De jaren zestig

Elk dorp ging los

Deze jaren hebben de wereld voorgoed veranderd, schrijft Geert Buelens in zijn cultuurgeschiedenis over dat decennium. Jos Palm toetst diens bevindingen aan zijn jeugd

[Recensie] Het waren in onze familie iconische foto’s. Voor mijn ouders verwezen ze naar een verloren toekomst, voor ons kinderen maakten ze een verlies van zekerheid zichtbaar dat wij, gezagsmoe als we waren, zouden ervaren als winst. Het ene familieportret komt uit 1963, het andere uit 1970. De een toont het gewenste gezin dat de pastoor aanmoedigde en dat de ongeschreven regels van dorp en vaderland voorschreven. Alsof wij – al zijn we nog vrij jong, tussen de zeven en dertien – zo de grote mensenwereld in kunnen stappen waarin onze en alle vaders en moeders in het plaatsje zich tevreden waanden, zo staan we op de vroegste foto. Het plaatje ademt boven alles ouderlijk verlangen naar orde en vormvastheid: de drie jongens in pak, witte blouse, stropdasje om en keurig geknipte haren; de drie meisjes in plooirok, vlechten en staarten in het haar, nette vestjes, zwarte schoentjes en witte sokjes (al draagt een van de zusjes nylonkousen, vleeskleurig teken van de nieuwe zich aankondigende lichamelijke tijd). Op de achtergrond van het familiekiekje is de kerktoren van ons dorp, Zeddam, te zien met kruis en wijzerplaatklok, die al ruim een eeuw het dagelijkse ritme van geloof, eredienst en arbeid aangaven, vertrouwd kenmerk van de oude, schijnbaar onvergankelijke tijd.

Zeven ondanks het bijbelse aantal bepaald niet heilige jaren verder is er een heel ander beeld waar te nemen. Lange losse haren tot ver over de schouders bij zowel de meisjes als de jongens (behalve bij mijn oudste broer die, als fan van soul en motown, haar tot op de schouder droeg en natuurlijk broeken met wijde pijpen), afgetrapte gympies, suède schoenen, Zweedse klompen en twee paar blote voeten onder lange hippiejurken domineren het gezinsplaatje dat mijn ouders in hun hartstochtelijke behoefte om de fictie van familiale eenheid te handhaven uiteindelijk toch maar in een lijstje op het dressoir zetten.

De Stones

Wat de afdruk laat zien is beloftevolle wenselijke wanorde, opgedaan in de tijd van de provo’s en Damslapers, Herman Hesse’s Siddharta en Carlos Castaneda’s dromerijen in boek, de films van Pasolini en Bertolucci en de muziek van de Stones en Pink Floyd (Ummagumma met muggengezoem en akoestisch gitaargetokkel was de favoriete lp, bij voorkeur gedraaid bij kaarslicht, net als het nasale troostgebrom van Leonard Cohen op vinyl). “Nergens klaar voor”, behalve voor experimenteren met alles wat ooit van waarde was, dat is de boodschap van de foto: een cesuur in een prent van een onschuldig gezinstafereeltje.

En het zou allemaal nog erger worden. Na het bad in de alternatieve cultuur zouden we, aangedaan door het grote onrecht dat Vietnam heette, achter derde-wereldhelden van communistische snit aanlopen, zouden we gaan ‘samenhokken’ en zouden we God en kerk tot een onderneming van en voor sukkels verklaren. Alsof hun kinderen waren voorbestemd extreme producten te worden van een extreem decennium, zo moet het voor onze ouders gevoeld hebben. De foto’s openbaarden particulier gezinsverdriet, maar trokken ook een streep in de tijd ver voorbij het familiedrama van een toevallig gezin in een toevallig dorp.

Zoals ons gezin moeten er vele geweest zijn, in Nederland, in Europa en zelfs daarbuiten. Zo wordt duidelijk uit De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis van de Utrechtse hoogleraar Nederlandse letterkunde Geert Buelens, geboren in het Vlaamse Duffel als kind van ouders die trouwden in het Flowerpowerjaar ’67, die hem evenwel grootbrachten met James Last. De auteur die eerder een lijvig werk over dichters in de Eerste Wereldoorlog publiceerde, heeft zich nu gebogen over de even onontkoombare als slepende erfenis van het roemruchte decennium. Zelf opgegroeid met een echo van ‘zestig’, overschaduwd door geslachtsloze vrijetijdsmuziek, wilde hij weten wat die nalatenschap inhoudt. Daartoe heeft hij een boek geschreven dat even kolossaal, overdonderend en ondanks de prettig losse schrijfstijl bij tijd en wijle even eindeloos uitgestrekt is als de periode zelf. Kern van zijn betoog is dat the sixties een wereldwijd fenomeen waren dat vaak ten onrechte versmald is tot een Westerse aangelegenheid. Beatles = bevrijding = jaren zestig luidt het afgezaagde schema. Niet dus, aldus Buelens, de verlossing kwam even zo vaak uit goeroerijk India of bijvoorbeeld van profeten als de Congolese vrijheidspoliticus Lumumba of van de exotische Braziliaanse Bossanova-muziek. ‘The Girl from Ipanema’ was minstens zo ontvoogdend als ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’, oordeelt Buelens in zijn boek dat een belangrijk niet-westers perspectief opent op het veelbesproken tijdvak.

Het ging in de jaren zestig net als in de achttiende-eeuwse Verlichting om de vraag naar de legitimiteit van het zogeheten onaantastbare geestelijke, culturele en wereldse gezag. Oude vormen en gedachten waren door de oorlog voorgoed in diskrediet geraakt en werden als nooit tevoren bevraagd. Evenzeer in Afrika en Azië als in het kleinste gat in Nederland. De wereld was door televisie, film, muziek, nieuwsverslaggeving en allerhande internationale kunstmanifestaties een dorp geworden, en de wereld kwam zogezegd elk dorp binnen.

En, o ja, de jaren zestig gaven, aldus de auteur, ook de laatste oprisping van utopische aanvechtingen te zien, en, evenzo memorabel, ook toen al zat het volk niet altijd te wachten op alle vernieuwing en culturele verrijking uit allerhande windstreken. En ten slotte, ook niet te vergeten: in de jaren zestig ontstond het besef dat de niet-witte, toen nog derde wereld, een gelijkwaardige plaats toekwam.

Rust en regelmaat

Maar wat voor een beeld van ‘zestig’ krijgen we als we kijken naar mijn geboortedorp dat als ieder dorp werd opgenomen in de maalstroom van de tijd die mijn ouders zo verontrustte? Een kleine lokale steekproef bevestigt dat, zoals Buelens schrijft, vanaf the sixties heel veel niet meer zomaar vanzelfsprekend was en ‘de wereld’ overal de rust en regelmaat van eeuwen kwam verstoren.

Het was 1963, het jaar van de keurige foto. Er was bij ons in de huiskamer nooit gedanst totdat we dat liedje op de radio hoorden en mijn oudste zus naar de platenzaak in het naburige Doetinchem toog en thuis kwam met Let’s Twist Again van de zwarte zanger Chubby Checker. De stoelen gingen aan de kant, en ze zwaaide met haar armen omhoog terwijl ze heupschuddend en half hurkend door haar knieën zakte. “Dat is twisten”, legde ze uit. Even later voegden de andere zusjes zich bij haar, en ik geloof dat ik als zevenjarig jongetje voor de grap ook meedeed. Het was schutterig en onschuldig en het was een van de eerste keren dat we als brave katholieke kinderen onze knieën niet bogen om te knielen. Onze ouders keken geamuseerd toe, gezelligheid kon kennelijk ook gek en wild zijn, en er bestond dus ook ander amusement dan KRO’s televisieserie Dappere Dodo en de conference met de stoel van Toon Hermans. De dans die overal, van Indonesië tot in de DDR en de Sovjet-Unie, een hit werd, “paste perfect in een vrije en individualistische wereld die het gemeenschappelijke en sociale niet wilde opgeven”, maar tegelijkertijd de eigen lendenen de ruimte gaf, schrijft Buelens. Dergelijke woorden hadden wij er natuurlijk niet voor, maar we ervoeren een prettige ondermijning van het paradigma van de stijfheid dat met dorpsharmonie, vendelzwaaiers en NAVO-Taptoe werd gecontinueerd.

En er kwam meer in huis dat tornde aan de afgepaste collectieve voldoening die de norm was van welbevinden voor de oudere generatie. Een abonnement op het undergroundblad Hitweek waarin de blote Phil Bloom te zien was voordat ze haar kwaliteiten vaderlandbreed op de VPRO-televisie vertoonde; de seks-bestseller Candy; het plaatje Ben ik te min (“omdat je pa een grotere kar heeft dan de mijne”) van protestzanger Armand en het olijke Dominique van de zingende non (Zuster Glimlach): ze verwezen allemaal naar de zoektocht naar individuele vrijheid die kenmerkend was voor wat je de brede weg naar geluk van de jaren zestig zou kunnen noemen, en ze waren niet uitsluitend te vinden in ons hippievoorlijke gezin, al moet gezegd dat een groot deel van onze generatiegenoten zich op den duur enigszins voegde naar de mores van de vorige generatie. Tegelijkertijd hielp menigeen mee aan de collecte voor het linkse Medisch Comité Vietnam die nabij ons dorp gehouden werd, gaf men grif voor de hongersnood in Biafra (mogelijke tekens dat er ter plekke iets van een bescheiden koloniaal schuldbewustzijn zou kunnen bestaan) en had Zeddam een eigen soort Paradiso, ludiek Chocomel geheten.

De meesten uit ons gezin zouden uiteindelijk tijdelijk de smalle weg naar geluk van de jaren zestig bewandelen, de weg van Mao en Ché, omdat we helemaal niets meer voor vanzelfsprekend aannamen, behalve dan dat de kapitalistische wereld slecht was en gereinigd moest worden. Aldus werden we “de zuiverheidszeloten” waar Buelens over schrijft die het radicale licht zochten in het Oosten. Uitzonderingen in het dorp, maar archetypes in het boek van een Belgische professor een kleine vijftig jaar na dato.

En hoe zit het ondertussen met het erfgoed van ‘zestig’ waar het Buelens om begonnen was bij zijn project? De geschiedenis van ons gezin en dorp leert dat het vinden van individueel geluk de norm is geworden en dat het groepsdwanggeluk van uitstervende eenheden als kerk, partij of beweging is geminimaliseerd. Die nalatenschap is veilig gesteld, al blijkt uit de historie van ons gezin vol relatiebreuken, vol voorbeelden van moeizaam verkregen maatschappelijk houvast, vol gerommel met levensvormen en af en toe gerotzooi met geestverruimende middelen, dat het vormgeven in de geest van the sixties geen kleinigheid was.

