezet. Dat hij van eenvoudige komaf was, als eerste van zijn familie had gestudeerd en nu zelfs doceerde aan de universiteit maakte de pil nog bitterder. Stoner was het visitekaartje van zijn intellectuele geloofwaardigheid en niemand wou het aanvaarden.

Williams kwam inderdaad van ver, lezen we in  John Williams, De man die de perfecte roman schreef, de biografie die Charles J. Shields aan hem wijdt. Hij groeide op in het Texaanse Wichita Falls dat vooral de geschiedenis is ingegaan omwille van het gemak waarmee een meesteroplichter de inwoners een paar miljoen (hedendaagse) dollar aftroggelde. Wij gaan hier de eerste wolkenkrabber van Texas bouwen, maakte hij mogelijke investeerders wijs. Hij legde een plan voor en zette een gebouw neer, alleen hadden degenen die er hun spaarcenten in hadden belegd niet gezien dat de afmetingen op het plan in inches waren uitgedrukt, en niet in voet. In plaats van een wolkenkrabber zaten ze dus met een bijzonder duur betaald huis: twaalf meter hoog, drie meter breed en vijf meter diep.

De kleine John groeide op bij zijn moeder en stiefvader. Zijn echte vader kende hij niet. Volgens de een was hij doodgeschoten bij een overval terwijl nogal wat anderen beweerden dat hij er gewoon met een andere vrouw vanonder was getrokken. In een hoek van de kamer zat zijn oude tante die nooit iets anders zei dan dat ze even naar het toilet ging. Zijn halfzus had een jongensnaam omdat zijn stiefvader liever een zoon had gehad en de kleine John trof zijn moeder regelmatig huilend in de bezemkast aan. Je zou van minder schrijver worden natuurlijk.

Maar dat leek aanvankelijk Williams’ toekomst niet te zullen worden. Hij begon zijn carrière als radiopresentator en ging in 1942 vrijwillig het leger in. Na een paar jaar Verre Oosten kwam hij terug met malaria en een zak vol verhalen. “Zie je dat litteken hier op mijn schouder?” zei hij dan, “Van een jappenkogel,” terwijl die wonde in realiteit dateerde van toen hij zeventien was en bij het poetsen van zijn geweer per abuis zichzelf had neergeschoten. “Je kunt het liegen noemen,” zei Ernest Hemingway ooit over dat soort verhalen, “maar schrijvers noemen dat het scheppen van fictie.”

Ook al keek Williams op naar Hemingway, toch is de kans dat hij het eens was met deze uitspraak niet zo groot. Het scheppen van fictie gebaseerd op persoonlijke herinneringen kon volgens hem alleen tot flauwe zelfexpressie leiden, en dat soort romantiek zei hem niets. Literatuur volgt bepaalde formele regels, zei hij, en wie louter zichzelf wil uitdrukken doet maar beter in zijn dagboek. In ieder van zijn romans komen passages voor waarin die romantiek als een leugen wordt afgedaan. Wie een gelukkig, bevredigend en waarachtig leven wil leiden, kan maar beter de rede als gids nemen, was Williams’ devies. Butcher’s Crossing gaat bijvoorbeeld over een man die zijn romantische inborst volgt en naar het mythische Westen trekt. Hij dompelt er zich onder in de sublieme natuur, meent een fortuin te zullen verdienen met de huiden van de bizons die hij schiet, raakt een deel van zijn schat kwijt door de kracht van diezelfde sublieme natuur en moet tot zijn scha en schande vaststellen dat wanneer hij eindelijk de bewoonde wereld weer bereikt de markt voor bizonhuiden ingestort is en zijn romantische fantasie het dus moet afleggen tegen de realiteit van vraag en aanbod. Butcher’s Crossing was een roman over de psychologie van de cowboy, zei Williams tegen ieder die het wilde horen, en over de wijze waarop ieder van ons een eigen identiteit opbouwt: door keer op keer weer tegen de harde realiteit aan te botsen en daar iets uit te leren. Maar zo zag de kritiek het niet. “Butcher’s Crossing is een saaie western,” serveerde de New York Times de roman af.

