De dronken kanarie

Een Toonbare Causerie

[Recensie] Over Jan Gerhard Toonder moet altijd even gemeld worden dat hij de broer is van Ollie B. Bommel en lange tijd op Ibiza gewoond heeft of er misschien nog wel woont. Eventueel zou je nog een grapje kunnen maken over de Nederlandsche bank betaalt aan. Toonder heeft een slordige twintig boeken moeten schrijven voordat ik er één las, het is dieptreurig, maar dit soort dingen moet je eerlijk bekennen, vind ik. Het heeft natuurlijk wel het voordeel dat ik geheel fris tegenover Toonders schrijversschap sta, en de kennismaking is me uitstekend bevallen. De dronken kanarie is géén roman of verhalenbundel, maar een lange causerie, losjes onderverdeeld in elf hoofdstukken.

Het is moeilijk om vast te stellen wat Toonder nu eigenlijk precies wil betogen, maar het gaat vooral om de absurditeiten van het Leven als Zodanig, lijkt me, en dat is een zeer ruim kader waarbinnen hij allerlei anekdotes, wetenswaardigheden, eigen ervaringen en opinies kwijt kan. Dat gaat nogal van de hak op de tak, zodat de schrijver af en toe zichtbaar – maar niet zonder moedwil – de draad kwijtraakt als hij in een verhaal is beland dat hem automatisch doet denken aan een ander verhaal dat eigenlijk niets met het betoog te maken heeft, maar te mooi is om te laten schieten. Enkele pagina’s verder herneemt hij zich dan bijvoorbeeld met een resoluut ‘dat verhaal over Berlijn moet even af anders blijft er een verkeerde indruk over’, en vat de draad van het verhaal weer op.

Deze losse trant leidt tot een boekje dat nergens stagneert en waarin Toonder ondanks de ironische toon toch nog veel weemoed en bitterheid kan lozen. Schrijftechnische huzarenstukjes ontbreken niet. Zo slaagt hij erin om een nachtuitzending van Hilversum III (Joop van Tijn vraagt bekende Nederlanders wat ze deden op het moment dat ze hoorden dat Kennedy vermoord was) te combineren met een beschrijving van de inhoud van een Amerikaanse bestseller die hij tijdens de uitzending leest, en daartussendoor nog wat eigen herinneringen te verwerken.
Ik mag natuurlijk geen verkeerde indruk wekken. Dit is geen boek dat als een bom zal inslaan, niet gemist mag worden, je leven op een nieuw spoor zet. Het is gewoon een erg leesbaar boek, een personality show van iemand die na 60 jaar leven wel wat te vertellen heeft. En voor wie net als ik het proza van Toonder nog niet kende is het volgende voorbeeld misschien nuttig:

“Dat wat ik daarnet over Mussert schreef moet ik even afmaken, want ik heb eens een stukje film gezien van zijn executie. Die gebeurt kort na het aanbreken van de dag op een miserabele binnenplaats waar de zon nooit doordrong – dat kon je zien – en waar geen grasspriet kon groeien. Terwijl hij door een grote marechaussee tegen de muur gezet werd, leek hij weinig meer op het vieve kereltje dat in zijn zwarte uniform zo parmantig kon stappen, de hand omhoog, toegejuicht door de duizenden zwarthemden op het Museumplein. Hij was nu een kleine man, moedeloos, in een verfrommeld burgerpak. God, wat hadden we een hekel gehad aan die man. Toen ze hem ruim een maand na de bevrijding eindelijk vonden zat hij bij kennissen thuis in een armstoel aardbeiden met room te eten. Het was aardbeientijd. Nu had hij zijn treurig proces achter de rug en al een hele tijd in de gevangenis gezeten, een deel daarvan allen maar om op deze ochtend te wachten. Nadat hij tegen de muur was gezet, stapte de grote marechaussee opzij, en we kregen een close-up van hem te zien. Hij had niet geslapen die nacht, dat was duidelijk, en hij had zich ’s ochtends niet geschoren. Je vroeg je af of de gevangenis -autoriteiten hem dat niet aangeboden hadden, om tenminste gladgeschoren dood gemaakt te worden, maar msschien had niemand dat de moeite waard gevonden, hij ook niet. En toch, je kon zien dat hij nog even zijn best deed. Hij ging wat rechter staan en probeerde zijn gezwollen oogleden wijder te sperren, zijn mond vastberaden te trekken. Dat met die mond werd niets, dat werd zo’n valse zenuwglimlach als Oswald ook op zijn gezicht had net voordat Ruby hem dood maakte. Het was een brede mond. Nu hij de lefpet niet op zijn kalende, te korte hoofd had, leek hij eigenlijk op een kikker, en dat was het laatste dat we van hem zagen. Het schieten en het vallen en zo, dat hadden ze van de film afgesneden. Waar je mee wegkwam, eigenlijk, dat was het beeld van die marechaussee met zijn sjako met kokarde, en glinsterende nestelkoorden krijgshaftig op de stoere, met zilveren tressen versierde borst; een heel grote man, die dat burgertje op zijn plaats zette.”

Eerder verschenen in NRC-Handelsblad en op www.hansvervoort.nl

De kunst van het observeren

Strategisch en kritisch denken door kijken naar kunst

[Recensie] Hoe kun je door de Waterlelies van Monet te bekijken je bedrijf miljoenen laten besparen en door Automat van Hopper te bestuderen de dief van je portemonnee identificeren? Het antwoord: kritisch kijken.

“Door aandachtiger te kijken leer je je gedachten te ordenen, strategisch en kritisch te denken, betere besluiten te nemen en empathischer te zijn.”

Zo belooft de achterflap van De kunst van het observeren van de Amerikaanse Amy E. Herman. Herman is advocate en kunsthistorica. Jaren geleden ontwikkelde ze de training The Art of Perception voor studenten geneeskunde. Toen de training succesvol bleek te zijn, heeft ze deze verder uitgewerkt en ook gegeven aan onder andere de opsporingsdienst FBI, de New Yorkse politie NYPD, het Departement van Binnenlandse Veiligheid Homeland Security, officieren van justitie en andere ordehandhavers. Hoe kan het dat een dergelijke training zo effectief is? En hoe is het mogelijk dat een dergelijk divers gezelschap profijt kan hebben van dezelfde training? Dat lees je in De kunst van het observeren. In de publicatie neemt Herman de lezer mee in haar training. Ze geeft vele voorbeelden, maar ook tal van oefeningen. Wanneer je als brave lezer deze ook daadwerkelijk uitvoert en niet alleen statisch het boek leest – wat overigens ook zeer vermakelijk is – zal je merken dat De kunst van het observeren je bewuster maakt van je omgeving en je meer details laat ontdekken.

Aan de hand van kunstwerken zorgt Herman dat de lezer zijn of haar waarneming, inzichten en communicatievaardigheden verbeterd. Waarom kunst? Omdat het volgens Herman niet wegloopt. Wanneer je menselijk gedrag bestudeerd in een openbare ruimte kun je gissen wie iemand is of waar hij naar toegaat. Als degene die je bestudeerde vertrekt, zal je nooit weten of je speculaties juist waren. Kunstwerken worden al jaren bestudeerd en van vele kunstwerken zijn analyses gemaakt met tal van antwoorden op vragen als het wie, wat, waar, wanneer en waarom.

“Als je kunt praten over wat zich in een kunstwerk afspeelt, kun je ook praten over situaties in het dagelijks leven.” (p. 31)

“Kunst is net als het echte leven, niet altijd mooi.” (p. 235)

Herman legt uit dat kunst het ideale studieobject is. Iedereen kan het namelijk bestuderen, ook als je geen kunsthistoricus bent. Voor Herman gaat het namelijk niet om het bestuderen van de techniek of geschiedenis achter het stuk, maar wat we (denken te) zien, kunst als visuele data. In De kunst van het observeren gebruikt Herman afbeeldingen van schilderijen, beeldhouwwerken en foto’s als middel om de manier waarop de lezer tot voor kort naar de wereld keek, te heroverwegen. Om de lezer op weg te helpen in het aandachtiger kijken, heeft ze haar boek onderverdeeld in een aantal delen die elk een kernbegrip van de kunst van het observeren behandelen. In het eerste deel gaat ze in op het ‘beoordelen’. Hierin leert de lezer op een efficiënte en bovenal objectieve manier observeren. In het tweede deel staat het ‘analyseren’ centraal. De lezer leert de te waarnemen zaken te prioriteren, patronen te herkennen en wordt zich bewuster van het verschil tussen waarneming en gevolgtrekking. Het derde deel focust op het ‘formuleren’, oftewel het onder woorden brengen van het geobserveerde. In het vierde deel gaat Herman in op het ‘aanpassen’, oftewel hoe de drie eerste kernbegrippen ons gedrag kunnen beïnvloeden.

“We beschikken allemaal over het talent om te observeren en ontdekkingen te doen die tot grotere dingen zullen leiden op allerlei gebieden, maar we moeten eerst bereid zijn te zien.” (p. 42)

Aan de hand van verschillende voorbeelden laat Herman zien dat je niet bijzonder of hoogbegaafd hoeft te zijn om inventief te zijn. Volgens Herman heeft inventiviteit dan ook meer te maken met ‘ontdekken’ dan met ‘creëren’. Zo neemt ze als voorbeeld Derreck Kayongo die tijdens het douchen in een hotel ontdekte dat er na een dag een nieuw zeepje was klaargelegd, terwijl het oude nog niet op was. Bij de receptie vroeg hij wat er met het oude zeepje was gebeurd. Hij vernam dat alle zeepjes elke dag vervangen worden door nieuwe zeepjes en dat de oude worden weggegooid. Kayongo vond dit zonde en ontwikkelde uiteindelijk een recyclingprogramma waarbij na het wassen van de zeepjes deze werden gebruikt in vluchtelingenkampen.

Om bewuster te zien, geeft Herman uiteraard niet alleen inspirerende voorbeelden, maar biedt ze ook handgrepen in de vorm van strategieën. Eén zo’n strategie is de COBRA-techniek. Herman noemt de techniek COBRA omdat een cobra een ingebouwde nachtkijker heeft en zijn prooi al van honderd meter afstand kan zien. De verschillende letters van het woord COBRA staan elk voor een stap in het aandachtig observeren.