En de ‘mentale dekolonisatie’, de erkenning van gelijkwaardigheid van vrouwen, gekleurden en allerlei minderheden, die Buelens cruciaal acht voor de weging van ‘zestig’? Hoe is het daarmee gesteld? Om me te beperken tot ons gezin: de zus die de twist (en later Marx en Mao) in huis bracht, loopt nu alweer tientallen jaren lang mee in ‘de Nacht van de Vluchteling’. Zij houdt, als een Henriette Roland Holst, het vuur brandende.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad

Een zaterdagmiddag

Een monument voor een oom

[Recensie] Bram, de oom van Bert Wagendorp kwam in februari 1945 om door een Engelse bom. Hij was negen jaar oud. In gesprek met zijn moeder Adri, Brams zus, probeert Wagendorp een precieze reconstructie te maken van de gebeurtenissen van die dag. Zijn opa en oma, door wie hij mede werd opgevoed, konden er nooit over praten.

Die noodlottige dag in februari, de zaterdag uit de titel van het boekje, zou Wagendorps moeder even naar de bakker gaan om brood te halen voor de avondmaaltijd en de zondag in hun woonplaats in het oosten van het land, vlakbij de Duitse grens. Daarna moest ze op de lagere school nog even een brief voor haar vader ophalen, die daar hoofdonderwijzer was. Ze was elf jaar oud. Bram wilde deze keer mee, dus samen gingen ze op pad. Na bij de bakker geweest te zijn liepen ze samen naar de school toen de eerste bom viel. De kerk bleek geraakt, snel renden ze de school in. Binnen zocht Adri de brief op in haar vaders kantoor, maar toen ze die gevonden had bleek Bram te zijn verdwenen. Snel liep ze door de gang om hem te vinden, de buitendeur stond open. Toen kwam de klap. De drukgolf wierp haar naar achteren en ze raakte bewusteloos. Later bleek dat de tweede bom midden op het schoolplein was gevallen. Bram was even daarvoor naar buiten gelopen en kwam om door de explosie. Later bleken de bommen afkomstig van Engelse bommenwerpers die na een missie in Duitsland hun niet-afgeworpen bommen losten, niet wetende dat ze inmiddels boven Nederlands gebied vlogen.

Gaandeweg het verhaal komen we erachter dat Bram een bijzondere jongen was. Op zijn derde had hij zichzelf al leren lezen en niet veel later schreef hij zijn eerste zinnetjes. Als kleuter vroeg hij zich dingen af over de wereld die in het gelovige gezin niet snel ter sprake kwamen. Wagendorps opa vond het prachtig, er was voor zijn zoon een grote toekomst weggelegd. Met diens dood was ook zijn eigen verheffing een beetje mislukt.

Toen Wagendorps moeder in verwachting raakte van de kleine Bert was dat een groot schandaal. De vader was namelijk onbekend. Voor opa was het in zekere zin een tweede kans, hij nam wederom de rol van vader op zich. De jongeling werd vernoemd naar zijn oom Bram en moest de leegte gaan vullen die zijn overleden oom had achtergelaten. Wanneer Wagendorp zijn moeder onomwonden vraagt of hij als vervanger van zijn oom werd gezien ontkent noch bevestigt ze het. Het lijkt er wel op. Daarmee wordt duidelijk hoe invloedrijk de nagedachtenis van de vroeg overleden Bram in het gezin blijft, en daarmee ook voor de jonge Bert, die de hoge verwachtingen naar eigen zeggen nooit helemaal kon inlossen. Die onmogelijke worsteling van het wedijveren met een overledene is wat onder de oppervlakte van Wagendorps zinnen sluimert, maar hij heeft er vrede mee. Wagendorp is ‘slechts’ journalist geworden, maar mede aan de directe en indringende journalistieke schrijfstijl dankt zijn bondig geschreven familieverhaal zijn kracht. Wagendorp heeft daarmee ruim zeventig jaar na dato een mooi monumentje voor zijn oom opgericht.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus

Het visioen van Constantijn

Misschien niet echt gebeurd, maar wel waar

[Voorbeschouwing] De titel van dit stuk ontleen ik aan wijlen dominee Nico ter Linden. Hij zei het over het kerstverhaal. Jona Lendering en Vincent Hunink – beiden wel bekend bij De Leesclub van Alles – schreven nu een boek over een verhaal waarover men ook de grootst mogelijke twijfels kan hebben, maar waarvan de strekking zeker waar is. In beide verhalen geldt dat de actuele gebeurtenissen gedeeltelijk op fantasie en mythevorming berusten, maar dat hun uitwerking onloochenbaar de bakens in de geschiedenis hebben verzet. We hebben het over Het visioen van Constantijn.

In 312 bevocht de Romeinse keizer Constantinus I, ook wel De Grote genoemd, een van zijn rivalen op de Milvische brug over de Tiber. Hij won en zijn opponent werd gedood. Dat is een historisch feit.

In 310 verscheen in Trier een lofrede op een visioen dat keizer Constantijn had gehad. Ook dat is een historisch feit. Over een visioen kun je eventueel twijfelen, maar de lofrede is uitgesproken.

Maar dan wordt het ingewikkelder. Eusebius, bisschop van Ceasarea, meldt ons vervolgens dat Constantijn in 312 zijn visioen had, waarover dus twee jaar eerder reeds een lofrede was verschenen. En waar in 310 nog sprake was van een lichtvisioen met een ‘heidens’ karakter, blijkt het nu te gaan om een lichtend kruis met de tekst: In hoc signo vinces (In dit teken zul je overwinnen). Constantijn trekt daaruit de conclusie dat de god van de christenen hem steunt en als hij wint, heeft hij dus de steun gehad van een god waar je tenminste wat aan hebt. Caesarea was ver weg, zullen we maar zeggen. Bisschop Eusebius had het ook maar van horen zeggen.

Vervolgens, zo gaat het verhaal verder, ontmoette Constantijn zijn mede-keizer (het was in die tijd niet ongebruikelijk dat er vier keizers waren) en besloten zij, vanwege de overwinning gegeven door de god van de christenen, de vervolging van deze religieuze sekte te staken en het christendom tot staatsgodsdienst te verheffen. Het klinkt mooi, maar in 312 waren er helemaal geen christenvervolgingen.

Maar wat is er dan wel gebeurd?

Lendering en Hunink gaan met die vraag aan de slag en zeggen er bij voorbaat iets bij: in populariserende geschiedenisboeken wordt over het algemeen afgeraden zinsnedes als ‘het is aannemelijk dat’ , ‘mogelijk’ of ‘(niet on)denkbaar’ te gebruiken. De auteurs hebben zich aan die raad niet gehouden. De simpele reden daarvoor is dat ze hun lezers voor vol aanzien en geloven dat die begrijpen dat we niet zeker kunnen weten wat er gebeurd is.

Het gaat hier om een tijd waarin het christendom geleidelijk aan belangrijker werd en waarin Constantijn het christelijk geloof omarmde (of hij zelf ook echt bekeerd is, laten we hier buiten beschouwing). Het is ook zeer waarschijnlijk dat hij een moment in zijn leven heeft gekend waarin hij iets ingrijpends heeft meegemaakt, een visioen mogelijk. Zeker is zelfs dat niet, want dit soort verhalen over visioenen net voor een beslissend gevecht worden over meerdere keizers verteld. Lendering en Hunink omschrijven het mooi wanneer ze zeggen: Constantijn veranderde niet het Romeinse Rijk, maar het christendom veranderde Constantijn. Geleidelijk aan is hij zijn visioen christelijk gaan interpreteren.

Daarna heeft de beroemde keizer het christendom versterkt. Met name door het bijeenroepen van het concilie van Nicea in 325. Als ware het een vergadering van de Romeinse senaat zo liet de keizer alle gezagsdragers bij elkaar komen en verlangde van hen dat ze zich zouden uitspreken over een belangrijke leerstelling binnen hun geloof. Wat was het geval? Sinds jaren heerste er onder christenen een heftig debat over de aard en positie van Jezus. Was hij, genoemd de zoon van god, nu mens of een god? En als Jezus god was, is het christendom dan wel een monotheïstische godsdienst? In de hemel woont toch immers ook nog god de vader.

Op dit soort vragen, en met name waar het hun politieke strekking betreft, gaan de auteurs in. Want, doordat Constantijn de kerk dwong duidelijke uitspraken te doen over dit soort twistpunten, de gelederen te sluiten en leergezag van autoriteiten te aanvaarden, maakte hij de kerk sterk.

Vaak is in het verleden een scherpe scheiding gemaakt tussen christenen en heidenen in de Romeinse samenleving van de vierde eeuw. Heidenen is overigens een term die joden en christenen aan andersdenkenden gaven. Geen mens noemde zichzelf serieus een heiden in die tijd. Van de heidenen werd gezegd dat ze een meergodendom aanhingen, in tegenstelling tot de christenen. Lendering en Hunink laten ons zien dat de werkelijkheid er genuanceerder uitzag.

Veel kwesties die de auteurs bespreken zijn in de wetenschappelijke wereld niet opzienbarend. De kracht van deze twee schrijvers ligt er in dat ze dit soort interessante wetenswaardigheden over het verleden toegankelijk kunnen maken voor iedereen en dat ze zó goed schrijven dat je het ook nog heel prettig kunt lezen in je vrije tijd.

Vandaag, op 25 april om 19.00 uur, gaat Jona Lendering in Atheneum boekhandel op het Amsterdamse Spui in gesprek met Roel Salemink over Het Visioen van Constantijn.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Over Duitsland

Reizen na verbanning

[Recensie] Tegen het einde van de vorige eeuw had Duitsland bij de Fransen geen al te best imago. Weinig aantrekkelijk is (om slechts een voorbeeld te noemen) het beeld dat Paul Valéry van Duitsland schetst in zijn in 1897 publiceerde artikel La conquête alle- mande, ofte wel De Duitse verovering. De titel geeft al aan dat Valéry voor de nabije toekomst niet veel goeds verwachtte van de oosterburen.

