Dwaalspoor 18-11

Heerlijke over-de-top thriller van Pjotr Vreeswijk

[Recensie] Nog geen jaar geleden debuteerde Pjotr Vreeswijk met Masterplan waarvoor hij de Thrillzone debuutprijs 2016 won en nu is er met Dwaalspoor alweer een nieuwe thriller van zijn hand verschenen. Met zo’n sprankelend en verfrissend debuut als Masterplan is het natuurlijk logisch dat de verwachtingen voor het vervolgdeel hooggespannen waren. Pjotr lijkt er niet heel erg mee gezeten te hebben, want het is vanaf de proloog van Dwaalspoor meteen gaan met die banaan.

In de proloog brengt Pjotr Vreeswijk de stemming er meteen al lekker in. Een videoboodschap van een stel Arabische terroristen waarin een terreuraanslag tegen West-Europa wordt aangekondigd die zijn weerga niet kent en een overval op een militaire basis ergens in Siberië waar nucleair materiaal ligt opgeslagen. Nou, dan weet je meteen al wel dat het een rocky ride gaat worden. En rocky wordt het inderdaad. Alex de Klerck die we nog kennen van Masterplan wordt vanuit de jungle van Frans Guyana naar Brussel geroepen om daar een noodoproep van de Europese antiterreureenheid Operations aan te nemen. Tegelijkertijd komt er een trein in het oosten van Siberië met een mysterieuze lading in beweging en is via de Transsiberische spoorlijn onderweg naar het westen. Ondertussen maken we ook nog kennis met Lynn Diaz, een geheim agente van een schimmige organisatie die in Iran op zoek is naar twee andere geheim agenten die daar spoorloos zijn verdwenen.

Het te pas en te onpas gebruikte predikaat ‘literaire thriller’ zul je niet aantreffen op dit tweede boek van Pjotr Vreeswijk. In plaats daarvan vermeldt de kaft van Dwaalspoor de veel minder gebruikte term ‘actiethriller’ en dit dekt ook inderdaad echt helemaal de lading. Dwaalspoor lost de belofte van een actiethriller namelijk helemaal in. Verwacht geen literaire diepgang, maar vet geserveerde actie zoals in Nederland momenteel alleen Pjotr Vreeswijk dat doet. Het is een boek vol testosteron, waarbij de dames overigens zeker niet onderdoen voor de heren.

Dwaalspoor is een heerlijk ongecompliceerd boek, waarbij het wél opletten is geblazen om af en toe niet het spoor bijster te raken. Het tempo ligt hoog, misschien soms iets té hoog. Als een Maglev schiet Dwaalspoor uit de startblokken, waardoor af en toe de indruk kan ontstaan dat deze trein wel eens uit de bocht kan vliegen. Pjotr Vreeswijk maakt bovendien gebruik van korte hoofdstukken van één tot drie pagina’s en schakelt lustig tussen verschillende personages en werelddelen. Wie echter het verstand op nul zet en de blik op oneindig zal ongetwijfeld veel plezier aan Dwaalspoor beleven. Het boek bevat niet alleen veel vette actie, het zit ook boordevol spanning. Geen nagelbijtende spanning weliswaar, maar wél een avontuurlijke spanning die je ook in de boeken van Clive Cussler en Robert Ludlum aan kunt treffen. Het is dan ook geen verrassing dat Pjotr Vreeswijk heeft aangegeven dat onder meer deze twee auteurs als zijn inspiratiebron hebben gediend. Pjotr Vreeswijk doet overigens zeker niet onder voor deze twee auteurs.

Met Lynn Diaz introduceert Pjotr Vreeswijk een personage die eigenlijk op zijn minst net zo interessant (zo niet interessanter) is dan Alex De Klerck. Lynn is een uiterst boeiende combinatie van Lara Croft en Indiana Jones. Zij maakt letterlijk en figuurlijk een explosieve entree, overtuigt direct als actieheldin en haar scènes in het boek zijn eerlijk gezegd de sterkste delen in het boek. De bijrollen in Dwaalspoor zijn sowieso erg sterk bezet. Kolonel Joubert maakt indruk als oude ijzervreter en rolmodel voor Alex de Klerck. Als hij constant op een sigaar had gebeten zou hij zomaar het door Arnold Schwarzenegger gespeelde karakter uit The Expendables kunnen zijn geweest. Nee, het zijn misschien geen onwijs gelaagde karakters in Dwaalspoor, maar ze zijn ontzettend veel fun om te volgen.

Ondanks dat het verhaal af en toe vanwege het hoge tempo soms wat moeilijk is te volgen er er best hier en daar wat meer rustmomenten hadden mogen worden ingebouwd, blijkt Pjotr zijn kaarten uiteindelijk bijzonder handig gespeeld te hebben. De vele verhaallijnen en intriges die hij de lezer heeft voorgeschoteld zijn niet meer dan dwaalsporen die Alex en zijn team (en wellicht ook de lezer) op het verkeerde been hebben gezet. De titel van het boek is dan ook in meerdere opzichten bijzonder raak gekozen. Alles leidt uiteindelijk tot een climax die op een goede manier helemaal over de top is. Massale schietpartijen, helikopters, superfoute bad guys, alle actieregisters worden door Pjotr Vreeswijk opengetrokken. Dwaalspoor is fun, spannend en leest als een trein. Wat kun je nog meer van een actiethriller verwachten?