“Zoek vooral naar dingen die camouflaged / verborgen zijn; concentreer je op one één taak, namelijk kijken, neem een break pauze, en ga weer verder met onderzoeken, realign zet je verwachtingen op een rijtje, en ask / vraag iemand om met je mee te kijken.” (p. 130)

Al met al kan ik De kunst van het observeren van harte aanbevelen. Herman weet als geen ander op inspirerende wijze de lezer bewust te maken van het letten op details en het aandachtiger kijken naar alledaagse zaken. Met haar zeer aangename schrijfstijl leest het boek als een ware page turner, daarbij heeft Herman er een prettige mix van fascinerende voorbeelden en handige tips van gemaakt die de lezer zeker zullen helpen anders en vooral ook aandachtiger te observeren. De kunst van het observeren doet zijn naam eer aan!

Eerder verschenen op Hereditas Nexus

Karel de Grote in Nijmegen

Prachtig geïllustreerd boek over de middeleeuwse vorst in Nederland

[Recensie] Karel de Grote in Nijmegen vertelt over de geschiedenis van Nijmegen als keizerstad en de bezoeken die Karel de Grote aan de stad bracht. Het boek is een bewerkte en uitgebreide heruitgave van deel 2 van De 20 dagen van Nijmegen (Zwolle 2005). De tekst is afkomstig van de Nijmeegse stadsarcheoloog Jan Thijssen. In opdracht van de Gemeente Nijmegen werd het werk heruitgegeven. Deze bewerking is van de hand van Hettie Peterse. Kunsthistorica Hettie Peterse is jarenlang werkzaam geweest als monumentenadviseur. Momenteel is zij senior beleidsadviseur cultuurhistorie bij de Gemeente Nijmegen en docent aan de Academie van Bouwkunde in Arnhem. De heruitgave van Karel de Grote in Nijmegen verschijnt in het kader van het Francia Media, een project waarin negen Europese landen samenwerken om de betekenis van Karel de Grote en zijn erfenis toegankelijk te maken voor een groot publiek.

Het is geen toeval dat Karel de Grote in Nijmegen in 2014 werd uitgegeven. Dit jaar was het namelijk 1200 jaar geleden dat Karel de Grote overleed: op zaterdag 28 januari 814 stierf Karel de Grote in zijn Akense palts ‘Aquispalatium’. Voor Nijmegen, bijgenaamd de Karelstad of Keizerstad, heeft Karel de Grote extra aantrekkingskracht. Zoals in het werk duidelijk wordt, bezocht Karel de stad met enige regelmaat. Ook bouwde hij op de resten van de Romeinse vesting een paleis, het latere Valkhof. Door de eeuwen heen is het Valkhof meerdere malen verwoest, waaronder door de Noormannen. Desalniettemin verrees het toch steeds weer uit de as.

In het werk wordt aandacht besteed aan twee thema’s: de bezoeken die Karel de Grote bracht aan Nijmegen en de geschiedenis van Nijmegen als keizerstad. In dit eerste deel wordt aandacht besteed aan de herhaaldelijke reizen die Karel maakte, onder andere naar Nijmegen.

‘Karel maakte ieder jaar een rondreis door zijn rijk (…) De macht van de koning wordt slechts daar gevoeld, waar hij die ook kan laten zien. Tijdens de rijks- of landsdagen ontmoet hij de verzamelde edelen uit de streek en legt hij hen zijn besluiten en wetten voor.’ (p. 7-8)

In dit eerste deel wordt naast de bezoeken van Karel de Grote aan de stad ook aandacht besteed aan een archeologische vondst van aardewerk uit de Karolingische periode bij de Villa Waalheuvel in Ubbergen. In een aparte kadertekst krijgt de lezer extra informatie over deze vondst en de historische betekenis hiervan. Door het gehele boekje heen zijn verschillende kaderteksten te vinden die de lezer aan de hand nemen middels verdiepende teksten over archeologische opgravingen, historische locaties en objecten.

In het tweede en grootste gedeelte van het boekje staat Nijmegen als keizerstad centraal. In een notendop worden in de hoofdstukken de volksverhuizingen, Merovingische vorsten en de invasie van de Noormannen behandeld.

Karel de Grote in Nijmegen is een fraai werk waarin in vogelvlucht door de geschiedenis van de stad wordt gegaan. In zo’n vijftig pagina’s wordt in woord en beeld het verhaal verteld van het bezoek van Karel de Grote en een aantal plaatsen in Nijmegen, waaronder het Mariënburg, de Sint-Gertudiskapel, de Grotestraat, de Sint-Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel of de Barbarossaruïne. Dit werk is echter niet alleen interessant voor de Nijmegenaar omdat het een deel van de geschiedenis van de stad belicht, maar ook voor de doorsnee Nederlander. Nijmegen heeft door de geschiedenis heen namelijk een belangrijke rol gespeeld, niet alleen tijdens de regeerperiode van Karel de Grote, maar ook ten tijde van de Duitse keizer Frederik Barbarossa.

‘Zijn (lees: Barbarossa) grote voorbeeld was Karel de Grote, die op aandringen van Barbarossa heilig werd verklaard. In 1155 (…) besloot de keizer om een aantal vervallen Karolingische paltsen, waaronder Nijmegen, in oude luister te herstellen.’ (p. 45)

Dit werk biedt geen grondig onderzoek naar de historie van Nijmegen en Karel de Grote. Het pretendeert dit ook niet, het is bedoeld als publieksboek. Als publieksboek voldoet het aan alle verwachtingen. Het boek is rijkelijk geïllustreerd en bevat informatieve kaderteksten die over specifieke onderwerpen iets meer detail bieden. Daarbij is het werk toegankelijk en aantrekkelijk geschreven waardoor het een goede eerste kennismaking biedt met de geschiedenis van Karel de Grote en Nijmegen.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus

Vechten voor het beloofde land

Nederlanders in de Amerikaanse Burgeroorlog

[Recensie] De Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) was een mensenlevensverslindende gebeurtenis. Het bloedigste conflict dat vermoedelijk ooit op Amerikaanse bodem is uitgevochten leverde maar liefst 600.000 doden op. Schrijnend is dat tweederde daarvan niet stierf in de strijd, maar ten gevolge van ziektes en door de ontberingen in de krijgsgevangenkampen.

Ook nieuwe landgenoten vochten mee in de oorlog. Duitsers, Ieren en ook Nederlanders. Ze vormden soms hele regimenten. In totaal waren een half miljoen mannen onder de wapenen die niet in de Verenigde Staten geboren waren. Tussen 1840 en 1860 vestigden zich bijvoorbeeld zo’n twintigduizend Nederlanders in de Verenigde Staten. Enkele honderden Nederlandse jongens die als kind met hun ouders meegekomen waren naar hun nieuwe vaderland, gaven gehoor aan de oproep van president Lincoln aan alle mannen tussen 18 en 45 om zich te melden voor het leger van de Unie. We weten slechts van een enkeling dat hij gediend heeft in het leger van de zuidelijke staten, De Confederatie.

Het conflict draaide om inzet of de jonge Amerikaanse staten verenigd zouden blijven. De zuidelijke staten wilden zich afscheiden, mede om op die manier de slavernij in stand te kunnen houden. Het waren strijdpunten met een economisch fundament, maar ze getuigden ook van een diep geworteld verschil in mentaliteit dat op de dag van vandaag soms nog uiterst pijnlijk merkbaar is de VS.

De Nederlanders die dienst namen zaten overwegend in de regimenten van Michigan, Iowa, Wisconsin en New York. Ze woonden in dorpen met namen als Holland en Overisel. Deze twee nederzettingen werden gesticht door Nederlanders die het vaderland verlieten omdat ze dachten dat dit te gronde zou gaan aan moreel verval. Binnen hun kerkgemeenten raakten ze, met hun orthodoxe standpunten, geïsoleerd. Dan volgde de weg zo oud als de Pilgrim Fathers en trok men over de oceaan, soms met honderd en meer tegelijk. Na een oncomfortabele reis volgden eerste jaren vol aanpassingsproblemen, zoals in het gehucht Holland waar de immigranten ontdekte dat ze onvoldoende kennis hadden van hun nieuwe omgeving en over verkeerde gereedschap beschikten. De lokale bevolking, de Indianen, moesten de nieuwkomers wegwijs maken. Anders hadden ze het mogelijk niet overleefd.

Men vormde gesloten gemeenschappen waar het Nederlands de voertaal bleef. Velen spraken zelfs geen of nauwelijks Engels.

Gerrit van Zwaluwenberg meldde zich op 10 mei 1861 in Kalamazoo als vrijwilliger voor het tweede regiment Infanterie van Michigan. Na twintig veldslagen raakte hij gewond tijdens de Slag van de Wilderness in 1864. Een kogel verbrijzelde zijn arm zodanig dat amputatie de enige uitweg was. Gerrit had de pech gewond te raken op een dag dat er 12.000 gewonden vielen. De ziekenboegen waren overvol en de artsen overbelast. Er trad infectie op en die werd Gerrit fataal.

Peter Gunst kwam in de I-compagnie van hetzelfde regiment terecht. Hij raakte twee keer gewond. De tweede keer werd zijn vinger en een deel van zijn gezicht weggevaagd, waardoor hij ook zijn rechteroog verloor. Hij was daarna niet meer geschikt voor actieve dienst, maar werd ingezet voor de bewaking van het militair hospitaal van Washington DC. Daardoor was hij op 14 april 1865, tijdens een avondje uit naar het theater, getuige van de moord op president Lincoln. Jan Douma, een andere Nederland, ingelijfd bij het 24e regiment, liep later wacht bij het graf van de president en hoorde begin jaren dertig van de twintigste eeuw tot de laatste overlevenden die zich de begrafenis nog van nabij had meegemaakt.