Onder leiding van Pruisen was Duitsland veranderd in een goed geoliede oorlogsmachine, en alle sectoren van de maatschappij, van wetenschap tot handel en van opvoeding tot industrie, waren aan militaire doeleinden ondergeschikt gemaakt. Het was vooral een kwestie van ‘methode’, meende Valéry, waarmee hij bedoelde dat de Duitsers een manier hadden gevonden om het toeval uit te bannen. Van hun staat hadden zij een volledig door de leiding beheerst mechanisme weten te maken.

Dit Duitsland-beeld zal ook twintigste-eeuwers niet onbekend voorkomen, gezien hun ervaring met twee door Duitsland ontketende wereldoorlogen. In Valéry’s tijd was het vooral een gevolg van de door Napoleon III smadelijk verloren Frans- Pruisische oorlog van 1870, waaruit het Duitse keizerrijk was voortgekomen dat Valéry jaren later zoveel zorgen baarde.

Toch had men in de negentiende eeuw lang niet altijd zo negatief over Duitsland geoordeeld. Het boek dat aan het begin van de eeuw de Fransen uitvoerig over de natie aan gene zijde van Rijn inlichtte, was zelfs uitgesproken positief. Het gaat om De l’Allemagne van Anne Louise Germaine de Staël (1766-1817), dat in 1813 in Londen verscheen en waarvan nu [1993/red.] een selectie – ongeveer een derde van het geheel  in het Nederlands is vertaald.

Voor Madame de Staël was Duitsland beslist geen oorlogsmachine. Zelfs Pruisen (dat al in de achttiende eeuw een zeer soldateske reputatie genoot) neemt zij in bescherming. Ten onrechte had men het in het verleden beschouwd als een ‘grote kazerne’; heel wat kenmerkender zijn volgens haar “de Verlichting, het rechtsgevoel en de onafhankelijkheidsliefde die men er bij velen van alle rangen en standen aan- treft”.

Duitsland roept zij uit tot het “vaderland van het denken”. De Duitse schrijvers zijn “de geleerdste en diepzinnigste in Europa”, en ook voor de gewone Duitsers heeft zij vooral vleiende woorden over. Duitsers zijn ‘oprecht’ en ‘trouw’, ze werken hard en beschikken over een grote verbeeldingskracht. Een nadeel is hoogstens hun traagheid en hun gebrek aan esprit. En ze bekommeren zich te weinig om hun politieke vrijheid, want zo vermetel als ze zijn op filosofisch gebied, zo mak en gehoorzaam zijn ze tegenover de ‘machtigen der aarde’.

In de Franse romantische literatuur van de vroege negentiende eeuw, bij Balzac, bij Nerval en bij vele anderen, vinden we dezelfde Duitsers terug: zachtaardige, ietwat wereldvreemde dromers, met een bijzonder talent voor poëzie, muziek en metafysica. Bij Madame de Staël hadden de bedoelde schrijvers vaak voor het eerst met hen kennisgemaakt. Maar met haar boek, gebaseerd op twee lange reizen door Duitsland in respectievelijk 1803-1804 en 1807-1808 en op informatie van Duitse vrienden (in het bijzonder August Wilhelm Schlegel), beoogde zij nog wel wat meer dan alleen deze kennismaking. Door het Franse publiek uitvoerig te informeren over de Duitse cultuur, vooral de literatuur en de filosofie (over de beeldende kunst en de muziek vinden we opvallend weinig), hoopte zij een tegenwicht te bieden aan de ‘klassieke’ geest die in Frankrijk domineerde.

De literatuur werd daar, vond zij, met ‘steriliteit’ bedreigd. Men klampte zich vast aan het voorbeeld van de Oudheid, liet zich aan banden leggen door de ‘goede smaak’ en door de formele regels van de classicistische poëtica, en fnuikte zo het creatieve genie; ‘grootsheid’ was in de Franse literatuur een zeldzaamheid geworden. Met haar boek probeerde Madame de Staël hierin verandering te brengen. En met succes, want De l’Allemagne is een van de belangrijke bronnen van de Franse romantiek geworden, zij het pas na haar dood in 1817.

Vergeleken met Engeland en Duitsland is de romantiek in Frankrijk pas laat doorgebroken. Dat heeft onder andere een politieke oorzaak gehad, want in de jaren van de Franse Revolutie en het Napoleontische Empire regeerde ook in politieke zaken de classicistische imitatio: de revolutionaire leiders spiegelden zich aan de antieke volkstribunen, Bonaparte poseerde schaamteloos als Romeins keizer, zo nodig versierd met toga en lauwerkrans.

Ook daartegen richtte zich Madame de Staël, niet zozeer overigens tegen het uiterlijk vertoon, als wel tegen de onvrijheid die Revolutie en Empire met zich mee hadden gebracht. Hoewel zij de Revolutie in principe omarmde, moest zij niets hebben van de Jakobijnse dictatuur en nog minder van de Napoleontische dwingelandij. Tijdens het Empire belichaamde zij, samen met haar minnaar en geestverwant Benjamin Constant, de liberale oppositie.

Door de tegenpartij werd dat uiteraard niet in dank afgenomen. Na 1802 mocht Madame de Staël zich niet meer in Parijs vertonen en ten slotte werd zij verbannen naar haar landgoed in het Zwitserse Coppet. Ook haar boeken werden niet gespaard, met name De l’Allemagne, waarvan de eerste druk in 1810 op last van de minister van Politiezaken in zijn geheel werd vernietigd. In een brief (geciteerd in het voorwoord bij de Engelse editie) kreeg zij het verwijt een ‘onfrans’ boek te hebben geschreven.

In hetzelfde voorwoord verdedigt zij zich tegen alle beschuldigingen. Maar Napoleon had niet in blinde woede gehandeld; hoewel zijn naam in De l’Allemagne nergens wordt genoemd (op zichzelf al een teken aan de wand!) is het duidelijk dat de strekking van het boek tegen zijn bewind is gericht. En dat niet alleen op grond van die ene (in de vertaling weggelaten) passage over Attila de Hun, waarin de tijdgenoten een vermomd portret van de Franse keizer meenden te mogen herkennen.

Met heilige verontwaardiging en indrukwekkend pathos heeft Madame de Staël haar rol als slachtoffer gespeeld. In latere geschriften als Dix années d’exil (waarin zij haar verzet tegen Napoleon en haar ‘vlucht’ – in 1812 – uit Coppet beschrijft) en Considérations sur la Révolution Française is Napoleon het op macht beluste monster en zij de arme, weerloze vrouw, die om haar nobele idealen meedogenloos wordt vervolgd. In werkelijkheid was de relatie tussen Germaine de Staël en Napoleon Bonaparte iets gecompliceerder. Voor sommige biografen is er zelfs sprake geweest van een onbeantwoorde liefde – aan haar kant wel te verstaan. Feit is dat Madame de Staël in 1797, toen Bonaparte zijn eerste militaire successen had behaald, vol bewondering was voor haar latere vervolger. Zij zou hem hartstochtelijke brieven hebben gestuurd en een serieuze poging hebben gewaagd de plaats van Josephine de Beauharnais in te nemen.

Onwaarschijnlijk is dit alles niet, gelet op de enorme politieke ambities van Madame de Staël, die als dochter van Necker (de minister van Financiën van Louis XVI) al vroeg in het centrum van de macht verkeerde. Via haar salon, haar boeken en haar minnaars (van wie Benjamin Constant er maar een was) trachtte zij vervolgens ook persoonlijk de nodige invloed uit te oefenen. Bonaparte bleef echter ongevoelig voor haar avances. Op haar vraag welke vrouw hij het meest bewonderde zou hij hebben geantwoord: “De vrouw die de meeste kinderen baart”. Van intelligente, welbespraakte, erudiete schrijfsters met politieke aspiraties moest hij niets hebben, vooral niet als ze er ook nog de verkeerde ideeën op na hielden.

Dat laatste tekent het misverstand. Want het is niet zo dat Madame de Staël ooit bereid is geweest haar liberale overtuiging op te geven. De latere oppositie valt beslist niet alleen uit gekrenkte trots te verklaren; er was wel degelijk sprake van een fundamentele ideologische tegenstelling. Dat blijkt eveneens uit De l’Allemagne, waarin gepleit wordt voor verdraagzaamheid, voor onbaatzuchtige geestdrift, voor de vrije uitwisseling van ideeën.

In Madame de Staël leeft nog de kosmopolitische geest van de Verlichting, zij het niet in onversneden vorm. Er is iets nieuws bijgekomen, te weten het nationalisme, waarvan we niet mogen vergeten dat het een bij uitstek modern verschijnsel is en geen politiek fossiel uit het duistere verleden.

Tussen nationalisme en liberalisme bestaat voor haar dan ook geen serieuze tegenstelling. Beide veronderstellen elkaar eerder: zonder nationaal gevoel geen echte vrijheid. Duitsland levert het bewijs, want het is juist de onverschilligheid voor de vrijheid (gevolg van de enorme staatkundige versnippering en de daaruit voortspruitende onafhankelijkheid) die ertoe leidt dat men zich nauwelijks druk maakt om de Duitse nationale zaak. Zij gaat zelfs zo ver de Duitsers een gebrek aan ‘nationale vooroordelen’ te verwijten.

Het behoort tot de ironie van de geschiedenis dat niet Madame de Staël met haar welwillende aanbevelingen, maar Napoleon met zijn gewelddadig imperialisme het ontstaan van een nationaal besef in Duitsland heeft bevorderd. In de eerste plaats doordat hij het aantal onafhankelijke staten en staatjes drastisch reduceerde, in de tweede plaats doordat hij met zijn oppressieve politiek een nationalistische reactie ontketende.

In het voorwoord van De l’Allemagne (geschreven in de maand waarin dat Napoleon bij Leipzig werd verslagen) juicht Madame de Staël de eerste tekenen van een nationaal réveil toe. “Wat de filosofen in systemen ordenden is werkelijkheid aan het worden, en de onafhankelijkheid van de ziel zal de grondslag vormen voor die van de staten”, schrijft zij, niet vermoedend uiteraard dat het Duitse nationalisme al gauw een heel andere – chauvinistische – richting op zou gaan.

Van de ‘nieuwe jeugd’ en de ‘onschuld’, die zij in de Duitse romantische literatuur en filosofie ontwaarde, verwachtte zij een heil waarvan alle naties zouden kunnen profiteren, het aan egoïsme en machtswellust ten prooi gevallen Frankrijk voorop. “De naties moeten elkaar tot gids dienen”, lezen we in De l’Allemagne, “en ze zouden er alle verkeerd aan doen zich briljante opvattingen te ontzeggen die zij aan elkaar zouden kunnen ontlenen”.