Eerder verschenen op thrillzone.nl

Trekking im Zillertal 18-11

Trektochten in de Zillertaler Alpen

[Signalering] Mark Zahel, de schrijver van Trekking im Zillertal, is amper 45 jaar oud en heeft al meer dan veertig boeken over de Alpen op zijn naam staan. De verzameling bestaat uit mooie fotoboeken en praktische reisboeken, waarin hij op minutieuze wijze de tochten beschrijft.

Na enig speurwerk blijkt dat zijn vorige uitgave over het Zillertal stamt uit 2015. Wat kan er in de afgelopen twee jaar gebeurd zijn? Het voorwoord noemt de nieuwe mogelijkheid om via de Neves Sattel Zuid-Tirol aan te doen. Ik geloof graag dat deze route een aanvulling is op eerdere uitgaven, maar denk dat het opnieuw aandacht aan het Zillertal besteden een andere reden heeft. De uitgever verkondigt aan te haken bij de groeiende vraag naar meerdaagse wandeltochten in de bergen. Daar zit wat in!

Alhoewel niet goed kan worden vastgesteld of de behoefte van de wandelaars komt of dat de uitgever die behoefte hoopt te creëren. Het boekje is, zoals alle uitgaven van Rother, fantastisch. Nieuw is het overzicht van de hutten die in de etappes aangedaan worden, inclusief de aanlooproute plus -tijd. De gids bevat vijf meerdaagse tochten van tussen de vijf en tien dagen. De zwaarte varieert van T2 tot T5/6 waarbij iedere tocht tenminste één keer een hoogtepunt boven de 3000 meter aandoet.

In alle gevallen dient de bergwandelaar te beschikken over een zeer goede conditie en ervaring.

Eerder verschenen in Bergen Magazine

Het boek

Een prentenboek zonder woorden, een ode aan het boek

De illustratoren
Ronald Tolman is beeldend kunstenaar. Zijn werk is te zien in de publieke ruimte van verschillende Nederlandse gemeenten. Hij maakt van alles, zoals etsen, schilderijen, keramiek en prentenboeken. Marije Tolman is de dochter van Ronald Tolman. Ze groeide op in Beuningen. Na haar opleiding tot grafisch ontwerper, ging ze kinderboeken illustreren. Haar werk wordt op meerdere plekken tentoongesteld, zoals in het Kinderboekenmuseum in Den Haag.

Achterflaptekst
Na De boomhut (bekroond met het Gouden Penseel en de Bologna Ragazzi Award) en Het eiland bundelden Marije en haar vader Ronald Tolman opnieuw hun krachten. Het boek is een ode aan het lezen en de magie van verbeeldingskracht.

Verhaal
We volgen een olifantje in zijn avonturen rondom een boek. Hij leest, hij leest al lopend, hij leest al lopend via zijn slurf, helemaal verdiept in zijn verhaal. Op iedere pagina lijkt het alsof het olifantje  een nieuw, ander verhaal aan het lezen is. Ook zorgt het olifantje ervoor dat zijn omgeving benieuwd wordt naar het boek, wat is het verhaal? Er komen steeds meer en steeds anderen meekijken en meelezen. Het olifantje neemt ons ook mee naar allerlei verschillende buurten, waar huizen staan/grasvelden zijn/onder water/op het ijs.

Vormgeving
Je blik wordt steeds als eerste naar het olifantje getrokken. Krachtige en prachtige platen volgen elkaar op. Er is veel te zien, zoals op de gele pagina met alle huisjes. Je ziet steeds meer olifanten, maar ligt daar nou ook een tijger verstopt? Deze platen spreken tot de verbeelding en zijn een feest voor kinderen om naar te kijken. Op de pagina na de eerste gele pagina zie je heel erg veel dieren, ze willen allemaal komen kijken naar het boek van het witte olifantje. Door de stand van veel dieren wordt je getrokken naar het boek, dat weer centraal staat. Erg knap gedaan. Ook komen we steeds in andere omgevingen die prachtig zijn uitgewerkt.

Persoonlijk vind ik de pagina waarop de olifant wordt omringd door allemaal pinguïns erg mooi. Geweldig ook hoe het boek hier naar voren komt.

Kleuren
Iedere pagina bestaat uit andere kleuren. Zoals ook een verhaal uit allerlei emoties kan bestaan en je mee kan nemen in allerlei werelden. Dat wordt hier prachtig verbeeld. Kinderen kunnen vertellen over kleuren, bijvoorbeeld welke kleuren ze mooi vinden, waar ze aan denken bij een kleur. Echt alle kleuren komen langs, maar het witte olifantje blijft centraal staan. De kleuren ondersteunen ook de verschillende werelden die je ziet en de dieren die voorbij komen. Er is veel te vinden in dit boek, een soort schatkist die je open kunt trekken.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Vergeet de meisjes

Kan dat, vriendschap zonder moraal?

[Essay] Het kan niet gezegd worden dat het nu een trend is, boeken over vriendschap. Opvallend is wel dat recent, kort na elkaar, twee vriendschapsboeken verschenen, beide bijzondere en mooie romans, die beide over afhankelijkheid in de vriendschap gaan. In de roman van Jan Siebelink, getiteld De Buurjongen, is het een vriendschap tussen twee buurjongens, later stiefbroers. In de roman van Alma Mathijssen, Vergeet de meisjes, gaat over de bijzondere relatie tussen vrouwen, een schrijver en een bewonderaar.