Vreselijk was het lot van hen die krijgsgevangen raakten. In het begin van de oorlog werden nog gevangenen geruild en kon men daardoor relatief snel vrij komen. Later waren vooral in het zuiden de omstandigheden gruwelijk, om na maar te zwijgen van het lot van zwarte krijgsgevangenen. Die vonden allemaal de dood of ze nu in handen vielen van blanken of Indianen. Het gerechtshof van Arkansas legitimeerde die handelswijze: “Zij ( de moordenaars) hebben juist gehandeld. Wij kunnen gewapende negers niet als krijgsgevangenen behandelen, zonder het sociale systeem, waarvoor wij staan, te vernietigen.”

Maar ook de Nederlandse jongens die het overkwam gevangen genomen te worden, hadden het zwaar. Frederick Rammelkamp, die zich in zijn nieuwe vaderland Rankes noemde, schreef na zijn vrijlating: “Lieve ouders, ik zou jullie iets moeten vertellen over mijn verbeterde situatie, maar dat brengt bij mij zulke gruwelijke en menselijke ellende naar boven dat ik daar liever van af zie als ik dat zou kunnen…”

Dr. Bernard van de Kieft, een gevierd legerarts die samen met zijn vrouw zich inzette voor onder meer teruggekeerde krijgsgevangenen, gaf aan dat hij liever in handen van de Chinezen op Borneo viel dan in een kamp van de Confederatie terecht te komen. Hij was arts in Nederlands Indië geweest. We mogen aannemen dat hij wist waarover hij het had. Overigens verloren zowel deze arts als zijn vrouw uiteindelijk het leven door opgelopen infecties.

Wim van de Giesen (1945) studeerde bestuurswetenschappen en houdt zich sinds enkele jaren bezig met historisch onderzoek naar Nederlanders in de burgeroorlog. Het boek geeft uitgebreide lijsten van bijvoorbeeld alle jongens en mannen die hij heeft kunnen achterhalen met hun regiment. Van de Giesen baseert zich op bronnenonderzoek, voor een groot deel via websites als www.hollandersinamerika.nl. De brieven die hij heeft gebruikt geven, buiten de enkel foto’s die in het boek zijn opgenomen, het verhaal een gezicht. Maar wie waren de mannen, die ‘desnoods de hoogste prijs’ wilde betalen, zoals Van de Giesen het keer op keer noemt in zijn boek. (Ik neem aan dat hij zich hiervoor heeft laten inspireren door de hymnes waarin gesproken wordt over the final sacriface.) Ze blijven vaag deze mannen, net als de omgeving waaruit ze kwamen, de dorpen met de Nederlandse namen, waar je zuurkool at en het brood op zijn Hollands gebakken werd.

Van de Giesen heeft wel prima voorzien in een handzame geschiedenis van de Burgeroorlog, een historische gebeurtenissen die Nederlandse lezers over het algemeen minder feitelijk op hun netvlies hebben dan de Amerikanen. Hij verbindt de algemene geschiedenis kundig met de verslagen over wat de individuele Nederlanders overkwam. Van menigeen heeft hij ook nog heel kort aangegeven hoe hun leven na de oorlog verliep. Van de Giesen kan helder schrijven, al neigt hij naar het pathetische. Zijn boek is uiterst leesbaar. Ik vind het jammer dat hij geen hoofdstukje heeft opgenomen met een verslag van zijn onderzoek. Ondanks een trefwoordenregister en 150 voetnoten is de wetenschappelijke verantwoording een beetje mager.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

De Vliet langs Leidschendam en Voorburg

Een tijdschrift op salontafelformaat

[Recensie] De Vliet is het kanaal dat langs Voorburg en Leidschendam naar Leiden voert. Nu is hij nog in beperkte mate van belang voor de beroepsscheepvaart, maar vooral in trek bij de pleziervaart tussen Leiden en Delft. De bewoners van Voorburg-Leidschendam passeren het water over de bruggen en de sluis, wandelen en vissen, spelevaren en zwemmen langs, in en op het water. Ook Kees van der Leer, de lokaal expert wandelde langs het water. Hij schreef er, samen met andere liefhebbers, een boek over.

Veel steden hebben historische verenigingen. In Leidschendam-Voorburg is het niet anders. Een keur aan mogelijkheden is er voor belangstellenden om zich in groepsverband aan de studie van het verleden te wijden. De Historische Vereniging Voorburg doet dit al een kwart eeuw en maakte, ter gelegenheid van dit jubileum een speciale uitgave van haar tijdschrift: een boek over de geschiedenis van de Vliet op deze plek. Van de prehistorie tot het recent verleden worden behandeld. Geologie en lokale flora komen aan bod. De nadruk ligt op de, deels anekdotische verhalen over negentiende en vroeg twintigste eeuw. De materiële cultuur langs het water is startpunt van het historisch onderzoek. In deze accenten toont zich de meesterhand van Kees van der Leer, die al eerder een respectabel aantal publicaties op zijn naam bracht.

In dit boek neemt hij de lezer mee op drie wandelingen langs de Vliet. Stelselmatig behandelt hij de geschiedenis van alles wat hij tegenkomt. Hij loopt langs de Vliet,van het natuurgebied de Vlietlanden tot de brug op de grens van de gemeente Rijswijk. De kennis van Van der Leer lijkt schier onuitputtelijk, al ligt er een flinke nadruk op de levens van de welgestelden. Voorburg heeft dan ook een aantal mooie buitenhuizen langs de Vliet staan. Ooit woonde prinses Marianne (1810-1883), de zuster van koning Willem II, hier. Koningin Wilhelmina kwam er schaatsen en liet haar lingerie reinigen bij de plaatselijke wasserij, die, in die tijd, natuurlijk nog heerlijk zijn afvalwater loosde op de Vliet. Constantijn Huygens en zijn zoon, de geniale wiskundige Christiaan, hadden hier in de zeventiende eeuw hun buiten, Hofwijck.

Nu hebben de huizen over het algemeen andere bestemmingen gevonden, van appartementencomplex tot kantoor of kinderhuis. Hofwijck is een museum, in een ander buiten zit een restaurant.

Kunstenaars waren er ook. In het boek zijn mooie afbeeldingen opgenomen van de kunstzinnige familie De la Fargue en tekenmeester Lutgers. Nog opmerkelijker vond ik de portretten van de zusters Johanna en Adriana Bleuland van Oordt, die begin twintigste eeuw poseren in hun atelier. Dichters Aart van der leeuw en Bertus Aafjes vertoefden aan de Vliet. De eerste woonde hier en ligt in Voorburg begraven.

Voorburg was reeds in de Romeinse tijd een belangrijke plek. Het kanaal van Corbulo liep gedeeltelijk op de plek waar nu de Vliet is. Vanaf de negentiende eeuw is hier archeologisch onderzoek gedaan. In dit boek wordt daar relatief weinig aandacht aan besteed. Dat is begrijpelijk: de materiële resten van de Romeinen zijn minder zichtbaar dan die van een negentiende-eeuwse prinses. Daarnaast moet men het oogmerk van dit boek in de gaten houden. Het is het jubileumboek van de historische vereniging. Dan moet men niet in het vaarwater komen van de plaatselijke archeologische werkgemeenschap.

In de Gouden Eeuw al, de tijd dat Huygens op Hofwijck zijn weekenden doorbracht, was de Vliet een belangrijke industriële ader. We denken dat er wel tweehonderd schepen per dag over de Vliet voeren. Het was trekvaart voor personen vervoer, maar ook voedsel en industriële goederen kwamen en gingen over het water. Een groot aantal molens getuigt daarvan. Wiard Beek schreef een mooi hoofdstuk over de eerste windmolens ter plaatse.

In de negentiende eeuw kwamen er de fabrieken bij, relatief kleine bedrijven. De klasse met vrije tijd en een beetje geld te besteden werd groter. Er verschenen uitspanningen en bootjes verhuurbedrijven. Een mooi hoofdstuk, van Constance Scholten, is gewijd aan de koepeltjes die langs de Vliet staan en stonden, vaak in de achtertuinen van de buitens. Belangrijk zijn de bruggen en sluizen. Twee hoofdstukken, Idsard Bosman en Hans van Rossum, getuigen daar van. Maar wie niet van lezen houdt, of even geen tijd heeft, kan zijn ogen de kost geven. Honderden foto’s en landkaarten zijn opgenomen. Historisch materiaal is aangevuld met hedendaags, foto’s als kalenderplaten van Charles Groeneveld.

Pronkstuk van het boek is echter een kaart van de Vliet uit 1522. Directeur van het Museum Swaenstein, Peter van der Ploeg , vond de kaart in het stadsarchief van Delft. De kaart, waarvan men claimt dat het de oudste kaart van de Vliet moet zijn,is schitterend gereproduceerd op een uitklapvel aan de binnenkant van de kaft van De Vliet langs Leidschendam en Voorburg.

Beroeps historici kijken wel eens neer op dit type geschiedschrijving. Gelukkig wordt de kloof tussen academische geschiedschrijving en dit type onderzoek de laatste jaren een beetje gedicht. De hoge kwaliteit van werken als het hier besproken boek zijn daar debet aan.

Het onderwerp, in al zijn veelzijdigheid, is op de eerste plaats aardig voor de inwoners van de plaatsen en zij die de geschiedenis of archeologie van de naaste omgeving tot hun studie-object hebben. Maar het belang gaat wel verder. Ook als voorbeeld van hoe steden, dorpen en rivieren veranderen en hun functies vervullen door de tijd, is dit boek te raadplegen. Een groot aantal verhalen zijn exemplarisch voor hoe het elders ging. Tenslotte is dit een aardig boek voor wandelaars en fietsers. De groeiende hoeveelheid literatuur op dit gebied, kan een boek als dit er goed bij gebruiken, zelf wanneer het boek te zwaar is om op je wandeling mee te nemen.