Het pleidooi was tot de Fransen gericht, maar het zou weldra evenzeer in Duitsland van pas komen, waar het herlevende nationalisme gepaard ging met een virulente afkeer van alles wat maar uit Frankrijk afkomstig was, inclusief het Madame de Staël zo dierbare liberalisme. De schuld kreeg de romantiek in de schoenen geschoven, door Heinrich Heine bijvoorbeeld, die in de jaren dertig van de vorige eeuw in Frankrijk een eigen versie van De l’Allemagne publiceerde.

Beter bekend zijn de twee delen van dit boek onder hun Duitse titels: Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland en Die romantische Schule. Heine vereenzelvigt de romantiek met de neo-katholieke reactie en neemt het Madame de Staël kwalijk zo’n groot vertrouwen te hebben gesteld in het romantische dichten en denken. Zelf verwacht hij voor de toekomst meer van een anti-christelijke, door de filosofie van de Duitse Aufklärung geïnspireerde revolutie.

De aankondiging van die revolutie klinkt overigens nogal omineus. Het zou een revolutie worden, een oorverdovend knallen van de Duitse ‘donder’, waarbij de Franse Revolutie zou afsteken als “slechts een onschuldige idylle”. Achteraf heeft men hierin wel een voorspelling willen zien van Hitlers ‘nationale revolutie’ van 1933, maar dat lijkt toch een miskenning van Heine’s intenties. Uit de tekst kan men immers opmaken dat Heine naar deze revolutie met ongeduld uitzag, en dat maakt de kans niet groot dat hij zoiets als het Derde Rijk of de daarnaar vooruitwijzende oorlogsmachine van Valéry op het oog heeft gehad.

Voor Madame de Staël daarentegen was de Franse Revolutie meer dan genoeg; een nieuwe omwenteling achtte zij – in elk geval in Frankrijk – overbodig. De in 1789 begonnen revolutie moest alleen nog wel op een fatsoenlijke manier worden afgesloten. Ook daarbij spelen de ideeën die zij in De l’Allemagne propageert een rol. Want van ideeën zou Frankrijk het moeten hebben. Al eerder had zij geschreven:

“Het zijn de filosofen die de Revolutie zijn begonnen, en zij zullen haar ook beëindigen”. Als een van die filosofen zag zij ongetwijfeld zichzelf, getuige haar warme aanbeveling (in Considérations sur la Revolution française) van de Britse constitutie als het middel om ook in Frankrijk de vrijheid te waarborgen. Uit De l’Allemagne valt echter op te maken dat zij een institutionele verandering alleen niet toereikend achtte. Minstens zo belangrijk moet in haar ogen de ‘geestdrift’ zijn geweest, die in de laatste hoofdstukken van het boek hartstochtelijk wordt aangeprezen als een ethisch, religieus en zelfs politiek panacee. Of de geestdrift op al deze gebieden inderdaad zo effectief is geweest als Madame de Staël hoopte en geloofde, mag hier in het midden blijven. Waar het om gaat is dat zij voor het herstel van het Franse welzijn en geluk een remedie aanbeval, die voor een belangrijk deel afkomstig was uit het buitenland. Voor een ‘Chinese muur’ (het beeld is afkomstig uit De l’Allemagne) tussen de naties was in haar liberale vorm van nationalisme geen plaats, en waar zo’n muur dreigde te ontstaan, zoals tussen Frankrijk en Duitsland, heeft zij daadwerkelijk haar best gedaan om deze te slechten.

Dat het uiteindelijk niet heeft geholpen en dat de muur aan het eind van de eeuw hoger en dikker was dan ooit tevoren, kan zowel de Duitsers als de Fransen worden kwalijk genomen, maar niet Madame de Staël.

Eerder verschenen in De Volkskrant en op http://www.arnoldheumakers.nl/

Atjeh

Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse  geschiedenis

[Signalering] De auteur van dit mooie boek bevond zich het afgelopen decennium langere periodes in Atjeh, het meest westelijke deel van Indonesië. Atjeh was toen in wederopbouw na de verwoestende tsunami van 2004 en stond daardoor meer dan ooit open voor buitenlands bezoek. Op knappe wijze weet Stolwijk zijn persoonlijke ervaring in deze getraumatiseerde regio te combineren met een onderzoek naar de herinnering aan de Atjehoorlog, die 100 jaar eerder tot een einde kwam.

Stolwijk is diep in de archieven gedoken en beschrijft op treffende wijze het vernietigende karakter van deze toch wat vergeten oorlog uit de Nederlandse geschiedenis. Vanuit een beschrijving van hedendaagse militaire exercities die worden geflankeerd door zang, dans en ander vermaak, duikt hij moeiteloos de 19de eeuw in, naar het moment dat de militaire barakken net gebouwd zijn. Het zijn niet alleen plaatsen en gebouwen, maar ook objecten die hem helpen de verbinding met het verleden te leggen, zoals de militaire parafernalia en objecten uit het paleis van de sultan die hij na lang doorvragen bij een verzamelaar thuis te zien krijgt. De herinnering is nog tastbaar. Mooi en belangrijk daarbij is dat hij verder kijkt dan de oorlog zelf. Zijn hoofdstuk over de ‘Atjehmoorden’ is illustratief. Het verhaalt hoe in de jaren ’20 en ’30 kleine geweldsuitbarstingen steevast als uitingen van krankzinnigheid werden gekarakteriseerd, en Stolwijk beschrijft heel overtuigend hoe de psychiatrie hier functioneerde als een verlengstuk van de staat.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Oost-Indische spiegel

Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië

[Recensie] Het zal niet zo vaak voorkomen dat een literator de mogelijkheid heeft een literatuuroverzicht te maken dat afrondend is. Door het veel betreurde wegvallen van Indië als kolonie kreeg Rob Nieuwenhuys (zoon van de directeur van het bekende Hotel des Indes te Batavia) die kans. Als ‘Indisch schrijver’ werd hij al eerder bekend onder de schuilnaam Breton de Nijs, welke naam hij ook gebruikte bij het publiceren van het schitterende fotoboek Tempo Doeloe. Een paar weken geleden [1972/red.] kwam de Oost-Indische Spiegel uit, een ruim 600 pagina’s tellend standaardwerk over wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden.

Het minste wat je over het boek kunt zeggen is dat er een indrukwekkende hoeveelheid werk in zit, zeker omdat nog nooit eerder een poging was gedaan een compleet overzicht van deze zijtak van de Nederlandse letterkunde te geven. “De literatuur over Indië blijkt zeer overvloedig te zijn geweest” merkt Nieuwenhuys licht nahijgend in zijn verantwoording op, en “Bij de voltooiing van dit boek heb ik nauwelijks een gevoel van voldoening gehad, veel eerder van opluchting.”

Na lezing van het boek had ik ongeveer dezelfde reactie. Dat lag niet aan Nieuwenhuys, die voortreffelijk schrijft, maar aan de enorme hoeveelheid materiaal die in die 600 pagina’s geperst moest worden. Het onderwerp dwong Nieuwenhuys daarbij ook nog om zich niet te beperken tot een beschrijving van de literatuur, maar deze steeds te plaatsen tegen de sociale en politieke achtergrond van de betrokken periode. Voor de Indische letterkunde is dat essentieel omdat veel van het geschrevene direct verband houdt met de situatie van dat moment en de maatschappelijke positie van de schrijver: voor schrijvers ‘pur sang’ was in Indië niet veel plaats, veel auteurs deden het naast hun normale werk ofwel als hobby (en deze groep leverde vaak epigonenwerk op) of wel als protestuiting. Voor wie, zoals ik, maar matig op de hoogte is van de geschiedenis van Indonesië, zijn vooral de eerste hoofdstukken (de compagniestijd) interessant omdat er uit blijkt dat al heel vroeg, ruim voor Multatuli, kritiek op de samenleving van Nederlanders in Indonesië tamelijk frequent voorkwam:

“Snorken, pochen ende blazen, Daarvan hangt dit land aaneen. De minste weters zijn hier bazen. ‘t Zijn al dansers op één been.” (Mattijs Cramer, begin 18e eeuw.)

Ook het gevoel voor de rechten van de bevolking was er al vrij vroeg: “Wanneer ik bemerk dat men in Nederland onder liberaliteit verstaat het protegeren van Europese landbezitters ten koste van de inlandse bevolking die mij zo dierbaar is, dan moet ik mijzelf voor een ultra anti-liberaal verklaren.” (uit een brief van gouverneur-generaal Van der Capellen, 1822, aan zijn minister ). Dezelfde GG schreef in 1824 een proclamatie waarop Multatuli later mogelijk zijn toespraak tot de hoofden, van Lebak heeft gebaseerd:

“Wij hebben ons door eigen ogen willen overtuigen of de berichten die ons op onze last door anderen gegeven zijn en de mening die wijzelf van uw toestand gevormd hadden, met de waarheid overeenstemden. Wij hadden gewenst dat dit anders ware geweest, maar wij hebben tot ons diep leedwezen uw lot beklagenswaardiger gevonden dan wij ons hadden kunnen voorstellen. Gij zijt arm, terwijl de voorzienigheid de rijkste voortbrengselen aan uw grond geschonken heeft; gij zijt afhankelijk van andere volkeren, terwijl gij de vruchten van uw eigen vlijt en nijverheid niet hebt leren kennen, gij slijt uw dagen in onrust, omdat gij de weldaden van rust, recht en rechtvaardigheid niet kent; gij haat en miskent het wettige gezag der hoofden, uit oude geslachten gesproten, omdat hun belangen niet de uwe zijn (…) Menigvuldig en groot zijn uw rampen!”

Interessant is ook van Nieuwenhuys’ analyse van wat er in Lebak gebeurde met o.m. een citaat van wat een Indonesische historicus schreef over de door Douwes Dekker tegen de regent ingebrachte beschuldigingen: “Here we meet with a lack of understanding of the background of Javanese patrimonial -bureaucratic structure” (prof. dr. Sartono Kartodirdjo). Kortom, onze koloniale geschiedenis is niet zo zwartwit als we nu vaak geneigd zijn te denken, al scheelt het natuurlijk niet veel.

In de eerste plaats een leerboek

Nieuwenhuys bespreekt zo’n honderd schrijvers in zijn boek en het kost hem bijzonder veel moeite om ze te groeperen: “De gebruikelijke indeling in de verschillende literatuurboeken is voor de Indische letterkunde niet relevant. Sommige schrijvers zijn nog wel in te passen, andere niet. De minste moeilijkheid leveren figuren op als Multatuli, Huet of Couperus die voor het letterkundig leven in Nederland van betekenis zijn geweest. Men kan Huet hij Huet indelen, Multatuli bij Multatuli en Couperus bij Couperus.”