Williams werd uiteindelijk hoofd van het programma creative writing van de universiteit van Denver, de koeienhoofdstad van Colorado die niet meteen bekend stond omwille van zijn progressieve ideeën. Gevraagd naar wat hij zou doen aan het grote woningtekort zei de burgemeester bijvoorbeeld: “Als al die mensen die de laatste jaren naar hier zijn gekomen teruggingen naar huis, hadden wij helemaal geen woningtekort.” Williams bleef echter, en hij voelde er zich thuis. Hij verdiepte zich in de literaire traditie, schreef een naslagwerk over de Engelse Renaissance-poëzie dat hem de beschuldiging van plagiaat opleverde en dacht er zijn twee volgende romans uit: Stoner en Augustus.

In de jaren 1950 en 1960 was de Amerikaanse academische wereld een bolwerk van blanke mannen. Studentes die door hun lesgevers verleid en gedumpt werden hadden dat alleen aan zichzelf te wijten. Toen eind de jaren 1960 de tegencultuur haar opwachting maakte en studenten hun plaats opeisten binnen de beslissingsmacht van de universiteit, keerde Williams zich nukkig af van hen. Universiteiten moeten geen discussies over sociale onrechtvaardigheid organiseren, was zijn mening. Zij moeten kennis en traditie bijbrengen.

De man die de perfecte roman schreef is een intellectuele biografie van John Williams. Over zijn privéleven kom je niet veel te weten. Deels wellicht omdat Williams daar niet mee te koop liep, maar ook omdat hij maar weinig aandacht gehad lijkt te hebben voor zijn niet-literaire omgeving. Hij lijkt vooral een egocentrische man geweest te zijn die rücksichtlos zijn eigen gang ging. Hij had vier vrouwen en een onbekend aantal affaires. Daaruit kwamen drie kinderen voort die in het boek amper genoemd worden. Dit past in het plaatje dat een man laat zien die in feite maar één ding wou: schrijver worden, en daar niet in leek te zullen slagen.

Dat is tot hij met Augustus, zijn brievenroman over het leven van de gelijknamige Romeinse keizer, in 1973 de National Book Award won. Dat hij die prijs diende te delen met John Barth omdat de jury er in een bittere strijd tussen traditionalisten en nieuwlichters niet was uitgeraakt, ervoer hij natuurlijk als een lichte smet op het blazoen – en het zoveelste bewijs dat de wereld finaal naar de knoppen aan het gaan was. Vol goede moed zette hij zich daarna aan het schrijven van een boek dat nog beter zou worden, maar meer dan honderd overgeconstrueerde pagina’s kreeg hij tot zijn dood in 1994 niet meer uit zijn pen geperst. En daar had zijn afmattende levensstijl alles mee te maken.

Als hij al opdook in het universitaire auditorium, en hij er dus in geslaagd was onder de ochtenddouche de alcohol van zich af te spoelen, oreerde hij met in zijn ene hand een zuurstofmasker en in zijn andere een brandende sigaret. “Shocktherapie” en “De beste manier om van het roken af te raken”, beschreven zijn studenten het bijwonen van zijn lessen. Slechts een enkeling slaagde erin de psychologie van de docent achter Williams’ verschijning te zien. John Williams was finaal zijn beroemdste personage geworden, de academicus die gevormd werd door de slagen die hij professioneel en privé te verduren kreeg en daar stilletjes aan stierf: William Stoner.