[Essay] Bij Siebelink is de setting bekend, haast vertrouwd. We keren namelijk terug naar de het dorp bij Arnhem waar de kwekerij staat die we kennen uit Siebelinks eerdere boeken en vooral uit Knielen op een bed violen, waarin Siebelink ons meevoerde in de wereld van een fundamentalistische, doemdenkende, christelijke sekte. De hoofdrol is nu niet weggelegd voor de vader des huizes Hans Sievez en ook niet voor zijn intelligente en later Franse taal en letterkunde studerende zoon Ruben. Nee, hun buurjongen staat centraal in het boek, Henk Wielheesen, die consequent door Siebelink met zijn voor- en achternaam wordt genoemd. Deze jongen is een wat zwakbegaafde lieverd die niet alles snapt wat er in de wereld gebeurt. Henk en Ruben zijn van jongs af aan bevriend en blijven dat hun hele leven.

Henk Wielheesen heeft het niet goed thuis. Zijn vader baalt er van dat hij geen sterke, voetballende zoon heeft en kijkt op Henk neer. Zijn vader bedriegt zijn moeder met een vriendin en als zijn moeder hier achter komt, beneemt ze zich van het leven, althans daar lijkt het op. Henk snapt niet wat er is gebeurd, maar het gemis is er niet minder om. De nieuwe vrouw van zijn vader, Toos Radstake – de Nederlandse letteren is dankzij Siebelink weer een eersteklas kreng van een stiefmoeder rijker – pikt meteen de kamer in van de jongen, die voortaan in het schuurtje moet slapen. Daarbij aast ze op de juwelen van de moeder van Henk. Alleen hij weet waar ze liggen. Als de jongen steeds meer wordt verwaarloosd grijpt de religieuze buurman Sievez in. De jongen komt bij hen (en dus Ruben) te wonen en krijgt een opleiding als kweker. De jongens beschouwen elkaar voortaan als broers. Jaren later wordt Ruben docent Frans in de stad en Henk neemt de kwekerij over. Anders dan je verwacht is het Henk die verliefd wordt, trouwt en een dochtertje krijgt en blijft de succesvolle Ruben alleen.

We weten dat het bij Siebelink nooit een vrolijke boel wordt en ondanks het huwelijk en enkele gelukkige jaren is het leven van Henk zwaar en somber. Het drukkende protestantse geloof vol schuldbesef is nooit ver weg. Henk wil het liefst de dag mijmerend doorbrengen, een beetje met zijn planten in de weer. Zijn vrouw heeft ambities en werkt hard om uit de armoede te komen. Hoe harder zijn vrouw werkt, hoe minder Henk doet. Hij verwaarloost de kwekerij, raakt vervreemd van zijn vrouw en dochter en kan het allemaal steeds minder bijbenen. Elke keer als het uit de hand loopt grijpt Ruben in, helpt het gezin van Henk financieel, bemiddelt tussen vader en dochter, probeert zaken zo te regelen dat het Henk goed gaat, zelfs als Henk naar een verpleeghuis moet. De vriendschap is onbaatzuchtig, Ruben is trouw aan Henk, tot het einde. Mooi. Waarom Ruben zo verknocht is aan Henk (is hij wel verknocht aan Henk of is het alleen maar christelijke plicht?), wat zijn drijfveren zijn, waarom hij nooit trouwt en altijd ‘s nachts op pad is (mogelijk naar huizen van lichte zeden); het blijft allemaal mistig en wordt niet uitgewerkt door Siebelink. Het boek staat vol met vage opmerkingen en toespelingen, vaak over seksualiteit. Wil Siebelink ons hiermee vertellen dat er geen enkele openheid is in het protestantse milieu van veertig, vijftig jaar terug. En dat alles op het gebied van liefde en seksualiteit lastig en zwaar is. Dan is het hem dat tot het irritante toe gelukt.

Bij Alma Mathijssens’ Vergeet de meisjes gaat het over de vriendschap tussen de schrijver Iris Kouwenaar en haar mollige huisgenote Kay. Ze wonen in een huis in een West-Fries dorp. Iris blijkt ziek en bedlegerig te zijn. De roman begint als een Amerikaans-Nederlands journalist, genaamd Fields, de opdracht krijgt om Iris Kouwenaar, de schrijver, te interviewen. Die heeft al tijden niets gepubliceerd en niets van zich laten horen, ook haar uitgever heeft geen contact meer met haar. Het succes van haar debuut Antidote, twintig jaar eerder was overweldigend. Hoe Mathijssen het beschrijft doet denken aan het verschijnen destijds van The Secret History van Donna Tartt. Antidote is net zo’n een internationaal succes. In tegenstelling tot bij Tartt zijn de latere boeken van Kouwenaar geen succes. Eigenlijk herschrijft ze telkens Antidote en diept ze de karakters uit haar debuut steeds meer uit. De boeken verkopen steeds minder goed. Fields heeft Kouwenaars debuutroman nog steeds niet gelezen, het heeft hem altijd tegengestaan, die destijds jonge vroegwijze schrijfster met haar verpletterende debuut. Omdat het nu twintig jaar geleden is en Fields Nederlands spreekt, stuurt zijn hoofdredacteur hem naar Amsterdam voor een interview. Hij vliegt naar Nederland en neemt de trein naar het dorp waar de vrouwen als kluizenaars samenwonen, alleen Kay verlaat het huis zo nu en dan voor de hoognodige boodschappen.