Inderdaad, als je het boek doorleest, dan valt het op dat er in de Indische letterkunde weinig volwaardige vertegenwoordigers van bepaalde schrijf  -scholen te vinden zijn. Men was ofwel een (zwakke) epigoon of wel men ontwikkelde een geheel vrije, op natuurlijk taalgebruik gebaseerde schrijfstijl.
Van het laatste is Multatuli het beste voorbeeld, maar ook Van der Tuuk en Walraven hebben een geheel vrije en hoogstpersoonlijke stijl, terwijl Nieuwenhuys in dit opzicht ook L.A. Koelewijn noemt, helaas zonder illustratief citaat. Maar eigenlijk kan men ook van Maria Dermoût, Beb Vuyk, Friedericy, Alberts, Tjalie Robinson en Aya Zikken hetzelfde zeggen.

Uit het bovenstaande mag blijken dat ik een hoop uit het boek heb opgestoken. Het is dan ook in de eerste plaats een leerboek, waarbij de leesbaarheid nogal eens te lijden heeft onder de noodzaak om een min of meer compleet beeld te geven van wat er zoal over Indië is geschreven. Jammer is dat de beperkte plaatsruimte Nieuwenhuys er ook toe gedwongen heeft het aantal citaten tot een minimum te beperken, waardoor de nieuwsgierigheid die hij kweekt zelden bevredigd kan worden door voorbeelden. Ik hoop dan ook dat het boek ooit aangevuld zal worden met een bloemlezing, en dan wat mij betreft graag een extra portie citaten uit de compagniestijd, waarvan Nieuwenhuys het volgende gruwelijke voorproefje geeft:

“De beul met hem (de veroordeelde) naar die galg, die zeer zwak en van hout was, geklommen, stortte met de misdadiger, zodra hij hem van de ladder stiet, met galg en al van boven neer; dat wel enig ongemak zou hebben kunnen geven zo de troep soldaten, die bij zulk een geval altijd rondom het schavot geposteerd is, zich niet wel gestoten had. De scherprechter die een wakker kerel en niet verlegen was, maakte de misdadiger op order van de fiscaal ten eerste los, bracht hem weer op het schavot en hong hem aan één van de palen daaromtrent, doch door het breken van de lijn kwam hij ten tweeden male beneden. Hij meende daarmede vrij te zijn en de borst wist niet hoe hij het nu hebben zou, doch ingevolge van zijn vonnis moest hij hangen tot er de dood na volgde waarop dan de beul hem de derde maal zo wel en zeker ophing dat hij een inwoner van de lucht bleef.”

Over de compleetheid van Nieuwenhuys’ boek zal hij vermoedelijk zelf als enige een oordeel kunnen geven. Wel viel het ontbreken van E.F.E. Douwes Dekker me op, kleinzoon van Multatuli’s broer, in 1912 oprichter van de Indische Partij, journalist, schrijver en revolutionair. Wie Zentgraaff een plaats geeft, zou Douwes Dekker niet mogen overslaan, lijkt me.

Daarnaast ken ik nog wel enkele boekjes, zoals bijvoorbeeld Sergeant Weers van Abraham Exodus (1930) en vooral Taptoe van A. Prell (1904) die tot mijn spijt niet door Nieuwenhuys besproken werden. Ook is het jammer dat Peter Andriesses voortreffelijke verhalenbundel De roep van de Tokeh niet vermeld is, vermoedelijk omdat het verscheen toen Nieuwenhuys zijn tekst al ingeleverd had, want andere redenen kan ik me niet voorstellen. Peter Andriesse zal waarschijnlijk wel de laatste naam zijn die Nieuwenhuys aan het naamregister van zijn boek zal moeten toevoegen. In het blad Tong-Tong (Het enige indische blad ter wereld, trouw, branie, ondernemend ) zal Tjalie Robinson (onder de naam Vincent Mahieu schrijver van twee heel mooie verhalenbundels ) nog wel een tijdje doorgaan met kipassen om het vuurtje brandende te houden, maar het is eigenlijk al lang uit.
Hoe jammer dat is, althans voor onze literatuur bewijst dit boek van Nieuwenhuys.

Eerder verschenen in De Nieuwe Linie en op www.hansvervoort.nl

Met hoofd en hart

Over hoe verpleegkundigen werken en wat ze mee maken

[Voorpublicatie] Op één mei verschijnt Met hoofd en hart, het relaas van voormalig verpleegkundige Christie Watson die haar belevenissen in de medische wereld optekende. Watson “leidt ons door ziekenhuisgangen naar premature baby’s die aan een netwerk van slangetjes vechten voor hun leven. Ze brengt ons naar een zaal waar kankerpatiënten chemotherapie toegediend krijgen en we staan naast haar op de geriatrische afdeling, waar zich de kwetsbaarste mensen van onze samenleving bevinden. Ze maakt ons deelgenoot van de doodgewone en toch bijzondere levens die het pad van een verpleegkundige kruisen. Vroeg of laat komen we allemaal in aanraking met ziekte, van onszelf of van onze dierbaren. Zo maken we ook allemaal het moment mee waarop we afhankelijk worden van de steun en de waardigheid die verpleegkundigen ons bieden. Hun belangrijke werk in de voorhoede van de zorg doen ze grotendeels achter de schermen en uit het zicht van het publiek.

Met hoofd en hart is een eerbetoon aan verpleegkundigen, patiënten en hun naasten. Een oprecht, ontroerend en prachtig geschreven boek over hoop en troost, zorgzaamheid en compassie, leven en dood.” [Van de achterflap]

 

De Leesclub van Alles publiceert als voorpublicatie het eerste hoofdstuk van Met hoofd en hart.

Ergens onder mijn linkerribben

Ik haalde diep adem en luisterde naar het vertrouwde
kloppen van mijn hart. Ik ben, ik ben, ik ben.
Sylvia Plath, De glazen stolp

 

De operatiekamer moet voor patiënten een angstaanjagend oord zijn; voor mij wordt die echter al normaal.
Het is verbluffend waar je als mens aan gewend raakt.
Dat was in het begin wel anders.
De eerste operatie waarbij ik mag toekijken, is een hart-longtransplantatie. Ik ben negentien jaar en nog in opleiding. De operatie duurt waanzinnig lang: meer dan twaalf uur. Er is een team van chirurgen voor nodig die elkaar als estafettelopers aflossen, maar in plaats van het stokje geven ze een menselijk hart en longen aan elkaar door. Ik heb die dag de zorg voor de patiënt die een nieuw stel longen krijgt: een jongen van veertien, Aaron, met taaislijmziekte. Hij heeft een vermoeid klinkende, natte hoest en een ziekelijk bleke huid; hij ligt met zuurstofslangetjes in zijn neus in bed. Ik ga hem voorbereiden op de operatie. Ik wrijf cacaoboter op zijn droge knieën, neem zijn gameboy in en zweer die met mijn leven te zullen bewaken. Ik bevochtig zijn lippen met een zalmroze sponsje dat ik in steriel water doop, want ik wil absoluut voorkomen dat hij bacteriën binnenkrijgt.
Rond Aarons bed hangen snoeren met lichtjes in de vorm van sterren en manen, en onder zijn kussen heeft hij een tijdschrift verstopt. Naast zijn bed hangt een prikbord dat zijn stiefvader met dubbelzijdige tape aan de muur heeft geplakt, met een mozaïek van foto’s van hem en zijn vrienden; ze lachen op elke foto. Het is gebruikelijk om de ziekenhuiskamer van een kind een persoonlijk tintje te geven. Op het zuurstofsysteem en de zuigpot met de dikke, transparante slangen na zou het een typische tienerkamer kunnen zijn.
We kletsen alsof er niets aan de hand is, maar als patiëntenvervoer hem komt ophalen om hem naar de narcosekamer te brengen, pakt hij zijn moeder beet. ‘Niet weggaan voordat ik slaap,’ zegt hij. Dan kijkt hij mij aan.
‘En jij bent er de hele tijd bij?’
‘Ik ben er. Kunnen we?’
Hij schudt zijn hoofd. Ik knik toch naar de mensen van patiëntenvervoer, die zijn bed door de klapdeur naar de gang en weg van de afdeling duwen. Een van de twee, een opgewekte jonge vrouw, fluit onafgebroken. De muren zijn kindvriendelijk beschilderd met dieren en bloemen.

Kinderen lopen langs met infuusstandaards, met hun ouders of een glimlachende verpleegkundige achter hen aan. De vrouw van patiëntenvervoer fluit, Aaron schudt nogmaals nee. Zijn moeder houdt zijn hand vast terwijl ze snel naast het rijdende bed meeloopt. Ik kijk met één oog naar de monitor aan Aarons voeteneinde die het zuurstofgehalte in zijn bloed aangeeft. Ik hoop vurig dat het niet daalt. Niet nu, denk ik bij mezelf. Blijf alsjeblieft stabiel. Ik ken verhalen van kinderen die vast komen te zitten in de lift, waarna de zuurstof opraakt en
ze een hartstilstand krijgen die pas behandeld kan worden als er een liftmonteur gevonden is. Ik ben nerveus, maar ik heb de kenmerkende gezichtsuitdrukking van de verpleegkundige al aangeleerd. Ik vertraag mijn ademhaling, beweeg bedachtzaam en dwing mezelf tot ontspannen lichaamstaal en een vriendelijke glimlach.
Toen een van onze docenten uitlegde hoe belangrijk onze stages zijn om ervaring op te doen, vertelde ze dat een patiënt weet dat het foute boel is als hij een ervaren verpleegkundige bezorgd ziet kijken.
De operatieafdeling is een labyrint van gangen met defibrillators en karretjes met steriele, blauwe lakens over defibrilleerpeddels en ingewikkelde luchtwegsets.