Eerder verschenen in De Morgen 

Mijn gevangenissen

Overleven met de Goddelijke komedie en de Bijbel

[Recensie] Bij het openslaan van het voor het eerst sinds 1911 weer in het Nederlands vertaalde Mijn gevangenissen van Silvio Pellico moest ik even aan Il senso van Lucino Visconti denken. De film speelt zich af in het door Oostenrijk bezette Venetië en ademt de sfeer van het verval van de negentiende-eeuwse aristocratie tegen de achtergrond van het opkomend Italiaanse nationalisme onder leiding van Giuseppe Garibaldi. Paarden en gelaarsde soldaten in strakke uniformen bepalen het decor waarin een onmogelijk verliefde gravin Livia Serpieri (Alida Valli) haar onheil tegemoet schrijdt. Onmogelijk verliefd, want haar liefde geldt een onbetrouwbare op geld beluste luitenant van het bezettingsleger. Het is hetzelfde leger dat op vrijdag 13 oktober 1820 in Milaan de jonge talentvolle schrijver Silvio Pellico heeft opgepakt wegens hoogverraad. Pellico wordt langdurig verhoord en wat volgt is een reeks aangrijpende herinneringen aan de tien jaar die hij vanaf die dag in gevangenschap zal moeten doorbrengen. Over de verhoren zelf zwijgt hij: “Net als een geliefde die slecht behandeld is door zijn beminde en het plechtige besluit heeft genomen haar de rug toe te keren, laat ik de politiek voor wat ze is en zal ik het over andere zaken hebben.”

Verrassend. Want je zou je kunnen voorstellen dat je dankzij die verhoren direct als getuige à decharge wordt meegezogen in de denkbeelden van de door Garibaldi aangevoerde Carbonari tijdens het Risorgimento, zoals de periode van de Italiaanse ‘opstanding’ of eenwording ook wel bekend staat. Maar nee, wat volgt is een heel ander relaas. Pellico voert je in oprechte nederigheid mee naar een heel ander universum dan het weinig verheven politieke toneel in Europa aan de vooravond van 1848. Teruggeworpen op zichzelf met slechts twee boeken voor handen (Dante’s Goddelijke komedie en de Bijbel) kiest hij ervoor alle lafhartigheid, trouweloosheid en ontaarding, waarmee hij tijdens zijn eenzame opsluiting geconfronteerd wordt, ondergeschikt te maken aan een hogere godsdienstige en vaak vergeten filosofische waarheid. Een keus die uitnodigt tot een ‘krachtige wil’ in combinatie met  een ‘kalm oordeel’ waardoor de mens in staat wordt gesteld te blijven hopen op een wereld vol gerechtigheid en waardigheid. Een keus ook, die leidt tot een epische zielentocht die je 230 bladzijden lang niet meer loslaat.

Al lezend kwam ik er achter hoe fijngevoelig en diepzinnig Pellico (1789-1854) drie motieven met elkaar verbindt. Om te beginnen het grote, soms wanhopige verlangen naar zijn familie (met name zijn vader en moeder mist hij verschrikkelijk), dat hij vanuit de diepten van zijn onderaardse kerker in kasteel Spielberg in Brünn (het huidige Brno) als een dichter onder woorden brengt. Hoewel Silvio zich hier als kind van zijn tijd (de romantiek) regelmatig verliest in een uitbarsting van tranen vol oh’s en ach’s, wordt het geheel je nooit te veel, integendeel, al lezend mis en lijd je met hem mee.

Het tweede motief schuilt in de ontberingen die de schrijver als gevangene ondergaat. Zonder in detail te treden overdrijf ik niet als ik Pellico hier in een adem noem met de eveneens uit Turijn afkomstige Primo Levi, die de eerste zin van zijn kampervaringen in Auschwitz anno 1944-45 naar Mijn gevangenissen modelleerde en het werk zelfs vergeleek met de Odyssee van Homerus. Het derde motief plaatst Pellico daarentegen in een heel andere traditie. Door zijn verslag uit te laten monden in een bekeringsgeschiedenis, treedt hij nadrukkelijk in de voetsporen van denkers en gelovigen als Augustinus en Pascal. Het is ontroerend te zien hoe hij, nadat hij als student het katholieke geloof heeft ingeruild voor de ideeën van de verlichting, de Bijbel in zijn cel opnieuw ontdekt. Niet als een streng leerstellig geschrift of een vehikel tot vroom gekwezel, maar als Gods persoonlijke openbaring en aanwezigheid die de menselijke ziel tot rust kan brengen. Het levert tussen alle ellende door prachtige ontboezemingen op, die getuigen van een diep en zuiver verlangen alle “onrechtvaardigheid te verafschuwen doch onrechtvaardigen te vergeven.” In dat gegroeide vertrouwen, schrijft hij ergens, “verloor de eenzaamheid met de dag meer van haar gruwelijkheid.”