Op een wat ongeloofwaardige manier komt Fields ongemerkt in de slaapkamer terecht van de bedlegerige Iris, verbergt zich in de klerenkast en brengt daar luisterend, kijkend door de spleten in de kast, bijna een etmaal door. Via de beschrijvingen van Fields, via zijn voyeuristische waarnemingen krijgen we langzaam hoogte van de relatie tussen Iris en Kay. Dit is een mooi beeld van Mathijssen, waarmee ze zegt dat we pas weten hoe de verhouding is tussen mensen als we er met onze neus bovenop kunnen zitten, als we het privédomein kunnen kraken en ongemerkt kunnen zien wat er zich in huis tussen mensen afspeelt.

En dat is in het geval van Iris en Kay niet echt om vrolijk van te worden. Iris blijkt volledig afhankelijk te zijn van Kay, ze kan nauwelijks meer lopen, is broodmager, helemaal verzwakt. Hoe verzwakt Iris ook is, ze vertelt Kay verhalen, verhalen over de vreemdste zaken, dingen die ze ooit gelezen heeft en nu omvormt en samenvoegt tot nieuwe verhalen. Nu Iris niet meer schrijft en publiceert, is Kay op deze manier haar lezerspubliek: een dubbele afhankelijkheid. Maar Kay heeft Iris ook nodig. Ze smeekt om aandacht van Iris, wil door haar gezien worden, zou ook willen dat ze net zo bijzonder is als de schrijver en wil er toe doen. Ze slooft zich uit, maar Iris ziet het niet en heeft nauwelijks oog voor de zielenroerselen van Kay. Het lijkt wel of ze geniet van de afhankelijkheid van Kay. In het dagboek dat Fields in de kledingkast vindt schrijft Kay: “Ik haat dat ik nooit zo zal zijn als jij. Ik hoop dat je me ziet, dat ik mijn best doe. Ik haat als je me niet ziet. Dat je me soms ziet, maar niet vandaag. Ik haat dat ik nooit zal schrijven als jij, dat ook al produceer je niets, je nog steeds beter bent dan ik.” En zo is Kay net zo afhankelijk van Iris als andersom.
De vraag is of Vergeet de meisjes wel over vriendschap gaat. Van Iris hoeft het allemaal niet meer, ze leeft een teruggetrokken leven en misschien zou ze het liefst wel sterven. Daarvoor heeft ze Kay nodig. En Kay wil bijzonder zijn, groots worden, daarvoor heeft ze Iris nodig, die zo verzwakt is dat ze nergens meer naar toe kan. Vriendschap? Dat valt nog te bezien. Interessante thematiek? Zeker.

Bij Siebelink gaat het over vrienden die het goede voor elkaar willen. Bij Mathijssen gaat over vrienden die het slechte voor elkaar willen en als dat door beiden wordt erkend, gesteund zelfs, dan kun je zelfs stellen dat dat ook vriendschap is, weliswaar met een pervers randje. Dat zou de boodschap van het boek van Mathijssen kunnen zijn. De vriendschap bij Siebelink is braaf, traditioneel, saai zelfs, zoals het hoort. Alsof hij heeft willen laten zien dat ondanks dat verdomde Protestantisme, wat mensen diep ongelukkig maakt, er ook mooie en fatsoenlijke dingen uit voorkomen, zoals voor elkaar zorgen. Bij Mathijssen is vriendschap los gezogen van de moraal, gaat het niet meer over goed en kwaad, maar over irrationele, psychologische processen waar de vriendinnen in terecht zijn gekomen. Tijdens het lezen van Siebelink denk je, hoe mooi het boek ook is geschreven: “Dat weten we nu wel”. Bij Mathijssen vraag je je af: “Wat is hier aan de hand, hoe kan dit?” Vergeet de meisjes intrigeert en verontrust op elke pagina, wars van sentimentaliteit stelt het diepgaande vragen over wat vriendschap is en wat afhankelijkheid in vriendschap is. En dat komt aan en zet je aan het denken, over je eigen leven, over je eigen vriendschappen. Dat maakt het sterke literatuur.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken

Ereteken voor een wederzijds ambitie

Arjen van Veelen schrijft een roman over jonggestorven vriend

[Recensie] Een vriend aan de dood verliezen is een monumentale gebeurtenis. De schrijver Thomas Blondeau (1978-2013) vroeg ooit aan zijn vriend Arjen van Veelen een obelisk op zijn graf te zetten. Van Veelen deed dit in de vorm van een essayistische roman, Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken.

Nog niet zo lang geleden kwam Arjen van Veelen in het programma Opium op Radio 4. Hij las de passage voor over de middag dat hij zijn vriend voor het eerst ontmoette. In de roman schrijft hij diens naam zonder ‘h’, maar verder is deze als levensecht herkenbaar. Vanaf de eerste zin is het duidelijk dat Tomas een groot imagebuilder is. Met zijn oude Mercedes, zijn Ray Ban zonnebril en zijn liefde voor wodka en champagne maakt hij van zichzelf een instituut, althans voor de twee jaar jongere Van Veelen.