Waar ik zelf, als historicus, dan nog van droom? Een boek met een trefwoordenregister. Dat is één. Maar hoe leuk zou het ook zijn wanneer in werken als dit de amateurs en de wetenschap de handen in een zouden slaan. Een boek waarin ook de aard van de plaatselijke industrie wordt afgezet tegen die van de regionale ontwikkeling in, noem eens wat, de zeventiende eeuw. Dat zou ik best willen lezen. Een inventarisatie van de plaatselijke industrieën in de negentiende eeuw staat ook op mijn verlanglijstje. Kortom, de Historische Vereniging kan nog jaren voort. En bel ook eens met de nabijgelegen universiteit van Leiden. Daar kun je heen wandelen. Langs de Vliet.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Het boek is o.a. te koop bij Huygensmuseum Hofwijck en bij Museum Swaensteyn
ISSN: 1381-4672

Kinderen van de repressie

Dat de repressie een anti-Vlaamse maatregel was is onzin

De Gentse historicus Koen Aerts lag aan de basis van de succesvolle tv-reeks Kinderen van de collaboratie. Vandaag wordt in het Vlaams parlement zijn boek voorgesteld waarvan de reeks een spin-off was: Kinderen van de repressie.

[Interview] Wat hebben schrijver Jeroen Olyslaegers, politicus Björn Rzoska, kardinaal Godfried Danneels, fotograaf Michiel Hendryckx en historicus Herman Van Goethem gemeen? Dat zij kinderen van de repressie zijn, mensen die rechtstreeks of via hun ouders of grootouders na WO II gestraft zijn voor het verleden. Naar schatting 100.000 burgers zijn na de oorlog gestraft door de Belgische staat omwille van collaboratie met de Duitse bezetter. Velen daarvan hadden een gezin, wat het totaal aantal getroffenen ergens tussen de 300.000 en 400.000 brengt.

Straffen gebeurde op vier manieren. Je vrijheid kon je ontnomen worden, van administratieve maatregelen en internering, over voorlopige hechtenis tot gevangenisstraf en uiteindelijk zelfs de dood. 242 mensen zijn geëxecuteerd, waarvan 237 Belgen. Ook je burgerlijke en politieke rechten konden je ontnomen worden, of zelfs je nationaliteit. Mensen die tot vijf jaar of meer veroordeeld werden maar zich onttrokken aan het gerecht viel dit te beurt. De redenering was dat wanneer je niet bereid was verantwoording af te leggen voor je land het ook niet waard was om er de nationaliteit van te dragen. Een derde manier van straffen was het uitvaardigen van vermogenssancties, allerlei vormen van verbeurdverklaringen, boetes, schadevergoedingen en speciale belastingen. En tenslotte bestond er ook nog een hele reeks uitsluitingen, van je sociale rechten bijvoorbeeld. Na de oorlog wordt de sociale welvaartstaat opgebouwd. Mensen die verdacht werden van collaboratie konden uitgesloten worden van bijvoorbeeld pensioenrechten of kinderbijslag.

Historicus Koen Aerts, de man achter de tv-reeks Kinderen van de collaboratie, schreef een boek waarin hij focust op de gevolgen van die repressie, voor de kinderen, maar ook breder, politiek-economisch en ideologisch, want het huidige succes van NVA zou er wel eens een verre uitloper van kunnen zijn. Kinderen van de repressie heet het boek dat in tegenstelling tot de tv-reeks geen getuigenissencarroussel is waarin een massa mensen aan het woord komt, maar wel een wetenschappelijke analyse van die getuigenissen.

Zoals het een nuchtere wetenschapper betaamt, begint Aerts meteen met het ontkrachten van een mythe, dat de repressie lang en meedogenloos was. “Dat verhaal,” zegt hij, “werd vooral in kringen van flaminganten verteld om er politiek gewin uit te halen. De Belgische staat was wraakzuchtig en anti-Vlaams en diende dus zo snel mogelijk gedumpt te worden. In realiteit werd de repressiesoep helemaal niet zo heet gegeten als ze werd opgediend. Al heel snel werden op grote schaal sancties afgebouwd, niet alleen gevangenisstraffen, maar ook rechtelijke, ad hoc commissies gaven burgerrechten terug en bouwden schadevergoedingen af.”

Waarom gebeurde dat?

“Daar waren verschillende redenen voor. Ten eerste was het niet aangewezen om een groot deel van de bevolking uit de gemeenschap te stoten en er tweederangsburgers van te maken. Electoraal was men op zijn hoede voor de macht van een groep misnoegden. Er waren ook economische overwegingen. Je kan bijvoorbeeld niet alle aannemers naar de letter van de wet bestraffen zonder je land economisch te schaden. En dan waren er ook nog praktische overwegingen, zoals een tekort aan gevangenispersoneel en gevangenissen tout court. Er zijn veel doodstraffen uitgevoerd, zeker in vergelijking met onze buurlanden, maar de ministers van justitie namen al heel snel de liberale traditie weer op en schonken meer en meer genade. Halverwege de jaren 1960, amper twintig jaar na de oorlog, waren de meeste zware criminelen alweer op vrije voeten. Er is maar een man die tot het einde van zijn leven heeft vastgezeten, Richard De Bodt, de beul van Breendonk. Die mannen kwamen vrij na een periode die wij ons niet kunnen inbeelden. Ik vergelijk dan wel eens met Freddy Horion. Die man zit al meer dan dertig jaar vast, schuldig aan een zesvoudige moord. Halverwege de jaren 1960 kon je in Gent bediend worden door een kelner die de mitrailleur hanteerde bij het afmaken van 5000 Joodse vrouwen aan de Baltische Zee. Amper twintig jaar na de feiten was hij op vrije voeten. Ik wil daarmee niets zeggen over Horion, daar gaat het me niet om, maar wel over het structurele herstel- en correctiebeleid van de bestraffing na de oorlog. Op individueel niveau is er dus wel degelijk zachtheid aan de dag gelegd, maar dat heeft men in bepaalde kringen altijd verdonkeremaand, om de amnestie-eis levend te houden.”

Werd er over de taalgrens even hard gesanctioneerd?

“Tegen de algemene opvattingen in zie je dat er in Franstalig België veel strenger werd gestraft dan in Vlaanderen. Je kon dus beter als Oostfronter terecht staan in Gent dan in Luik en lokale VNV-leiders moesten doorgaans een veel kleinere schadevergoeding betalen dan lokale REX-leiders in Wallonië. Dat de straffen strenger waren aan Waalse kant heeft verschillende redenen. Sommigen menen dat het er in een geweldsopbod tussen collaboratie en verzet steeds wreder aan toeging. Die zwaardere vergrijpen leidden dan tot zwaardere straffen. Daar zit iets in, maar toch. Wij hadden hier in Vlaanderen toch ook de Kazerne Dossin en Breendonk, met Vlaamse bewakers, en in Vlaams-Brabant en Limburg had je net als in Franstalig België op het einde van de bezetting een quasi burgeroorlog waarbij verschrikkelijke misdrijven werden gepleegd, zoals in Meensel-Kiezegem. Ik denk dat de echte reden elders ligt. In Vlaanderen zorgde de verweving van de katholieke familie en het Vlaams-nationalisme voor een snellere morele rehabilitatie. Er was ook meer bereidheid tot collaboratie, wat leidt tot een mildere appreciatie van de normoverschrijding.

Dat de repressie een anti-Vlaamse maatregel was is dus onzin?

“Zeker. Als het gaat over de bestraffing door de overheid hebben we daarvoor geen enkele aanwijzing. Integendeel, in Franstalig België werden langere en zwaardere straffen gegeven. Dat België via de repressie wraak wou nemen op de Vlamingen is een na-oorlogse mythe die abstractie maakt van het feit dat de collaboratie zelf vooral een aanslag was op Vlaanderen. De collaboratie heeft niets te maken met het project Vlaanderen zoals we dat vandaag kennen, noch wat de meerderheid van de Vlamingen toen wenste. Een absolute minderheid grijpt de macht met behulp van een dominante bezetter die de burgerlijke en politieke vrijheden bij het groot huisvuil zet. ’s Avonds diende je op tijd thuis te zijn en je zag mensen afgevoerd worden die nadien nooit meer terugkwamen. Uiteraard moet je een onderscheid maken tussen de bestraffing door de staat en de bestraffing door de straat, maar ik vind het heel frappant dat het beeld van de Vlaamse collaborateur als martelaar bij sommigen nog steeds overeind staat en dat ze de repressie veralgemenend nog steeds kenmerken als het feest van de haat in plaats van vier jaar bezetting, angst, doden en ellende.”

Wie werd er het hardst getroffen door de repressie?

“Dat was in Vlaanderen anders dan in Wallonië. We weten uit een rapport uit 1946 dat in Vlaanderen meer mensen uit het overheidsapparaat en met vrije beroepen werden gestraft, terwijl het in Wallonië in verhouding eerder om lagere beroepen ging. In Vlaanderen had je dus een andere sociologische samenstelling van de collaboratie. Dat maakte dat Vlamingen zich zwaarder gestraft voelden omdat zij harden een sociale declassering ervoeren omdat ze ook geen openbare functies meer mochten uitoefenen. Opeens was de VNV-onderwijzer die voor de oorlog een zeker aanzien genoot leraar af. Zulk een bestraffing komt zwaarder aan natuurlijk. De Vlaams-nationalistische ideologie kroop eind jaren 1940 weer recht en dan werd steevast verwezen naar een hele waslijst intellectuelen die na de oorlog vastzaten, zoals schrijver Filip De Pillecijn en componist Gaston Feremans. De repressie was een poging om de Vlaamse beweging te onthoofden, zei men. Maar men vergat daarbij nogal eens dat het hoofd van die Vlaamse beweging misschien niet voor niets vastzat en zich politiek zwaar had verbrand. Uiteindelijk zou hun verhaal het halen op dat van een grote massa kleine garnalen van wie de stem in de beeldvorming nauwelijks is gehoord. In Vlaanderen werd de collaboratie gepolitiseerd, terwijl dat in Wallonië niet zo was. Als onderzoeker worden wij daar ook mee geconfronteerd trouwens. Wie krijg je voor je microfoon of camera? Vaak zijn dat de mensen voor wie de collaboratie betekenisvol was in hun leven, terwijl er misschien zo veel meer zijn voor wie die weinig betekende omdat ze niet gepolitiseerd werd, zoals bij een grote proletarische onderstroom in Franstalig België.”

Opeens waren heel wat mannen verdwenen of mochten ze geen overheidsjobs meer uitvoeren. Leidde dat niet tot sociale drama’s?