In Trouw, waarvoor ik deze recensie in iets andere vorm schreef, krijgen boeken geen sterren, maar weet dat ik zowel God als Van Oorschot dankbaar ben dat Pellico weer onder de mensen is.

Eerder verschenen in Trouw

De middelste dag van het jaar

Loutering in Amsterdam

[Recensie] De middelste dag van het jaar is roman met de tijdsspanne van nog geen 24 uur, een roman met daarin meerdere verhalen, geheimen zodat er thrillerachtige momenten ontstaan die op zeer subtiele wijze worden uitgewerkt. Plaats van handeling is Amsterdam.

Hoofdpersonage Sylvia ontmoet op een kerkhof een bekende uit het verleden, Lucien. Aan het graf van Andrei, de precies 5 jaar geleden vermoorde ex-man van Sylvia, begint hun snikhete gezamenlijke middelste dag van het jaar. Het is 2 juli.

Het leven van de 60-jarige Sylvia is tot nu toe niet helemaal vlekkeloos verlopen, hoewel ze zelf het idee heeft haar zaakjes onder controle te hebben. Ze heeft een ex-man Tommy, haar eerste echtgenoot, met wie ze 2 dochters heeft en inmiddels ook kleinkinderen. Allen wonen ze in Chicago waar Tommy geboren en getogen is. Sylvia bleef in Amsterdam.

De feiten zijn belangrijk in het boek, maar veel interessanter zijn de beschrijvingen die Maria Stahlie geeft van het innerlijk leven van Sylvia. Door de toevallige ontmoeting met Lucien, alcoholist, ziet er uit als een landloper en heeft een abces in z’n kaak, zijn deze twee voor deze ene dag tot elkaar veroordeeld.  Het Griekse bijgeloof zegt dat na vijf jaar de botten moeten worden opgegraven om te kijken of de zonden van de overledene zijn vergeven. Behalve veroordeeld tot elkaar zijn de twee ook lotgenoten doordat ze beiden een geheim op te biechten hebben.

Mystiek speelt een belangrijke rol in het verhaal, zo maakt een ontmoeting met een vriendelijke monnik grote indruk op Sylvia. Tijdens een klassenuitstapje naar een contemplatief klooster maakte ze kennis met  “de staat van de hogere verwarring”, een staat van fascinatie en tegelijkertijd angst om voorbij grenzen te gaan: “Haar blik was naar binnen gericht en in haar binnenwereld heerste geen hogere verwarring maar ontreddering.”

Mythologische en Bijbelse ( “Come forth, Lazarus, come forth !” ) verwijzingen geven het verhaal een extra lading. Zoals  in de beschrijving van zes reigers aan de rand van de dodenakkers. In de tijd van de Farao’s was de reiger het symbool voor vernieuwing.

De terloops genoemde ex-man Tommy speelt een belangrijke rol, hij is muzikant en is in Nederland voor een optreden met zijn band. Het lichtvoetige ritme van de taal  gaat aan het einde van het boek over in een extatisch ritme. De muziek maakt iets los in de harten van de mensen en zorgt voor een adembenemend slot. Een schitterend intiem boek met surrealistische elementen.

Eerder verschenen op metdeneusindeboeken.blogspot