Er ontstaat een hechte vriendschap. De mannen maken lange autotochten die uitsluitend bedoeld lijken te zijn om met elkaar te kunnen discussiëren. Er volgen excursies, waaronder die naar de pyramide van Austerlitz, waar het idee van de obelisk wordt uitgewerkt. En dan is er de herinnering aan een logeerpartij in het ouderlijk huis van Tomas.

De ongelijkheid uit het begin  verdwijnt echter niet meer uit de relatie. “Hij was me altijd een boek voor”, verzucht Van Veelen. Het was Tomas die de collegedictaten van commentaar en correcties voorzag, die aangaf welke schrijvers de moeite van het lezen waard waren en die Van Veelen introduceerde in café Eigenzorg, een plek die niet gefrequenteerd werd door studenten. Het was ook Tomas die Arjen eindeloos aanmoedigde zijn schrijverschap serieus ter hand te nemen.

Als lezer vermoed je dat deze vriendschap minstens tien jaar omvat. Ontwikkeling zit er echter niet in, noch in de vriendschap, noch in de karakters. En dan ineens is Tomas dood. Een slagaderlijke bloeding zonder dat er iemand bij is. Zijn ouders vinden hem in zijn kamer. Zijn hoofd is op zijn laptop gezakt.

Simone de Beauvoir is een van de klassieke auteurs die beschrijft hoe de dood van een jeugdvriend(in) naast verdriet ook bevrijding bracht. De overlevende krijgt de ruimte om, zonder de dominante aanwezigheid van de soulmate, intellectueel zichzelf te worden. Ook Arjen van Veelen schrijft over een moment van bevrijding, “een flits van euforie” toen het fatale bericht binnenkwam. Maar anders dan De Beauvoir heeft hij het niet over de mogelijkheid om zelf te groeien. Van Veelen voelt euforie omdat hij eindelijk iets echts meemaakt. Hij beschrijft zijn generatie die leeft in een virtuele werkelijkheid van Facebook en Twitter. Nu is er echt iets gebeurd. Hij heeft eindelijk iets meegemaakt. Overigens wordt ook dat weer voor een groot deel op de social media beleefd.

Maar dan merkt Van Veelen dat het verlies van een belangrijke vriend diepe voren in het echte leven trekt. Hij beschrijft zijn pogingen om daar vorm aan te geven: afspraken met oude vrienden en vriendinnen van Tomas, het dragen van de jas van de overledene en het bezoeken van café Eigenzorg.

Om vorm te geven aan zijn gevoelens van rouw vertrekt de auteur naar Alexandrië. Ooit hielp Tomas hem een werkstuk te maken over die stad. Nu wil de auteur kijken of hij sporen kan vinden van het graf van Alexander de Grote. De symboliek ligt er dik bovenop. De oude Alexander is daar niet en zijn persoonlijke Alexander evenmin. De drie obelisken die er ooit waren, bevinden zich nu elders en Alexandrië een stad is waar weinig te doen is voor mensen die niet aan het strand willen zitten. Uiteindelijk slijt hij de resterende vakantiedagen wodkadrinkend en werkt hij er de lijst van bezienswaardigheden af die Tripadvisor op het web presenteert. En zelfs in het geval van een bezoek aan het huis van de Griekse dichter Kavafis en zijn herinneringen aan de discussies over die dichter met Tomas, wil dat geen interessante raamvertelling worden voor de lezer.

Van Veelen heeft een verhaal geschreven dat kunstig geweven is. In het boek zijn kleine grijze amateur fotootjes opgenomen. Naar hij zelf aangeeft gemaakt met een wegwerpcamera. Ze zijn de antithese van de full color beeltenissen die mensen op Facebook zetten om het verhaal te vertellen van hun zeer geslaagde levens. Het is een mooie vondst.

Uit de virtuele werkelijkheid stappen en een echt leven leiden, blijkt echter niet mee te vallen. Het verslag van zo’n poging in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is in die zin ontroerend. Nu maar hopen dat de auteur in diepgang wint. Dan kijk ik met belangstelling uit naar een volgend boek van zijn hand.

Overigens zal het de auteur mogelijk plezier doen te horen dat café Eigenzorg door Tripadvisor is opgenomen in haar lijst van bezienswaardigheden in Leiden.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Die fünffache Seereise

Andersen anders

De Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen (1805-1875) beheerste ook andere vertelvormen. In de bundel Die fünffache Seereise, Mit Hans Christian Andersen in Schleswig und Holstein, wisselen beleefde briefjes aan broodheren, gedichten, beschouwingen, notities en uiteraard ook enkele sprookjes elkaar af. Achtergrond vormen de vermoeiende (zee)reizen die Andersen maakte door de afwisselend Deense en (nu weer) Duitse provincie Sleeswijk Holstein. 

[Recensie] Cultureel bezien geldt de eerste helft van de 19e eeuw als de ‘Deense Gouden Eeuw’, waarna het politiek onrustig werd. Koning Frederik VII maakte Denemarken in 1849 tot een constitutionele monarchie. In dat jaar kwam de Duitse bevolkingsgroep in Sleeswijk Holstein in opstand. Zij wilden niet dat hun Deens-Duitstalige woongebied, eerder meerdere hertogdommen, Deens grondgebied werd. In 1864 verloor Denemarken een oorlog tegen Oostenrijk en Pruisen, die namens de Duitse Bond de ‘onderdrukte’ Duitse Sleeswijk Holsteiners verdedigden. Vervolgens moest Denemarken dit deel afstaan aan Oostenrijk en Pruisen. In 1920 werd het grotendeels Deenstalige noord-Sleeswijk na een volksraadpleging van de Weimar Republiek Duitsland weer Deens. Na 1949 is het andermaal Duits.