“Collaboratie en repressie waren inderdaad hoofdzakelijk mannenzaken. Soms zaten mannen voor langere tijd vast. De vrouw diende het huishouden draaiende te houden en toen de man weer vrij kwam leidde dit soms tot spanningen. Het aantal scheidingen nam duidelijk toe in die periode, omdat de vrouw de broek niet meer wou uittrekken bijvoorbeeld of omdat de kinderen het gezag van hun vader niet meer tolereerden.”

Kinderen mochten soms ook niet meer naar school, schrijf je.

“Sommige scholen weerden inderdaad kinderen van collaborateurs, zoals Sint-Barbara in Gent. Andere werden dan weer concentratiescholen van ‘zwarte’ kinderen. Wanneer de beide ouders gevangen zaten, kwamen de kinderen in heropvoedingsinstellingen terecht waar het de bedoeling was hen een nieuwe burgerzin mee te geven. Dat leverde soms drama’s op die een heel leven aanhielden.”

Moeten we ons hierbij Sovjet- of Chinese toestanden voorstellen?

“Er moet nog veel onderzoek gebeuren naar de dagelijkse praktijken in die instellingen. Wat je wel zag was dat kinderen die nog nooit met criminaliteit in contact waren geweest opeens bij mensen terecht kwamen die daar wel in thuis waren. Voor en tijdens de oorlog behoorde je tot de elite en opeens zat je in de onderkant van de samenleving. Je voelde je verheven, had beter eten dan de rest, en van de ene dag op de andere zit je in de marge. En waarom? Omdat je vader en moeder iets verkeerds hadden gedaan of verdacht werden van collaboratie. Of omdat je naar een jeugdbeweging ging waarvan je de betekenis niet goed besefte.”

Wat deden mannen die uit de gevangenis kwamen en geen overheidsberoep mochten uitoefenen?

“De meesten zochten een job in de privé. Anderen maakten van hun uitsluiting een levensles, zoals André Leysen, die alleen maar in contact is gekomen met de jeugdrechtbank. ‘Wat mij niet kleiner maakt, zal mij alleen maar sterker maken,” zei hij. Living well is the best revenge dus, en als ze met een succesvolle zaak de Belgische staat het bewijs konden leveren schonk dat extra voldoening.”

Jan Peumans beweert dat er zonder de repressie geen sprake geweest zou zijn van de Volksunie of de NVA. Heeft hij een punt?

“Dat de repressie een belangrijke motor is geweest in het Vlaamse autonomiestreven is duidelijk. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het licenciaatsonderzoek van Bart De Wever dat toont dat er een continuïteit bestond tussen repressiegezinnen en kaderleden tijdens de pionierstijden van de Volksunie. De repressie leidde ook tot een Pax Flandrica, zoals ik dat graag noem. Ze verenigde alle mogelijke ideologische partities van de collaboratie tegen de gemeenschappelijke vijand: de Belgische staat. Grote en kleine collaborateurs vonden elkaar in de gevangenis en smeedden plannen voor de toekomst. Daar is de de voedingsbodem voor de Volksunie gelegd.”

Heeft de repressie de Vlaamse beweging ook niet verstard en negatief gemaakt? Het Vlaams Belang pleit bijvoorbeeld nog steeds voor amnestie. Hoe lang kun je blijven steken in het verleden?

“Dat is natuurlijk eigen aan het nationalisme, en zeker aan de meest extreme vorm ervan, dat je je identiteit sterk wil verankeren in en met het verleden. Je kan moeilijk zeggen dat het huidige succes van de NVA louter met het Vlaams-nationalisme van stamboomflaminganten te maken heeft. Dat steunt ook op de aantrekkingskracht van een specifiek economisch en migratieprogramma. Wat je wel ziet is dat heel wat coryfeeën van die partij afstammen van collaborateurs. Geert Bourgeois, onze Vlaamse minister-president had een collaborerende vader. De oom van Jan Peumans, voorzitter van het Vlaams Parlement en dus eerste burger van Vlaanderen, kwam tijdens de oorlog om bij een aanslag door het verzet. En dan is er voorzitter Bart De Wever natuurlijk, en de lijst is nog lang. Wat ik daar zeker niet mee wil zeggen is dat deze mensen geen democraten zouden zijn. Dat is iets heel anders. Sommigen denken bovendien volstrekt ten onrechte dat alle kinderen van collaborateurs automatisch ook een rechts-nationalistische koers zullen varen. Dat is niet zo. Bart Somers en Björn Rzoska zijn bijvoorbeeld ook (klein)kinderen van de repressie. Mensen zijn echt niet genetisch gedetermineerd om de ideeën van hun ouders over te nemen.”

Na het lezen van je boek heb ik een zaak duidelijk geleerd: blijf weg van extreme ideologieën.

“Inderdaad, en dat het wel degelijk de ideologieën zelf zijn en niet de bestraffing nadien die het grootste onheil aanrichten. Oorzaak en gevolg moet je altijd respecteren. Maar, zo mogelijk nog veel belangrijker: er is geen rechte lijn tussen ouders en hun kinderen. Ontzie die laatsten, hen treft nooit schuld.”

Eerder verschenen in De Morgen

De terugtocht

Een nieuwe visie op de dekolonisatie van Indonesië

[Recensie] De Jongs fascinatie voor de roerige dekolonisatieperiode is niet vreemd, in 1962 werd hij als dienstplichtig militair naar Nieuw-Guinea gestuurd toen de crisis met Indonesië richting het kookpunt steeg. Dit boek vormt een synthese van twee van zijn eerdere onderzoeken naar de periode van Indonesische dekolonisatie: Diplomatie of Strijd (1988) en Avondschot (2011). Het brengt dan ook in gebalde vorm De Jongs visie op de dekolonisatieperiode naar voren, samen met een aantal nieuwe inzichten van de auteur in de kwestie. In het historisch debat over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd kan De Jong geschaard worden onder de revisionisten, die ervan uitgaan dat Nederland wel degelijk een geleidelijke dekolonisatie van Indonesië voor ogen had, met onafhankelijkheid als eindpunt. Hij staat met deze stelling tegenover historici als Henk van den Doel, die de traditionele stelling verdedigt dat Nederland wilde vasthouden aan de voordelen van de Indonesische archipel. De federale staatsvorm zou doorgedrukt dienen te worden om zo een blijvende invloed in het bestuur van Indonesië te kunnen behouden.

De Jong beaamt wel dat aanvankelijk Nederland invloed wilde blijven uitoefenen in Indonesië maar stelt tegelijkertijd dat de slag om Soerabaja en de chaotische en revolutionaire situatie op Java ervoor zouden hebben gezorgd dat Van Mook, als luitenant-gouverneur-generaal de hoogste gezagsdrager in de kolonie, definitief van koers zou veranderen. Van herstel van het Nederlandse gezag werd nu dekolonisatie het uiteindelijke doel. Dat hij daarmee met een federaal staatsverband op de proppen kwam had niets te maken met een verdeel-en-heerspolitiek zoals wel verondersteld is, maar puur met de gegeven machtsverhouding op dat moment, aldus De Jong. De Nederlandse positie in de buitengewesten was sterk, maar op Java zeer zwak, vandaar het nieuwe beleid gericht op deelstaten.

Met zijn revisionistische stellingname legt de auteur verfrissende nieuwe accenten bij het benaderen van de onderhandelingen tussen de Republiek en Nederland. Zo maakt hij een uitvoerig punt van de Hoge Veluwe Conferentie, die in veel geschiedenisboeken als mislukking gekenschetst wordt, maar die De Jong ziet als fundamentele genomen horde op de weg naar overeenstemming. Met de hierop volgende verklaring liet de Nederlandse regering in feite blijken de diplomatieke weg te bewandelen, en niet voor militair ingrijpen te kiezen, waar eerder nog de reële mogelijkheid toe bestond. De latere militaire offensieven moeten hiervan los gezien worden, in de tussentijd waren langdurige onderhandelingen gevoerd die uiteindelijk niet tot overeenstemming leidden.

Wat opvalt bij het lezen van De Jongs relaas van de onderhandelingen is zijn bepaald niet malse kritiek op Schermerhorn. Deze wrijft hij eerst de stroeve onderhandelingen door zijn kabinet met de Indonesiërs aan, en vervolgens ook in grote mate de uiteindelijke ‘aankleding’ van het akkoord van Linggadjati in het Nederlandse parlement. De Jong lijkt hierbij voorbij te gaan aan het simpele gegeven dat in de Rooms-rode coalities van net na de oorlog het de Katholieke Volkspartij (KVP) was die met veel misbaar keer op keer de conservatieve koloniale trom roerde, met fractievoorzitter en Volkskranthoofdredacteur Romme aan het hoofd. Schermerhorn, en met hem kabinetspartner Partij van de Arbeid (PvdA) stond hierbij goeddeels tegenover de KVP en wilde juist een compromis met de Republiek bereiken.  Ook binnen de PvdA waren minder vooruitstrevende stemmen te horen, maar om een te optimistische inschatting van de situatie door Schermerhorn aan te wijzen als bepalend voor de uiteindelijke verwording van het Linggadjati-akkoord, zoals De Jong doet, gaat veel te ver.

In zijn beschrijving van de perikelen rondom de Eerste Politionele Actie suggereert De Jong dat een opmars naar Djokjakarta wél het gezochte succes zou kunnen brengen. Zijn theorie over gematigde Republikeinse bestuurders die vervolgens het stokje van Sukarno cum suis zouden kunnen overnemen gaat echter volstrekt voorbij aan het vrijwel unanieme mandaat van de Indonesische bevolking dat de strevers naar ‘100 procent Merdeka’ hadden. Bovendien is het zeer waarschijnlijk dat ook dan de grootschalige guerrilla van de TRI/TNI, het Republikeinse leger, zou losbarsten, zij het enkel wat eerder dan uiteindelijk daadwerkelijk gebeurde.