De operatieverpleegkundigen lopen altijd gehaast; hun klompen piepen op de glimmende vloer en hun halfgesloten ok-jassen wapperen achter hen aan alsof het goochelaarscapes zijn. Er zijn talloze voorraadkamers, waar een verpleegkundige elke ochtend en elke avond een checklist afvinkt: de uiterste houdbaarheidsdatum, het aantal sets, de datum dat er nieuwe voorraad wordt besteld. In een hoek staat een autoclaaf waarin instrumenten worden gesteriliseerd. Ook is er een bloedgasanalyser, die de verpleging inzicht geeft in de werking van de narcose en aangeeft dat een patiënt zuurstof krijgt toegediend of dat zijn bloed te veel kooldioxide bevat.
De lucht in de kronkelende, schemerig verlichte gangen voelt zwaar, alsof er herinneringen in zijn blijven hangen.
Als je goed luistert, vang je er gefluisterde verhalen op over de verkeerde nier die werd verwijderd, of die keer dat de stroom uitviel en de generator niet aansloeg, of de keer dat de patiënt werd gedefibrilleerd, de zuurstof niet werd losgekoppeld en er een explosie plaatsvond die klonk alsof er een bom afging, waarbij een verpleegkundige een lelijke hoofdwond opliep en op de intensive care belandde. Als de muren konden praten…

De meeste mensen die in een ok terechtkomen, weten er na afloop weinig tot niets meer van. Ze worden in slaap gebracht en komen weer bij zonder veel besef van wat er in de tussentijd is gebeurd. Operatieverpleegkundigen zien alles. Soms grappige dingen. De chirurg en een verpleegkundige in de linnenkamer, allebei half ontkleed.
De patiënten die tijdens een kleine ingreep een erectie krijgen als gevolg van de narcose, een penis die met elke beweging van het scalpel op en neer beweegt, vaak op de maat van de muziek die de chirurg heeft laten opzetten. Ik heb met een chirurg gewerkt wiens operatiebroek op een cruciaal moment afzakte, zodat hij in zijn Bart Simpson-boxershort stond. Een van de verpleegkundigen deed een stuntelige poging om zijn broek weer op te hijsen, terwijl hij riep: ‘Laat dat. Laat dat!’
Maar de ok is ook de plek waar leven en dood letterlijk in andermans handen liggen. Meestal gaat het goed, maar als het misgaat, is het rampzalig. Wanneer de toestand van een patiënt verslechtert, kan de ordelijke, kalme, steriele omgeving in een slagveld veranderen.

Anesthesisten doen hun best om te voorspellen welke patiënten een risico vormen – mensen met obesitas, rokers, zwangere vrouwen et cetera – maar er kunnen altijd verrassende dingen gebeuren. Soms zeggen patiënten dat ze bijkwamen tijdens de operatie en zich niet konden bewegen, wat kan gebeuren als de spierverslapper die ze krijgen toegediend wel effect heeft en het verdovende middel niet. Er zijn patiënten die slecht reageren op de narcose, met een gevaarlijke daling van de bloeddruk tot gevolg, of in uitzonderlijke gevallen zelfs een hartstilstand.
Ik heb voor patiënten gezorgd die na de operatie te horen kregen dat het in de ok even de verkeerde kant op ging, maar dat de chirurg hen had weten te stabiliseren.
De taal die de verpleging bezigt is soms lastig. Een hartcel in een petrischaaltje pulseert. Eén enkele cel. Andermans hartcel in een petrischaaltje pulseert weer in een ander ritme. Maar als die twee cellen elkaar raken, nemen ze hetzelfde ritme aan. Een arts kan dit wetenschappelijk verklaren, maar een verpleegkundige weet dat wetenschappelijke taal tekortschiet: ‘Uw man/vrouw/kind is tijdens de operatie drie keer doodgegaan, maar het geluk was vandaag met ons en met een paar flinke stroomstoten en borstcompressies, waarbij waarschijnlijk een paar ribben zijn gebroken, hebben we hem/haar teruggehaald.’
Een verpleegkundige vertaalt dat in woorden die een leek kan bevatten, als een vreemde vorm van poëzie.
Ik probeer niet te denken aan wat er in de ok kan gebeuren, aan alles wat er mis kan gaan – en is gegaan. Ik neem mijn vanbuiten ontspannen, vanbinnen paniekerige pose aan totdat we in de narcoseruimte vol geruststellende apparatuur zijn. Daar worden we begroet door een ontspannen glimlachende anesthesist. ‘Zo, dag moeder.

Hallo, Aaron.’ Ze stelt zich voor en houdt oogcontact met Aaron terwijl de operatieassistent op de achtergrond druk bezig is met de voorbereidingen en injectienaalden klaarlegt. Ik sta aan het voeteneinde van het bed en zal Aarons moeder wegleiden zodra Aaron onder narcose is gebracht en ze de kamer moet verlaten. We willen niet dat ze getuige is van de volgende fase: de ogen die met tape worden afgeplakt, het hoofd dat zo ver mogelijk achterover wordt gelegd, de tube die in de luchtpijp wordt ingebracht, naalden die in aders worden gestoken, kleding die wordt verwijderd. De huid die vervolgens met een jodiumoplossing roestbruin wordt gekleurd zodat de patiënt er niet langer uitziet als een menselijk wezen, maar eerder als een homp vlees. Klaar voor de chirurgen, over wie het Britse parlementslid Lord Thurlow in 1800 zei: ‘De chirurgie is net zomin een wetenschappelijk vak als dat van slager.’ De chirurgie werd als een dermate minderwaardig beroep beschouwd dat in de middeleeuwen zelfs vrouwen het mochten uitoefenen. Dat bleef zo tot in de achttiende eeuw, toen chirurgen voor het eerst werden opgeleid aan universiteiten, waar vrouwen niet werden toegelaten. De houding tegenover en het aanzien van de chirurgie zijn sindsdien enorm gestegen, in tegenstelling tot de verpleegkunde, die juist in aanzien lijkt te dalen.

Ik wacht, met mijn kaken stijf op elkaar, op het vreselijke moment dat het kind onder narcose wordt gebracht en de moeder het een laatste kus moet geven en het in de handen van vreemden moet achterlaten. Ik heb ontzag voor de anesthesist, die kalm en geruststellend blijft praten, hoewel ze in haar eentje verantwoordelijk is voor de toestand van een ernstig zieke patiënt tijdens een risicovolle ingreep.
De eerstvolgende operatie die ik meemaak, ben ik samen met Jess, een medestudente. Ook dan raak ik diep onder de indruk van de anesthesist, tot Jess me vertelt dat ze een verhouding met hem heeft gehad. Tijdens de operatie schuift ze haar mondmasker zo ver omhoog dat het haar ogen bijna bedekt. ‘Wat doe je?’ vraag ik. ‘Ik ben met iedereen hier naar bed geweest,’ zegt ze. ‘Op de patiënt na.’
Nu loop ik met Aarons moeder mee. Ik omhels haar en wilde dat ik iets kon doen, woorden kon vinden om haar te troosten.
‘Dat was het moeilijkste moment van mijn leven,’ zegt ze. ‘Het allermoeilijkste.’
Ik zweer dat ik nooit zal onderschatten hoe moeilijk het moet zijn om het leven van je kind toe te vertrouwen aan onbekenden, al zijn die nog zo deskundig.

In elk ziekenhuis kom je in de gangen buiten de operatiekamers verpleegkundigen tegen die een arm om een familielid hebben geslagen en hun verzekeren – of niet – dat de operatie goed zal verlopen. Samen met Aarons moeder loop ik terug naar de afdeling, waar ze in huilen uitbarst. Ik blijf even zonder iets te zeggen bij haar zitten.
Uiteindelijk kijkt ze op de klok.
‘De operatie gaat uren duren,’ zeg ik. ‘Nog de hele dag. Heb je iets om de tijd door te komen? Ik ga zo terug naar Aaron.’
‘Ik heb afgesproken met mijn zus,’ zegt ze. ‘Ik zal proberen bezig te blijven.’
Ik glimlach naar haar. Ik zeg niet wat ze wil horen; die les heb ik al geleerd. Een week eerder moest een van de eerste baby’s voor wie ik zorgde een betrekkelijk eenvoudige ingreep ondergaan om een gat in zijn hart te dichten.

‘Het komt helemaal goed,’ stelde ik de ouders herhaaldelijk gerust. Maar het kwam niet goed. Hij kwam niet terug uit de ok, maar overleed op de operatietafel. Ik had het totaal bij het verkeerde eind. Zijn ouders waren radeloos, volkomen in de war. Ik vertelde mijn leidinggevende van mijn fout en huilde tranen met tuiten. ‘Over een tijdje zijn ze dat vergeten,’ zei ze. ‘Voor hen maakt het geen verschil. Je hebt niets verkeerd gedaan.’ Toch weet ik dat mijn woorden verkeerd waren. Ik zie zijn gele truitje nog steeds voor me.
Ik zeg dus niet tegen Aarons moeder dat het goed komt. Dat zal ik nooit meer tegen iemand zeggen, ik heb mijn lesje geleerd. Want we weten het gewoon niet.
‘Zoek afleiding,’ zeg ik. ‘Anders gaat de tijd zo langzaam.’

[…] De grote operatiekamer staat vol mensen en toch kun je er een speld horen vallen. Op een plank hoog boven de chirurg staat een radio, maar die staat niet aan; de geruststellende achtergrondmuziek tijdens de operatie ontbreekt. In een operatiekamer betekenen de woorden ‘Zet de muziek af ’ dat er iets niet goed gaat: er is een slagader geraakt, er treedt een bloeding op, de bloeddruk daalt, het hart staat stil. Maar vandaag is het ontbreken van muziek gewoon een teken dat er heel veel op het spel staat. Ik kijk toe vanaf een speciaal platform, samen met een groep geneeskundestudenten en artsen in opleiding: een volle operatiekamer betekent dat het om een interessante of baanbrekende ingreep gaat, vandaar dat die vaak als lesmateriaal dient. Tegenwoordig worden operaties gefilmd en via een livestream door chirurgen over de hele wereld bekeken; niet alleen als opleidingsmateriaal, maar ook om buitenlandse collega’s te raadplegen, zodat bijvoorbeeld een Amerikaanse expert in een specifiek onderdeel van de ingreep zijn kennis kan delen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn.
In de ok zijn schermen waarop alles te zien is, voornamelijk bedoeld voor de mensen die de operatie uitvoeren.
De meeste ogen volgen op het scherm de handen van de chirurg in de patiënt; die draaien en kronkelen als de handen van een Balinese danseres en bewegen met de grootst mogelijke precisie perfect synchroon rondom het kloppende hart. Ik geloof niet dat ik ooit zoiets moois heb gezien als het kloppende hart van Aaron, vlak voor mijn ogen. Natuurlijk zal ik een aantal jaren later iets zien wat me nog dieper raakt: het nauwelijks waarneembare pulseren van het hartje van mijn eigen dochter, bij de eerste echo.