Op weg naar zijn gastheren in kastelen stuitte Andersen op Duits, Deens, Nedersaksisch, Noord-Fries (Friisk), de Deense variant Zuid-Juts (Sønderjysk) en een Flensburgse mengtaal Petuh. Het gaat wat ver om Sleeswijk Holstein met het opstandige Catalonië van nu te vergelijken, maar te begrijpen is wel hoe verstrekkend culturele en historische verschillen kunnen zijn.

Andersens dagboekaantekeningen over het varen van Flensburg naar Oland gaan vooraf aan een daarop gebaseerd sprookjesachtig reisverhaal, verteld door een ‘onbevooroordeeld’ meisje, Elisabeth. Zij begrijpt niets van de verschillende talen en stugge gewoontes. Op zeker moment wordt Elisabeth door haar volwassen metgezellen vergeten. Zij moeten bijtijds een veerboot halen en kunnen niet blijven om haar te zoeken. Bizar. Een voerman pikt haar op waardoor ze later toch weer haar reisgezelschap terugvindt. Onderweg maakt ze kennis met het gewone leven. Tussendoor speelt een ander verhaal. Het gezelschap bestaat namelijk uit een predikant die na de onverwachte dood van zijn jonge vrouw, met zijn zuster (Elisabeths moeder) terugkeert naar zijn parochie. Zijn verbeten verdriet is tranenloos, vanwege een rotsvast Godsvertrouwen, zoals in Bergman-films.

Andersen schreef ook – als lied uitgevoerde – gedichten. Het huldedicht Danmark, mit Fædreland klinkt als een volkslied [Danmark er jeg født, der har jeg hjemme,der har jeg rod, derfra min verden går. Du danske sprog, du er min moders stemme, så sødt velsignet du mit hjerte når. Du danske friske strand/ Denemarken, mijn vaderland. In Denemarken geboren en thuis, mijn wortels, het begin van mijn wereld. U Deense taal, u bent mijn moeders stem, zo zoet gezegend mijn kinderhart. U, fris Deens strand] Overigens heeft Denemarken nu een civiel én een militair volkslied.

Maar zo blind-nationalistisch wilde Andersen ook niet zijn. In een allegorie kibbelen Noorse en Deense lompen over de schoonheid van hun moederland. Het oergebergte van de Noren tegen de Deense wijdsheid. Maar misschien – zo fabuleert de verteller – worden de lompen wel het briefpapier waarop een Noor zijn liefde aan een Deense verklaart. Denemarken was Andersens ‘Heimath’ maar in Duitsland woonden zoveel mensen die hij liefhad. De tweestrijd en de oorlogen verscheurden zijn hart. In een krijgsverhaal over drie wapenbroeders tijdens de Sleeswijkse oorlog van 1849-51 toont Andersen zich op zijn grimmigst: de allesvernietigende doodsmachine, gelardeerd met de nodige sentimentaliteit.

Andersen was een echte 19e eeuwer. Trouw aan traditie maar ook eigentijds. Hij reisde met de trein. En een prozaïsche krantenfoto inspireerde hem voor het hier ook gepubliceerde Meisje met de zwavelstokjes, met De kleine zeemeermin zijn beroemdste sprookje. Verinnerlijking en versterving – zoals het op straat in de kou bevriezende luciferverkoopstertje – gaan vaak samen met een diep doorvoeld religieus besef. Maar met Schlammkönigs Tochter, het langste verhaal, overspeelt Andersen zijn hand. In dit nogal moeilijke ontwarbare verhaal combineert hij een Oudtestamentisch motief (het Mozes-verhaal) met een dierensprookje (ooievaars die tussen het noorden en Egypte vliegen) en een historische sage (letterlijk zeer bloeddorstige Vikingen). Er wordt een Christelijke missionaris doodgestoken die evenwel herrijst en dan – met meer daadkracht dan tijdens zijn leven – het Evangelie brengt. Ook het zielige, ziekelijke, bekeerde prinsesje ontbreekt niet. Het fijnzinnig evenwicht tussen milde humor, kinderlijke spanning en ouderwetsige sentimentaliteit bereikt Andersen toch alleen in zijn sprookjes.

De bundel besluit met een gedicht en joviaal interview met de zelfverklaarde, hedendaagse sprookjesverteller Günther Grass (1927-2015) en Pools-Duitser van geboorte. Zijn klassiek aandoende tekeningen verbeelden Andersens wereld heel mooi. Meest sympathiek is echter dat deze mooi uitgegeven en nogal onderprijsde, bundel werd gefinancierd door de kunststichting van de HSH Nordbank, om zo taal en cultuur van de Sleeswijk Holstein te stimuleren.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

De heilige Rita

Ruimte voor je verbeelding

Recensie van De Heilige Rita, Tommie Wieringa

De eerste zin
“Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd”

Recensie
Paul woont in Mariënveen, in het oosten van Nederland, tegen de Duitse grens aan. Hij heeft een handeltje in curiosa en militaria, wat in de praktijk betekent dat hij vooral nazispullen verkoopt. Daarnaast zorgt hij voor zijn bejaarde vader, Aloïs, wiens been door gangreen is aangetast. Hij heeft het ouderlijke huis nooit verlaten, wat hij vooral aan zijn moeder Alice wijt, die toen hij acht was er vandoor ging met een Rus die met zijn sproeivliegtuigje in hun maïsveld was neergestort na zijn vlucht uit de Sovjetunie. “Sinds ze weg was, tochtte het in huis,” herinnert Paul zich.