De tegenstelling die de auteur zo veelvuldig benadrukt tussen enerzijds het algemene beeld dat Nederland door het federale initiatief blijvende invloed in Indonesië probeerde veilig te stellen en anderzijds zijn visie dat wel degelijk van een Nederlands geleidelijk dekolonisatieproces sprake was, is in feite een schijnbare. Als Nederland daadwerkelijk vrede had met een soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, wat zou de staatsvorm er dan toe doen? Door haar koppig vasthouden aan de federale opzet, en de in allerijl doorgevoerde oprichting van een veelheid aan deelstaten en onafhankelijke gebieden, liet Nederland zich wel degelijk in de kaarten kijken. De onwil definitief afscheid te nemen van het bestuur over Indonesië en de federale opzet die de nieuwe staat naar Nederlands idee zou moeten krijgen, zijn in die zin twee kanten van dezelfde medaille. Nederlandse bestuursambtenaren zouden nog altijd, weliswaar in een ‘adviserende’ rol, betrokken blijven bij het Indonesisch bestuur. De enkele Indonesiërs die met deze deelstatenpolitiek mee wilden doen hadden vaak geen enkel mandaat bij de bevolking. Het is dan ook nogal naïef van De Jong om dit federalisme als een levensvatbaar alternatief te presenteren. Daarbij is de opmerking dat uitgerekend Beel, de man die tijdens zijn premierschap had laten zien totaal geen inzicht in de Indonesische kwestie te hebben, zich in die tijd ‘als een bij uitstek pragmatisch en realistisch politicus had laten kennen’, ronduit lachwekkend. Deze loopjongen van Romme was totaal niet toegerust om de Indonesische problematiek tot een goed einde te brengen, niet als premier en niet als opvolger van Van Mook als Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon (HVK).

Waardevol is wel De Jongs visie op de politieke Haagse ontwikkelingen na de Tweede Politonele Actie. Het was niet de Veiligheidsraad die Nederland tot inkeer bracht in haar tot dan toe gevoerde beleid. De almaar saboterende KVP’ers Beel, Romme en Sassen werden ten slotte de voet dwars gezet door een tactische zet van Drees en Anuk Agung die daarmee alsnog de weg vrijmaakten voor een snelle politieke afwikkeling. Vervolgens geeft de auteur een verhelderende uiteenzetting van de uiteindelijke slotonderhandelingen die leidden tot de soevereiniteitsoverdracht. De Jong laat zien hoe inventief de Nederlandse onderhandelaar Van Roijen tegen alle tegenstand van Cochran en Roem in, een voor Nederland aanvaardbaar compromis uit het vuur wist te slepen. Daarbij maakte hij handig gebruik van het waardevolle voorwerk dat minister van Buitenlandse Zaken Stikker gedaan had door bindende afspraken te maken met de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Acheson. Het Van Roijen-Roem-Akkoord bevatte net als de eerdere overeenkomsten van Linggadjati en Renville concessies van beide kanten, maar deze keer konden de kritische achterbannen voldoende overtuigd worden van nut en noodzaak van het akkoord zodat het niet sneuvelde.

Interessant zijn ook de schijnwerpers die De Jong richt op de Nederlandse beweegredenen en het Nederlandse handelen tijdens de onderhandelingen in aanloop naar en tijdens de Rondetafelconferentie (RTC). Zijn stelling dat gedurende de jaren van dekolonisatie de elkaar telkens genaderde onderhandelingsdelegaties telkens beslissend gehinderd werden door hun radicale achterbannen snijdt hout. Wel is zijn benadering op momenten erg eenzijdig en Nederlandcentrisch. Ook komt tussen de regels door een wat verongelijkte schrijver naar voren die nu wel eens zal uitleggen hoe de zaken werkelijk in elkaar steken. Deze belerende toon doet het boek geen goed. De nasleep van de Indonesische dekolonisatie wordt ook nog bondig beschreven, met de Nieuw-Guineakwestie en de latere normalisatie van de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië. Een deels historiografisch overzicht van hoe er in latere jaren met de dekolonisatiegeschiedenis werd omgegaan sluit het boek af.

Alle plussen en minnen van De Jongs werk tegen elkaar afwegende, kan gesteld worden dat De Terugtocht zeker een waardevolle bijdrage aan de historiografie over de Indonesische dekolonisatie vormt. De Jong gaat in tegen het algemeen geaccepteerde beeld van de onderhandelingen en dat levert interessante nieuwe inzichten op. Wel schiet hij hierbij zo af en toe uit de bocht en lijkt zijn werk het starre Nederlandse handelen wel erg te vergoelijken en te verklaren als uit de nood der gebeurtenissen geboren. Desondanks kan het zeker geen kwaad met een dergelijke publicatie het debat over de Indonesische dekolonisatieperiode weer eens aan te zwengelen.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus

Romeinen en barbaren

Barbaren in een bijrol

[Recensie] Het is misschien wel de meest gestelde vraag in het historiografisch onderzoek naar de Oudheid, en tevens het onderwerp van dit boek van historicus Jeroen Wijnendaele: waarom en waaraan ging het Romeinse Rijk in het Westen ten onder? Nu haast Wijnendaele zich na deze vraagstelling direct om aan te geven dat de hele suggestie van een ‘ondergang’ van het West-Romeinse Rijk een kunstmatige is. Het hele idee van een waterscheiding die de afzetting van kindkeizer Romulus Augustus door de ‘barbaarse koning’ Odoacer in 476 n.Chr. vormt, was niet meer dan een gekunstelde uitvinding van latere humanistische en Romantische geschiedschrijvers en werd door tijdgenoten niet als zodanig herkend.

Het is lovenswaardig dat Wijnendaele zijn werk deels rechtvaardigt door te wijzen op de weinige academische publicaties die heden ten dage nog te raadplegen zijn in de Nederlandse taal. Een belangrijke drijfveer achter zijn onderzoek was dan ook het beschikbaar stellen van het eerste volledige Nederlandstalige overzicht van de ondergangsperiode van het West-Romeinse Rijk. In zijn inleiding geeft hij vervolgens de belangrijkste verschuivingen weer in het denken over de oorzaken die ten grondslag lagen aan de West-Romeinse ondergang. Onvermijdelijk is hierin aandacht voor Gibbons Decline and Fall of the Roman Empire. Een belangrijk punt van Gibbons these is de rol van het Christendom als pacifistische religie die een interne zwakte in het Rijk teweeg gebracht zou hebben. John Bury’s History of the Later Roman Empire, dat aan het eind van de negentiende eeuw verscheen, rekende hier echter mee af, het Oost-Romeinse Rijk was immers in veel verregaander mate gechristianiseerd, en wees nadrukkelijk op externe factoren die de val van het Rijk in het Westen veroorzaakten. Arnold Jones vervolgde deze lijn en liet zien dat de Romeinse staatsinstellingen in Oost en West gelijk waren en bleven en dat hierin dus onmogelijk de oorzaak voor de Westelijke val gelegen kon zijn. De nadruk op externe factoren als oorzaak voor het verdwijnen van het Romeinse Rijk in het Westen is sindsdien dominant gebleven.

Wijnendaele’s studie is een zeer grondige en daarbij overzichtelijk opgebouwd. Na het inleidende hoofdstuk wordt in acht chronologische hoofdstukken de geschiedenis van het Romeinse Rijk in de periode 235 n.Chr. – 493 n.Chr. verhaalt. Dit relaas wordt verduidelijkt met overzichtskaarten. Geen overbodige luxe gezien het moordende tempo waarmee rijkscrises, paleisintriges, oorlogen en staatshervormingen zich zo nu en dan afspelen. Geregeld wekt de uitgebreide behandeling van alle gebeurtenissen de indruk alsof de behandelde periode zich uitstrekt over zo’n duizend jaar, in plaats van de slordige 250 jaar waarop de auteur zich richt. Dit pleit voor de meeslepende wijze waarop hij het verhaal van de naderende Romeinse ondergang in het Westen uiteenzet. Hierbij gaat Wijnendaele niet aan de gelegenheid voorbij om geregeld punten aan te wijzen waarop de loop van de geschiedenis een andere wending had kunnen nemen, ware het niet dat de koppigheid van keizers of legeraanvoerders anders besliste.

Het zwaartepunt van Wijnendaele’s these ligt in het aanwijzen van interne Romeinse verdeeldheid als oorzaak voor de ondergang van het West-Romeinse Rijk. Met name keizer Theodosius I (374 n.Chr. – 395 n.Chr.) blijkt een belangrijke rol gespeeld te hebben in de verzwakking van het Romeinse Westen. Hij zag het Westen voortdurend als bedreiging voor zijn eigen gezag als Oost-Romeinse keizer. Hij beroofde het Westen van zijn beste troepen, verzwakte de Westelijke keizerlijke dynastie en plaatste veel van zijn persoonlijke vertrouwelingen in het Westelijke bestuursapparaat. Door de belangen van zijn eigen familie boven die van de valentiniaanse keizerlijke dynastie te stellen legde Theodosius het lot van het Westelijke Rijk definitief in de handen van kinderkeizers, een belangrijke reden voor de grote instabiliteit en teloorgang in het Westen. Temeer daar deze periode van 375 n.Chr. tot 455 n.Chr. zou voortduren. De verdeeldheid tussen Oost en West die door Theodosius I in stand werd gehouden culmineerde uiteindelijk in de Slag bij de Frigidus (394 n.Chr.) waarbij de Oost- en West-Romeinse legers elkaar bevochten onder respectievelijk Theodosius I en Eugenius. Deze slag resulteerde in een politiek machtsvacuüm in het Westen en een even grote verzwakking van de keizerlijke legers in het Westen als destijds na de Slag bij Adrianopel (378 n.Chr) voor het Oost-Romeinse leger had gegolden.