Aaron vormt het middelpunt van de ok. Zijn lichaam lijkt inmiddels een uitgeholde boomstam. De chirurg zit met zijn handen in hem. Wat een wonderlijk voorrecht om je handen in een menselijk lichaam te mogen steken, om met je vingertoppen een hart aan te raken, om heel even één te zijn. Daar denk ik aan terwijl ik de operatie volg: dat de chirurg en de patiënt één zijn met elkaar, zoals een moeder één is met haar ongeboren kind, met wie ze een tijdlang één lichaam deelt. De ruimte ruikt naar chloor, bleekmiddel en zweet. Er hangt ook een vreemde, scherpe, metalige geur, waarschijnlijk van bloed. De muren zijn schoon, maar ik weet dat de hart-longmachine, die tijdens operaties al het bloed van de patiënt aanzuigt en doorstuurt naar een kunstlong, een keer is opengebarsten. De muren en het plafond, het personeel en alle apparatuur zaten onder het bloed. Een horrorfilm.

Ik huiver en richt mijn aandacht op Aarons haar. Dat herinnert me eraan dat hij geen kadaver is dat wordt geslacht, maar een jongen die gek is op astronomie, wiens gebutste gameboy ik veilig heb opgeborgen. Het lichaam van de chirurg staat volstrekt roerloos over Aaron heen gebogen, alleen zijn handen en armen bewegen. De andere chirurgen (ik tel er in totaal vier) staan tegenover hem. Een van hen hanteert een zuigkatheter waarmee hij het bloed rondom de handen van zijn collega wegzuigt zodat deze beter kan zien wat hij doet. Een andere chirurg houdt alleen een grote operatielamp op Aaron gericht. Er zijn overal lampen en het is belachelijk warm, zelfs in luchtige scrubs. Toch is het nooit licht genoeg. Ik sla het operatieteam gade – bijna allemaal mannen op leeftijd, een enkele vrouw – en probeer me voor te stellen in welk stadium van zijn loopbaan de man die de lamp bedient zich bevindt. Hoe promoveer je van lamp naar afzuigkatheter naar dansende handen? Daarvoor moet je waarschijnlijk eerst een leven lang toekijken. Chirurgie fascineert me, vooral in dit academische ziekenhuis waar niets routine is omdat het altijd om kinderen met complexe en ernstige kwalen gaat.

Maar vandaag zit ik hier niet om naar de chirurg te kijken. Naast hem staat een vrouw met brede schouders en dun haar dat onder de voorkant van haar operatiemuts vandaan piekt. Ze houdt haar dubbel gehandschoende handen voor haar lichaam, vingers gespreid, de handpalmen naar beneden. Voor haar bevindt zich een lange tafel met metalen instrumenten, die als glinsterende diamanten op het witte plafond afketsen. Zij is de operatieassistent.
Om de zo veel tijd zegt de hoofdchirurg of een van zijn assistenten iets zonder op te kijken, waarop zij een instrument pakt – een scalpel, een hechtset, een klem of een tang – en hem dat overhandigt, met het handvat naar voren, zoals je een schaar aangeeft. Soms reikt ze hem al iets aan voordat hij erom vraagt. Een blik over en weer is genoeg. Als de chirurg klaar is met een instrument, wendt de operatieassistent zich tot de verpleegkundige, die achter haar staat met een plastic blad en dat vervolgens achter zich op een tafel zet. Niets verlaat de kamer. Alles wordt geteld en opnieuw geteld.

‘Voor het geval dat de chirurg per ongeluk een prop watten achterlaat in een lichaamsholte, een scalpel in een long, gaas in de ingewanden,’ zal de operatieassistente me de volgende dag met haar schorre stem vertellen.
‘Maar we zijn wel ergere dingen kwijtgeraakt. En als het niet naar wens verloopt, wordt er ook weleens met instrumenten gesmeten.’
‘Gesmeten?’
‘Door de chirurg. Een enkele keer naar een verpleegkundige.’
Ze kijkt me met half toegeknepen ogen aan en glimlacht. ‘Het is een erg stressvolle baan.’
Ik weet niet of het waar is wat ze zegt, zelfs niet of ze bedoelt dat de baan van de chirurg stressvol is of de hare, maar ik durf het niet te vragen.
Ze heeft een sprankel in haar ogen die je alleen van dichtbij kunt zien en die me nu pas opvalt. Ze heeft een gaatje in haar neusvleugel van een piercing, en later hoor ik dat ze gek is van motoren. Ze ziet er totaal niet uit zoals ik me een verpleegkundige voorstel. Ik heb inmiddels genoeg operaties meegemaakt om te beseffen dat haar baan niets voor mij is. Vandaag de dag worden ok-verpleegkundigen in het hele operatiecentrum ingezet – van de holding, ofwel de voorbereidingsruimte, tot aan de operatiekamers, de verkoeverkamer of bij poliklinische ingrepen – maar destijds deed een operatieassistente gedurende haar hele carrière hetzelfde werk, net zoals nachtzusters altijd ’s nachts werkten. Tegenwoordig worden er wisselende diensten gedraaid. Ik weet dat ik niet bijster systematisch ben, dat ik slecht urenlang stil kan staan en de hitte in de ok bijna niet verdraag. Toch kijk ik tijdens de operatie urenlang naar de grote handen van de operatieassistente. Het ene moment zijn die volmaakt bewegingloos, dan komen ze plotseling in actie, op een bijna agressieve manier, om vervolgens weer rustig af te wachten. Ze bewegen op een compleet andere manier dan de mooie, fijngevoelige handen van de chirurg.

Ik kijk naar de ogen van de verpleegkundige. Stel me voor wat die allemaal hebben gezien. Nu en dan rust haar blik op de verrichtingen van de chirurg, dan schieten haar ogen door de kamer naar de monitoren achter hem om de vitale functies te controleren. Of ze kijkt naar de perfusionist met zijn felgekleurde bandana, die zittend op een kruk de hart-longmachine bedient en koortsachtig aantekeningen maakt op een klembord. De machine ziet er futuristisch uit, met slangen die draaien en kronkelen als een waterglijbaan in een pretpark. Ze kijkt een fractie opzij naar de assistent-verpleegkundigen bij de deur, naar de transplantatiecoördinator die een orgaandoos vasthoudt met daarin het hart en de longen van de donor. Het is een vierkante witte doos met het opschrift menselijk weefsel. Haar blik blijft lang op de doos rusten; dan maakt ze oogcontact met de coördinator.

De blik die ze uitwisselen is veelzeggend. Ik begrijp de ernst ervan nog niet, maar besef wel dat het een belangrijk moment is. Er gebeuren wonderen in deze ruimte, wonderen van technologie, chirurgische techniek, wetenschap en geluk, naast het verdriet en het verlies waarvan de verpleegkundige zich doordrongen is.
De transplantatiecoördinator is degene die de spil vormt tussen leven en dood. Hij of zij praat met familieleden van een recent overleden dierbare over het afstaan van organen waarmee iemand anders kan blijven leven.

Waarmee Aaron kan blijven leven. Door de jaren heen heb ik veel van deze experts gesproken, allemaal verpleegkundigen met een verschillende achtergrond die gespecialiseerd zijn in harttransplantaties, levende donoren of alle rollen die bij verschillende soorten orgaandonaties komen kijken. Zij coördineren de hele gang van zaken tussen donor en ontvanger, een periode van vierentwintig uur waarin elk moment het beslissende telefoontje kan komen. Toch overlijden er in Engeland elke dag gemiddeld drie mensen die op een orgaan wachten.

Orgaandonatie zou verplicht moeten zijn, tenzij iemand bezwaar maakt. ‘Ja, tenzij’, zo gaat het in veel andere landen. Wie graag een orgaan wil krijgen omdat hij anders doodgaat, moet bereid zijn zich zelf als donor aan te melden. Wie gaat er nou liever dood dan een donororgaan te ontvangen? Niemand zou mogen overlijden in afwachting van een nier die anders wordt begraven of gecremeerd.

Het hart kan nog tweeënzeventig uur blijven kloppen nadat je hersendood bent verklaard. De transplantatiecoördinator bespreekt dit met de familie van de donor en probeert uit te leggen dat hun dierbare is overleden, ook al werkt zijn of haar hart nog steeds. De coördinator steunt de familie als die ervoor kiest om niet te doneren of als ze willen wachten totdat het hart helemaal stilstaat – ook daarna is het nog mogelijk om hartkleppen te doneren.

Eén orgaandonor kan meerdere mensen helpen: één nier gaat naar een dialysepatiënt in Southampton, de andere naar een kind met nierfalen in Bradford; de lever gaat naar een ex-alcoholist in Dumfries; bot, pezen, kraakbeen, huid, hoornvlies, alvleesklier, longen, hart – allemaal verdeeld over en bezorgd bij patiënten die wanhopig zijn, die in sommige gevallen zullen overlijden terwijl ze op de wachtlijst staan tenzij ze een transplantatie ondergaan. Is er een groter geschenk denkbaar?
Er zijn ook mensen die bij leven een nier doneren, gewoon omdat ze een mensenleven willen redden. Dat is mededogen van een onvoorstelbaar hoog niveau.

Het komt niet vaak voor dat je de transplantatiecoördinator bij de ontvanger aantreft. Meestal bezorgt een medisch koerier de organen, verpakt in een zak met een speciale vloeistof die eruitziet als half gesmolten Slush Puppie. Als de familie toestemming geeft voor orgaandonatie (of, zoals in veel landen het geval is, wanneer de patiënt voor zijn dood toestemming heeft gegeven), duurt het nog even voordat de transplantatie plaatsvindt; eerst is er tijd voor onderzoek en afscheid. De coördinator zal alles in het werk stellen om deze periode zo pijnloos mogelijk te maken voor de familie. In Amerika maken ze bijvoorbeeld een afdruk van de hand van de patiënt of laten ze zijn of haar huisdier naar het ziekenhuis komen. De transplantatiecoördinator verzorgt de donor, voor en na het overlijden, en blijft bij de nabestaanden terwijl de organen uit het lichaam worden genomen – om weer tot leven te komen in een ander lichaam.

Ik sta daar totdat ik mijn tenen niet meer kan voelen, en de teams, de operatieassistente incluis, drie keer zijn vervangen. Al die uren. Zo moe heb ik me nog nooit van mijn leven gevoeld en tegelijkertijd ben ik nog nooit zo wakker geweest. Mijn ogen zijn wijdopen.