Ooit had Paul iets met de Thaise Lalita, een prostituee die bij hem introk en die hij niet veel later, en 20.000 euro armer, weer afzette aan haar bordeel. Nu is hij verliefd op Rita, alweer een hoer, die werkt in de Duitse club waar hij regelmatig zijn gerief zoekt. Rita, denk je dan, is niet toevallig ook de patroonheilige van de hopeloze gevallen. Want net zoals zoveel plaatsjes in het oosten van Nederland is Mariënveen een oord van achterblijvers, mensen die de boot hebben gemist naar de Randstad in het westen, waar Chinezen, Russen, Roemenen en Bulgaren aanspoelen en die het gevoel van hopeloosheid nog vergroten waneer ook zij op hun beurt weer vertrekken.

Wieringa beschrijft het nuchter, kalm, zonder spot of medelijden. Hij weet wat het is om in Mariënveen te wonen, want hij komt zelf uit een gelijkaardig dorp in de provincie Twente. De heilige Rita is daardoor een persoonlijke roman geworden, een mijmerend boek, over de voortgang van de tijd, het doorwegen van het verleden en de dreiging van het heden. Pauls leven neemt immers een andere wending wanneer de buurtwinkel van Hedwiges overvallen wordt, een tijdloze figuur die zijn klandizie zachtjesaan heeft zien verdwijnen, maar toch nog iedere dag zijn schort aantrekt en voor zijn uitstalraam gaat staan. Paul had er nooit eerder bij stilgestaan, maar misschien is Hedwiges wel zijn enige vriend, en dus neemt hij het voor hem op. Hij denkt te weten wie de daders zijn en bazuint dat vrolijk rond. Maar zij weten ook wie hij is natuurlijk.

Drie vragen aan Tommy Wieringa

Op een bepaald moment zegt iemand tegen Paul dat hij zijn verleden moet koesteren omdat het hem gemaakt heeft tot wie hij is. Geldt dat ook voor het Twentse verleden van Tommy Wieringa?

Wieringa: “Mijn leven lang ben ik op zoek geweest naar de ruimte die ik heb mogen smaken in het Twente van mijn jeugd. Ik associeer haar sterk met autonomie en ik begrijp heel goed waarom onder de wijdse woestijnhemelen van het Midden-Oosten drie monotheïstische godsdiensten zijn kunnen ontstaan. Je hebt daar ruimte voor je verbeelding. Twente is als West-Vlaanderen of Picardië. Ik ga er nog regelmatig heen. Als ik aan de bar zit en zeg dat ik nog naar huis moet, een stukje boven Amsterdam, merk ik steeds die verbluftheid op de gezichten: ‘Moet je nog helemaal naar Amsterdam?’ Terwijl dit hoop en al twee uur rijden is. Nederland is een klein land, maar als je het mentaliteitsverschil tussen oost en west bekijkt, heeft het continentale afmetingen. In het oosten heerst een sterk minderwaardigheidsgevoel dat met grootspraak wordt toegedekt. ‘Uit gouden korenaren schiep God te Twentenaren,’ luidt een befaamd gezegde, ‘Uit het kaf en de resten de mensen uit het westen’.”

Een belangrijk thema in het boek is de relatie tussen vader en zoon wanneer de moeder afwezig is. Ook u heeft dat meegemaakt. Wat doet dat met een mens?

Wieringa: “Wanneer een zoon zich niet op tijd losmaakt van zijn vader, zoals dit met Paul het geval is, blijft hij voor altijd onvolgroeid. In Genesis staat al dat je je eigen vlees moet aankleden en je ouderlijk huis verlaten. Als je je niet aan die opdracht houdt, daalt er een hemelse vloek over je heen.”

U verwijst wel heel vaak naar religie in dit interview en het lijkt ook in uw werk een terugkerend thema. Heeft u enig idee waarom?

Wieringa: ‘Mijn eerste tranen die ik me herinner heb ik vergoten toen mijn ouders me op mijn achtste meenamen naar Jesus Christ Superstar. Ik zag toen hoe die zielige man met die waterige blauwe ogen die zo mooi kon zingen vermoord werd door die Romeinse rotzakken met hun vervaarlijke helmen op het hoofd. Ik zat bij mijn vader op schoot en was ontroostbaar. Het eerste boek dat ik me herinner is de Kinderbijbel die mijn moeder me voorlas. Uiteindelijk ben ik er een niet-belijdende cultuurchristen door geworden. Voor mij stijgt uit de Bijbel het lijden van de mens op, gecombineerd met zijn schreeuw om het vullen van die verdrietige kosmische leegte om hem heen.”