Het voortdurende debat tussen Noord- en Zuid-Europese historici over barbaren als een scheppende dan wel destructieve kracht met betrekking tot het West-Romeinse Rijk, blijkt uiteindelijk triviaal te zijn, zo toont Wijnendaele aan. Hij laat op overtuigende wijze zien dat het bovenal de interne Romeinse verdeeldheid tussen Oost en West was die de verzwakking en de uiteindelijke ondergang van het Westen inluidde. De langdurige politieke instabiliteit door de opeenvolgende regeringen van kinderkeizers en de daarmee gepaard gaande verwaarlozing van politieke netwerken ten noordwesten van de Rijn met barbaarse foederati, ligt volgens Wijnendaele ten grondslag aan de West-Romeinse ondergang. Daarbij is het annexeren van Romeins Afrika, de graanschuur van het Rijk, door de Vandaalse koning Geiserik aan te wijzen als belangrijkste individuele economische factor in de desintegratie van het West-Romeinse Rijk. Echter, het feit dat Geiserik zich in Noord-Afrika kon handhaven is wederom volledig te wijten aan interne Romeinse verdeeldheid, zoals Wijnendaele in zijn uiteenzetting van de verschillende Romeinse tegen Geiserik gerichte expedities laat zien.

Dit alles maakt Wijnendaele’s werk een zeer prijzenswaardige bijdrage aan de historiografie over het laat-Romeinse Rijk. De prettige schrijfstijl van de auteur zorgt ervoor dat het boek nooit gaat vervelen, hoewel de lezer een aanzienlijke hoeveelheid feitenkennis te verstouwen krijgt. Ook rekent de schrijver in zijn betoog zijdelings af met verschillende historische onjuistheden die zich in het collectieve geheugen vastgezet hebben, zoals de ‘barbaarse koning’ Alarik die Rome plundert, maar in werkelijkheid een loyale Romeinse legeraanvoerder blijkt, die na maanden geen soldij ontvangen te hebben zich genoodzaakt ziet Rome te brandschatten, op bescheiden schaal overigens, om zijn troepen voor uithongering te behoeden. Een ander voorbeeld is de wederom ‘barbaarse koning’ Odoacer, die met het afzetten van de Romeinse keizer officieel het einde van het West-Romeinse Rijk inluidt. Dat Odoacer het product was van een door- en door Romeinse maatschappij blijft onvermeld, evenals het feit dat hij als geen ander het voortbestaan van het Rijk in het Westen heeft gesteund en de Romeinse traditie heeft geprobeerd levend te houden, onder andere in de muntslag. Uiteindelijk zou Odoacer aan zijn eind komen door toedoen van Theodorik, een Ostrogoot in dienst van de Oost-Romeinse keizer Zeno.

Een einde in stijl voor dit boek waarin de voortdurende rivaliteit tussen het Oost- en West-Romeinse Rijk uiteindelijk eindigt in de ondergang van één van de twee. Weergaloos verteld door Jeroen Wijnendaele verdient dit verhaal het zich via dit boek een weg naar het brede publiek in het Nederlandse taalgebied te vinden.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus 

De boerenoorlog

Boer tegen Brit

[Recensie] Behalve voor Britten en Zuid-Afrikanen blijft de Boerenoorlog ook voor veel Nederlanders een tot de verbeelding sprekende episode uit de geschiedenis. Het waren immers ‘stamverwanten’, afstammelingen van Nederlandse kolonisten, die Boeren die het in de zuidelijkste punt van Afrika in hun hoofd haalden de sterkste wereldmacht van die tijd de voet dwars te zetten, het Britse Rijk. Martin Bossenbroek, universitair hoofddocent Internationale en Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, vertelt het verhaal van de ongelijke strijd van twee kolonistenrepublieken in zuidelijk Afrika tegen het de destijds grootste wereldmacht op aarde; Groot-Brittannië. De Zuid-Afrikaanse Republiek, Transvaal in de volksmond, en Oranje-Vrijstaat vochten voor een onafhankelijk bestaan zonder bemoeienis van het Britse Rijk, dat ook al aanwezig was in het zuiden van Afrika met kolonies als Natal en de Kaapkolonie. Het vuistdikke boek onthult het verloop van wat officieel de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) is komen te heten in drie perspectieven; vanuit de belevenissen van de Nederlandse jurist Willem Leyds, de Britse oorlogscorrespondent Winston Churchill, en de Boerencommando Denys Reitz.

Voordat Bossenbroek met zijn relaas over de oorlog zelf losbrandt, geeft hij de achtergrond van het conflict weer. Hierin bespreekt hij de totstandkoming van de Boerenrepublieken en de lange aanloop naar de Tweede Boerenoorlog. In 1880-1881 was er al een kortstondige oorlog uitgevochten, de Eerste Boerenoorlog. Deze informatie komt tot de lezer via Bossenbroeks eerste hoofdpersoon, de jurist Willem Leyds. Hierin wordt ook duidelijk hoe deze betrokken raakte bij de Boerenzaak en zich hiermee hoe langer hoe sterker vereenzelvigde.

Het begin van de oorlog is in verschillende opzichten vergelijkbaar met de Eerste Wereldoorlog. De moderne snelvuurgeweren en staande machinegeweren geven de verdediger een tactisch voordeel. De Boeren graven zich in en versterken hun linies met prikkeldraad, wat leidt tot grote Britse verliezen zoals bij Magersfontein in 1899. Dit legt, zoals Bossenbroek uiteenzet, een van de grote Britse problemen in de Boerenoorlog bloot; het Britse leger kon niet improviseren. De Britten waren daarbij niet op de hoogte van het terrein, wat mede de hoge verliezen ten opzichte van die van de Boeren verklaart. Helemaal opmerkelijk is deze aanvankelijk gelijk opgaande strijd niet, de Britten hadden al zo’n vijftig jaar geen serieuze oorlog meer gevoerd, de Krimoorlog van 1854-1856 was de laatste geweest. Ook toen was er overigens grote kritiek op de manier waarop de oorlog gevoerd werd. De patstellingen die al snel na het begin van de oorlog ontstonden bij belegeringen door de Boeren van door de Britten gehouden plaatsen als Ladysmith, Mafeking en Kimberley waren voor een belangrijk deel te wijten aan de Boerenbevelhebber Piet Joubert, die niet was af te brengen van een defensieve strijdwijze. De kans om de Engelsen in Natal de zee in te drijven en ook Kimberley en Ladysmith in te nemen zoals Botha, De Wet en staats-procureur (een soort minister van justitie) Smuts bepleitten, was daarmee verkeken.

De Boeren waren echter geen offensieve oorlog gewend, in de strijd tegen de inheemse Afrikaanse stammen hadden ze altijd gevochten vanuit een ‘lager’, een geïmproviseerde fortificatie bestaande uit in een cirkel gemanoeuvreerde wagens, zoals ook wel bekend is het Westen van de Verenigde Staten met huifkarren. Ook bij belegeringen van nederzettingen bediende men zich van uithongering, niet van bestorming. Na verloop van tijd leerden de Britten dat hun voorspelbare tactiek van beschieting, frontale infanterieaanval en achtervolging door cavalerie niet werkte. Ze wisten vervolgens zowel aan het front in het oosten als in het westen door omtrekkende bewegingen van de cavalerie de Boeren uit hun stellingen te jagen. De belegeringen van Kimberley en Ladysmith werden hierdoor opgeheven. Het zag er even weer naar uit dat de door het Britse thuisfront verwachte snelle overwinning er toch, weliswaar met enige vertraging, zou komen. Even, want waar de troepen van de Boeren in maart 1900 nog rijp voor de overgave leken, waren ze in april mentaal en fysiek weer helemaal klaar voor de strijd.

Na de ontzetting van Mafeking, Ladysmith en Kimberley volgde aanvankelijk min of meer een walk-over naar Bloemfontein, en daarna de gehele Oranje-Vrijstaat en Pretoria, zonder dat de Boeren de Britten voor langere tijd konden stoppen. Na de inname van Pretoria door de Britse troepen zagen Botha en de andere generaals geen andere uitweg meer dan vrede, en ook president Kruger berustte daarin. Zijn collega Steyn van de Vrijstaat wilde echter van geen wijken weten, terwijl juist hij in 1899 zo weifelend de oorlogsvoorbereidingen ter hand had genomen. Met behulp van De Wet werden de Transvalers overtuigd door te vechten. Onder de nieuwe opperbevelhebber van Oranje-Vrijstaat Christiaan de Wet kozen ook de Boeren voor een nieuwe, veel beweeglijker, strategie. In feite een soort guerrillaoorlog avant la lettre waarin kleine groepjes Boerencommando’s de belangrijkste troepeneenheid waren.

Waar de beginfase van de oorlog vanuit het perspectief van Winston Churchills belevenissen als oorlogscorrespondent worden verteld, schakelt Bossenbroek over op de Boer Reitz wanneer de oorlog zijn tweede fase van guerrilla ingaat. Eind 1900, wanneer de Britten beide Boerenrepublieken zo goed als bezet hebben, valt ook het gezamenlijk beleid van de Boeren uiteen. Botha en de zijnen willen de goudmijnen van Transvaal opblazen en daarna richting de Kaapkolonie en Natal trekken, De Wet gaat direct de Kaapkolonie binnen met de hoop een Afrikaneropstand te ontketenen. De alsmaar voortdurende guerrilla van de Boerencommando’s was erg frustrerend voor de Britten onder Kitchener en zorgde voor een steeds grotesker verschil in krachtsverhoudingen. Halverwege 1901 bestond het Britse leger uit zo’n 240.000 man, het twaalfvoudige van de 20.000 commando’s die de Boeren nog in het veld hadden. Ook beschikten de Britten over honderden stukken veldgeschut. Om de Boeren toch klein te krijgen waren de Britten al overgegaan op systematische internering van de burgerbevolking, het afmaken van vee dat het Britse leger niet gebruikte, het verwoesten van akkers en het met de grond gelijkmaken van nederzettingen. Nu kwam daar Kitcheners plan bij om het hele gebied dat de republieken besloegen in percelen te verdelen die afgezet werden met prikkeldraad en blokhuizen waardoorheen militairen patrouilleerden.