Al een paar weken na de operatie ziet Aaron eruit als een totaal ander kind. Zijn huid heeft weer kleur, de zuurstofslangen zijn verdwenen en zijn akelige natte hoest is verdwenen. Zijn kamer is een gezellig rommeltje van boeken en games en beterschapskaarten.
‘Ik ben opeens gek op aardbeienijs,’ zegt hij. ‘Vroeger vond ik het niet lekker, maar nu lust ik het wel elke dag. Als ontbijt, middageten en avondeten. En tussendoor,’ voegt hij er met een veelzeggende blik aan toe. Hij is ervan overtuigd dat hij bepaalde karaktereigenschappen en emoties van de donor heeft overgenomen. Het zijn diens longen die Aarons taaislijmziekte hebben genezen, maar hij denkt vooral aan het hart dat hij erbij heeft gekregen.
Hij is niet de enige die gelooft dat het hart meer is dan een spier met cellen en kleppen. Hoogleraar Bruce Hood, cognitief neurowetenschapper aan de University of Bristol, heeft onderzocht of het mensen iets uitmaakt van wie ze een orgaan ontvangen. Hij constateerde een overweldigend negatieve respons bij het idee het hart van een moordenaar te krijgen. Toen ik over dit onderzoek las, vroeg ik me af of ik zelf het hart van een moordenaar zou accepteren. En stel dat mijn persoonlijkheid zou veranderen, op grond van mijn gevoelens over het feit dat ik het hart van een moordenaar had gekregen, zou de oorzaak van die verandering dan relevant zijn?

Medici zijn sceptisch over veel dingen, onder andere over het idee dat het hart een geheugen heeft. Bewezen is dat het hart voornamelijk een verzameling is van zenuwen en spieren. Een onderzoek onder zevenenveertig patiënten die een harttransplantatie ondergingen, vergelijkbaar met die van Aaron, wees uit dat 15 procent weliswaar het gevoel had dat hun persoonlijkheid na de transplantatie was veranderd, maar dat dit toe te schrijven was aan de levensbedreigende gebeurtenis die ze hadden ondergaan. Ander bewijs dat het hart emoties bevat – of met emoties in verband te brengen is – is puur anekdotisch.
Toch onderzoeken de kunst, de literatuur en de filosofie al meer dan vierduizend jaar de diepere betekenis van het hart. De oude Egyptenaren geloofden bijvoorbeeld dat het hart symbool stond voor de waarheid. Wanneer iemand was overleden, werd zijn hart gewogen: in de schaal aan de ene kant van de weegschaal werd het hart gelegd en in de schaal aan de andere kant de veer van de waarheid. Waren hart en veer niet in balans, dan zou een demon het hart verslinden en zou de ziel nimmer rust vinden. Wat zal er in de cynische wereld van nu met onze ziel gebeuren? Wij hebben niets om ons hart tegen af te wegen.

Verpleegkundigen zijn niet expliciet op zoek naar zingeving, maar zingeving is wel onlosmakelijk verbonden met ons dagelijks werk. We gebruiken de taal van het hart. We begrijpen dat een patiënt een gebroken hart kan hebben en accepteren dat mensen eraan dood kunnen gaan. Dat maken we vaak van nabij mee. En een goede verpleegkundige werkt vanuit het hart, niet vanuit het hoofd.

Aaron vraagt of ik hem wil helpen een brief te schrijven aan de moeder van de jongen die overleden is en hem zijn hart heeft gegeven. Hij kan haar niet rechtstreeks schrijven, maar de transplantatiecoördinator zal informeren of de moeder genegen zou zijn om zo’n brief te ontvangen. In dat geval zal de coördinator ervoor zorgen dat de brief op een passend tijdstip anoniem aan haar wordt overhandigd. Er zijn twintig jaren verstreken sinds ik Aaron heb geholpen met het schrijven van die brief, maar ik ben nooit vergeten wat hij schreef en waar ik om moest lachen: ‘Hield uw zoon van aardbeienijs?’
Maar hij schreef ook iets waar ik om moest huilen: ‘Het is niet eerlijk dat uw zoon dood is, zodat ik kon blijven leven. Ik beloof u hierbij dat ik hem nooit zal vergeten.’
Ik denk aan de blik die de operatieassistent en de transplantatiecoördinator uitwisselden. Ik denk aan de veelzijdigheid van mijn beroep. De ene dag boen je je handen, geef je de chirurg instrumenten aan en tel je de operatiewatten. De volgende dag reik je de chirurg instrumenten aan nog voordat hij of zij erom heeft gevraagd.
En weer andere dagen staan verdriet en verlies centraal en help je een puber met het schrijven van een moeilijke brief.
Aan het eind van mijn dienst vertrouwt Aarons moeder me toe dat hij altijd al dol is geweest op aardbeienijs, maar dat ze hem geen zuivelproducten gaf omdat die slijmvorming in de hand werken.
Haar glimlach telt voor duizend. ‘Nu mag Aaron zo veel aardbeienijs als hij wil.’

 

Landlopers

200 jaar Maatschappij van Weldadigheid

[Recensie] Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.

De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging. 

Werelderfgoed van Unesco?
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in onder andere Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.

Hollandse en Vlaamse koloniën
Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.

Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de “droesem der samenleving” omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.

Vlaamse landlopers
Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en ‘onaangepasten’.
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen  failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide  boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers.

Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.

Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.

Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.

Eerder verschenen op mijn boekenkast

Komkommertijd

Medemenselijkheid

[Recensie] Mijn moeder is 87 jaar en woont nog zelfstandig, in het huis in een stadje in Noord-Limburg, waar ze meer dan vijftig jaar met mijn vader, overleden in 2010, heeft gewoond en waar wij zijn opgegroeid. Elke ochtend komt iemand van de thuiszorg haar helpen met aankleden en ’s avonds met uitkleden. Hierdoor kan mijn moeder zelfstandig blijven wonen en de thuiszorg houdt natuurlijk een oogje in het zeil. De thuiszorgmedewerkers kijken of mijn moeder wel een fitte en gezonde indruk maakt. Is ze helder? Voor mijn moeder is het een fijn begin en een fijn einde van de dag. Het zijn vaak dezelfde mensen, ze maken een praatje, tonen belangstelling. Een van hen is Fatima, een Nederlands-Marokkaanse dame, gescheiden en moeder van een dochter van 12. Fatima is een schatje en helpt mijn moeder waar ze kan. Mijn moeder is erg op haar gesteld. Op de tijd dat haar dochter moet opstaan en ’s avonds haar huiswerk maakt zorgt Fatima onder andere voor mijn moeder en heeft ze geen tijd voor haar dochter. Dochterlief moet het allemaal alleen doen, haar vader is niet in de buurt. En daarom geeft mijn moeder, voormalige onderwijzeres, de dochter nu bijles met Frans en Duits. Elke zaterdag komt Hiba, zoals het meisje heet, twee uur lang naar het huis van mijn moeder om bijgespijkerd te worden, door een bijlesjuf die meer dan 75 jaar ouder is. Dit is driedubbel winst. Hiba haalt voldoendes, mijn moeder heeft weer iets om handen en zo helpt iedereen elkaar, ook nog fijn multi-culti ook. Medemenselijkheid is toch het mooiste wat er is.

In het kleine boekje van pedicure en manicure Yvonne Molenaar Komkommertijd gaat het om dezelfde medemenselijkheid. Molenaar is sinds enige jaren de vaste manicure in een verzorgingshuis waar zeer hoogbejaarde mensen wonen. Ze verwent de mensen, masseert handen, verzorgt en lakt de nagels van de dametjes, geeft de heren een voetenbadje. Bovenal praat ze met hen. De bewoners bloeien op tijdens het gesprek en de behandeling. In het boekje staan een twintigtal portretten van de mensen die Molenaar zo ontmoet. De dame die al haar kinderen verloor, de dame die een agressieve kanker kreeg, maar opgewekt blijft, de vrolijke heer die met zijn scootmobiel in de plomp reed en zich verheugt op een nieuwe. Kleine portretjes van onbekende mensjes, aan het einde van hun leven. Eigenlijk zou elk mens zo’n portretje verdienen. Onwillekeurig denk ik aan het Weeshuis van verlaten verhalen van Annejet van Zijl, waar ze in heel korte schetsen de levens van medelanders beschreef. Kleine geschiedenissen die laten zien dat elk mens de moeite waard is. Yvonne Molenaar doet dat ook, geen verheven gedachten, geen grote verhalen, hele kleine, bescheiden en ingetogen sfeerstukjes over ontmoetingen met gewone mensen op leeftijd. Sympathiek.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Oog in oog met gaia

Acht lezingen over het nieuwe klimaatregime

[Recensie] Sinds de publicatie van Wetenschap in actie in 1987 wordt Bruno Latour door zijn critici gezien als ‘academisch gevaarlijk’. De zelfbenoemde wetenschapsantropoloog betoogde namelijk op basis van zijn observaties in een biomedisch instituut dat ‘feiten’ niet worden ontdekt, maar sociaal geconstrueerd. Nu die boodschap dertig jaar later geïnstrumentaliseerd is door klimaatsceptici, komt de lantaarndrager van de deconstructie zelf in actie.

Het actuele maatschappelijke debat over klimatologische veranderingen wordt volgens Latour namelijk gegijzeld door aantijgingen van belangenverstrengeling en lobbyisme. Bovendien vinden debatten plaats in termen van ‘crises’, waardoor de structurele aard van veranderingen wordt gebagatelliseerd en men kan blijven hopen op technologische oplossingen. Volgens Latour is het dan ook hoog tijd om wanhopig te worden en te erkennen dat er aan het eind van de tunnel geen licht schijnt: de mensheid zit vastgeketend aan de aarde en is zowel dader als slachtoffer van de vergaande klimatologische ‘mutaties’. Om op mondiaal niveau stappen te kunnen zetten, moet de mens eerst haar fundamentele verwevenheid en lotsverbinding met de aardbol erkennen. Er is, anders gezegd, een nieuw klimaatregime nodig en dit boek biedt daartoe de eerste voorzichtige aanzet.

Oog in oog met Gaia is een fraai uitgegeven bundeling van acht lezingen, waarbij de vertalers er in zijn geslaagd de lichte ironie van de auteur te behouden. Voor kenners van Latours oeuvre is het boek een feest van herkenning: ’s mans theoretische rode draad waarbij ‘moderne opposities’ als ‘natuur versus cultuur’, ‘wetenschap versus religie’ en ‘structure versus agency’ worden geproblematiseerd, blijkt ook van toepassing op het klimaatdebat.

Eerder verschenen in Sociologie Magazine