Het beeld ontstaat dat gedurende de oorlog steeds duidelijker Vrijstaatse hardliners tegenover Transvalers die bereid waren tot vrede kwamen te staan. In de loop van 1901 en begin 1902 werd de situatie voor de Boeren steeds moeilijker, met het westen van de Kaapkolonie als uitzondering, waarde Jan Smuts en zijn mannen zich bevonden. Uiteindelijk werd in mei 1902 vrede gesloten, waarbij de Boeren betere voorwaarden wisten te bedingen dan een jaar eerder mogelijk was geweest. De Boeren hadden dan wel de oorlog verloren, de vrede hadden ze gewonnen. Dit ging vooral ten koste van de zwarte bevolking, die het beter had, zij het niet veel, onder ‘verlicht’ Brits bestuur dan onder het racistische regime van de oudtestamentische Boeren. Uiteindelijk werden de vier Zuid-Afrikaanse kolonies onder Brits bestuur verenigd, en in 1962 werd het land onder leiding van de Afrikaners onafhankelijk. Het apartheidssysteem zou er tot de jaren 1990 in werking blijven. Toe begon ook voor de Boeren de afrekening.

Bossenbroek is er op magnifieke wijze in geslaagd het meeslepende verhaal van de oorlog te vertellen. De keuze voor drie elkaar afwisselende hoofdpersonen komt bijzonder goed uit de verf, temeer ze alle drie een andere periode van het conflict vertegenwoordigen. Alle facetten van de oorlog en de aanloop ernaartoe worden beschreven; de mislukte diplomatie van de Boerenrepublieken, het insluiten van de twee staten door Groot-Brittannië, de sociale consequenties van de strijd en de strategische afwegingen en tactische bewegingen. Dit overzicht wordt afgewisseld met de belevenissen op microniveau van de hoofdrolspelers zodat de lezer een overweldigend compleet beeld krijgt van de strijd. Daarbij is het verfrissend nu eens in een modern academisch onderlegd werk de oorlog vanuit Nederlands-Boers perspectief te zien in plaats van het dominante Engelse beeld, waarin zo veel publicaties over de strijd verschenen zijn. Bossenbroeks De Boerenoorlog is dan ook zeer terecht winnaar van de Libris Geschiedenisprijs 2013 geworden, en wellicht zit er nog wel meer in het vat nu het boek sinds dit jaar ook in het Engels verkrijgbaar is. Een magistraal stukje geschiedschrijving!

Eerder verschenen op Hereditas Nexus 

Wanneer het water breekt

Bootvluchtelingen uit Vietnam blikken terug

[Recensie] Bootvluchtelingen: mensen die alles op het spel zetten, zelfs hun leven en dat van hun kinderen, om elders een nieuw bestaan op te kunnen bouwen. Gedwongen door oorlogshandelingen, politieke omwentelingen of vervolging vanwege religie of geaardheid. Iedereen heeft daar wel een beeld bij: van wankele bootjes met verzwakte mensen tot een aangespoelde verdronken peuter.

Toch zijn degenen die nu het nieuws beheersen met hun ellende en alle problemen die deze migratie met zich mee brengt, niet de eerste bootvluchtelingen die de wereld in rep en roer brachten. Dat waren de Vietnamese bootvluchtelingen van zo’n 40 jaar geleden. Zij vluchtten vanaf 1975 massaal uit Zuid-Vietnam toen het communistische bewind vanuit Noord-Vietnam de macht overnam en de Amerikanen definitief verdreef. Het zouden er uiteindelijk 3 miljoen worden, waarvan er 2 miljoen in Amerika een nieuwe start konden maken. De overigen kwamen in 50 landen terecht over de hele wereld. Honderdduizenden haalden het echter niet, ze verdronken of kwamen om van de honger en dorst. Soms werden ze overvallen door piraten, overvaren door grote schepen of genegeerd als ze in nood verkeerden, of bedrogen door mensensmokkelaars die wel hun geld wilden, maar geen veilige overtocht regelden.

Chris de Stoop is journalist en auteur van spraakmakende boeken. Zijn werk werd bekroond met diverse journalistieke en literaire prijzen. Vooral bekend werd hij met het ontroerende Dit is mijn hof (2015), over de teloorgang van het Vlaamse boerenland, verteld vanuit zijn eigen perspectief als de laatste bewoner van “het hof” (de boerderij) van zijn ouders . In Zeeuws-Vlaanderen sprak dit boek enorm aan, omdat het raakvlakken (letterlijk en figuurlijk) heeft met de onteigening van de Hedwigepolder.

De geschiedenis van Hung en Quyen

In het meer journalistieke Wanneer het water breekt heeft hij een gezicht willen geven aan de opvarenden van een boot vol Vietnamese vluchtelingen die in 1981 door een Belgisch schip gered worden en waarvan de meesten in België een nieuw leven proberen op te bouwen. Om via hen het verhaal te vertellen over wat ze doormaakten, maar ook hoe het leven er na 37 jaar voor hen uitziet. Hij heeft daarvoor gesproken met veel van de opvarenden, maar ook met de achterblijvers in Qui Nhon. De rode draad in het verhaal vormen echter de schipper van de kleine vissersboot, Hung, en zijn dochter Quyen, die 5 jaar later via de gezinshereniging, samen met haar moeder en broertjes en zusjes, naar België komt.

Het verhaal meandert: er is aandacht voor de geschiedenis van Vietnam, vanaf de Franse overheersing tot na het vertrek van de Amerikanen, met alle nare verhalen die daarbij horen. Over de onderdrukking door het communistische bewind van de Zuid-Vietnamezen: onteigeningen, heropvoedingskampen en gevangenisstraffen. Over de kinderen van opstandigen die tot drie generaties geen universitaire studie mogen volgen en over geleerden die bij voorbaat verdacht zijn en na hun heropvoeding simpele baantjes moeten aannemen.

Wanneer het communistisch regiem na jaren de teugels wat laat varen, is het voor de vluchtelingen mogelijk (zeker als ze een andere nationaliteit hebben gekregen) voor een kort verblijf terug te keren. Bovendien zijn ze welkom omdat ze de achterblijvers ondersteunen met het in het nieuwe land verdiende geld. Ook Hung en Quyen gaan elk jaar op bezoek en Chris de Stoop gaat mee.

De verhalen

Deze achtergrondverhalen worden afgewisseld met de ervaringen van de vluchtelingen tijdens de bootreis en de voorbereidingen daarop. Niet alleen die van Hung, maar ook die van de andere opvarenden. En over hun leven na de redding. De Stoop spoort ze overal op, de meesten in België, sommigen in Amerika en een enkeling in Australië. De meeste verhalen zijn positief: de kinderen werden ingenieurs, advocaten, dokters. Van de 64 mensen aan boord komen er uiteindelijk 5 niet goed terecht. Maar de maatschappelijke status van zegt nog weinig over de heimwee waarmee niet alleen de ouderen, maar ook sommige van hun kinderen worstelen. Voor zover ze in België wonen, blijven ze elkaar opzoeken en verzorgen gezamenlijk het graf van de kapitein die hun leven redde. Tweespalt ontstaat wanneer er stemmen opgaan om te trachten alsnog vanuit het buitenland het verzet tegen het bewind te organiseren, terwijl anderen de toestand willen aanvaarden en op bezoek gaan bij hun familieleden. Soms zelfs een vakantiehuis bouwen in Qui Nhon.

Tot die laatste groep behoren Hung en zijn dochter Quyen. Hung is enorm goed opgevangen in Wichelen, een dorpje in Vlaanderen. Maar nu hij oud is, zou hij toch weer liever in zijn vissersdorp willen wonen. Ook zijn vrouw heeft heimwee, maar wil niet weg vanwege de kinderen en kleinkinderen die ze dan zou moeten missen. Maar het verhaal van zijn dochter Quyen is toch het meest treffend.

Brussel

Hoewel Quyen het helemaal gemaakt lijkt te hebben in Brussel met een sjiek en goedlopend restaurant, is het frappant, dat het nu juist zij is die na zoveel jaar ernstige emotionele problemen heeft. Maar wie naar de leeftijd kijkt waarop ze dit allemaal mee heeft moeten maken, begrijpt het beter. Ze is 10 als haar vader vlucht en haar moeder met 6 kinderen achterlaat. Moeder moet werken voor het onderhoud van het gezin, zijzelf moet voor de kleintjes zorgen en soms ook nog wat bijverdienen. Naar school gaan is afgelopen. Ze is 16 als ze met het gezin naar België mag komen en heeft dan net een vriendje dat achterblijft. In Vlaanderen stopt ze alles weg. Studeert, werkt keihard, heeft een succesvol leven en trouwt met een Belgische man. Ze is een geslaagde, goed geïntegreerde vrouw. Maar juist door de bezoekjes aan haar vaderland komt er van alles boven.

“Het is een rouwproces, het verlies van je geboortegrond. Zelfs mensen die het economisch goed hebben, voelen vaak hoe hun botten zeer doen van heimwee. Rijkdom beschermt hen niet tegen melancholie. Tot er een vorm gevonden wordt om met het verlies te leven. Maar sommigen blijven zich levenslang ontheemd voelen. Eens migrant, altijd migrant, denkt Quyen.”

Ze bouwt haar vakantiehuis in Vietnam, maar beseft nu twee werelden te hebben waarin ze zich niet echt thuis voelt.

Chris de Stoop schreef een belangrijk boek met deze terugblik op het leven van de Vietnamese bootvluchtelingen van zo’n 45 jaar geleden. De vergelijking met de bootvluchtelingen van nu gaat voor een deel op, zowel wat betreft de rampzalige vluchtpogingen als de opvang in mensonterende vluchtelingenkampen. Over de situatie van de huidige bootvluchtelingen zijn al eerder boeken verschenen en documentaires te zien geweest.

Over het leven na vestiging in het nieuwe thuisland is echter nog weinig bekend. Ik weet niet of Chris de Stoop een doel voor ogen had met het schrijven van dit verhaal. Om een ander licht te werpen op de bootvluchtelingen van nu? Meer begrip te vragen, nu en straks, als ze tussen ons wonen, maar altijd heimwee zullen blijven houden?

Wat mij betreft, is die boodschap duidelijk overgekomen.

Maar veel meer dan in Dit is mijn hof spreekt hier toch vooral de journalist, betrokken weliswaar, maar niet zo betrokken als toen het over de boerderij van zijn ouders ging. Dat stelde mij wat teleur, maar dat komt alleen doordat ik andere verwachtingen had en Dit is mijn hof me dierbaar is.

Eerder verschenen op Mijn boekenkast