Eerder verschenen in Knack

Waan en willekeur

Verhalen over WOII

[Voorpublicatie] Dit weekeinde verschijnt de verhalenbundel Waan en willekeur, “waarin zes verschillende momenten uit de Tweede Wereldoorlog worden geschetst. De lezer maakt niet alleen kennis met de kille Nederlandse soldaat uit het openingsverhaal Voorbij de catacomben, de aandoenlijke kleuter Xavier in Kuuroord en de tragische jongeling Arthur Rosenthal in het ondergangsverhaal Endlösung, maar ook met de raadselachtige protagonist Johan Kasper Schmitt van de surrealistische novelle Acte gratuit, de desolate Duitse militair Karl Weissmann uit Kétyner Graben en de opstandige adolescent Wessel Holslag uit het verzetsdocument Aankomst in Arcadië.”

Over de auteur

JTB (Jeroen) Jansen werd in 1955 geboren in Amsterdam. Hij studeerde literatuurwetenschap, stijlwetenschap en Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. In 1985 debuteerde hij bij Uitgeverij De Harmonie met de novelle Voorbij de catacomben. Deze novelle is sterk herzien opgenomen in Waan en Willekeur. Van 1988 tot 2016 was Jansen werkzaam als zelfstandig IT-consultant.

De Leesclub van Alles publiceert als voorpublicatie een deel uit het verhaal Endlösung.

Endlösung

September 1942.

De dag dat Arthur Rosenthal zou komen te overlijden, was het tegen de verwachting in prachtig, stralend weer.
Al vroeg in de ochtend was hij wakker geworden van de geluiden in huis. Hij hoorde hoe zijn vader zich gereedmaakte om naar kantoor te gaan, terwijl zijn moeder Mireille uit bed hielp.
Met een gevoel alsof de slaap hem met handen vol dons omlaag duwde, stapte Arthur zijn bed uit, opende de gordijnen van zijn zolderkamer en keek omlaag de straat in. Buiten scheen de zon al, maar de zware eikenbomen die dicht tegen het huis aan stonden, leken zijn kamer gevangen te houden in de schaduw.
Toen hij de voordeur hoorde dichtslaan, wachtte hij tot hij zijn vader het tuinpad zag aflopen. Met zijn aktetas in zijn hand zag hij hem de weg oversteken en langs de huizen aan de overkant lopen, voordat hij bij de woning van de familie Liebermann de hoek omsloeg. Op dat moment schoven een paar wolken voor de zon. Het werd even donker in de straat, waarna het ochtendlicht opnieuw door de bomen viel.

Op jonge leeftijd was Arthurs vader vanuit een provinciestad naar Amsterdam verhuisd. Als jongste bediende had hij een betrekking gevonden bij de Deutsche Handelsverein, waar hij zich, niet zozeer vanwege zijn kennis als wel via zijn relaties (Beziehungen zei hij met een bombastisch woord), na jaren van slaafse arbeid had weten op te werken tot de schamele rang van administrateur. Arthurs moeder was een Duitse Jodin die in de crisistijd met haar ouders naar Nederland was gekomen en werk had gevonden in de huishouding. Zes maanden nadat zij elkaar op een feestavond hadden leren kennen, trouwden zij voor de wet. Anderhalf jaar later werd Arthur geboren, drie jaar later gevolgd door de komst van Mireille.
Toen Mireilles ontwikkeling achterbleef en een dokter werd geraadpleegd, bleek dat zij een afwijking had waar de arts in eerste instantie geen raad mee wist. Verschillende medische onderzoeken toonden aan dat Mireille een aangeboren hersenbeschadiging had, ontstaan door zuurstofgebrek tijdens de geboorte. Arthurs moeder had nachtenlang liggen huilen. Zijn vader, verbitterd dat het lot hem zo’n dochter had toebedeeld, had haar op geïrriteerde toon proberen te kalmeren.
De scènes met Mireille die in de loop der jaren in huize Rosenthal hadden plaatsgevonden, kon Arthur zich op pijnlijke wijze nog herinneren. Als Mireille weer een aanval van epilepsie had en schokkend en met weggedraaide ogen op de vloer lag, liep zijn moeder vertwijfeld rond terwijl zijn vader geërgerd een dokter ging bellen. Op latere leeftijd braken aan tafel geregeld ruzies uit wanneer Mireille haar gezicht of armen weer had opengekrabd. Haar huid, die door bleke pigmentvlekken ontsierd werd, vertoonde soms vuurrode korstjes die nauwelijks herstelden. Zodra Arthurs moeder er iets van zei, keek Mireille met loense blik voor zich uit, om vervolgens snauwend te reageren. Indien de woordenstrijd ontaardde in een ruzie en Arthur een poging deed Mireille tot bedaren te brengen, snoerde zijn vader hem steevast de mond. ‘Bemoei je er niet mee, snotjongen,’ bromde hij. ‘Wie denk je wel dat je bent?’
Hoewel Arthurs vader het liefst had gewild dat Mireille naar een inrichting was gegaan, bleek hij de kosten van een dergelijk verblijf niet te kunnen betalen. Bovendien stuitte het plan op verzet van Arthurs moeder. Slechts één keer was een wijkzuster van het consultatiebureau voor de gebrekkigen langs geweest, maar toen zij aan Arthurs vader gevraagd had of zijn huwelijk wel goed was, had hij haar prompt de deur uitgezet. ‘Alsof het aan mij zou liggen dat ik zo’n dochter heb. Alsof ik degene ben die hier behandeld moet worden.’

Terwijl Mireille naar een instituut voor moeilijk lerende kinderen ging, doorliep Arthur de lagere school en ging als enige van zijn klas naar de gemeentelijke hbs, in de hoop daarna naar het conservatorium te kunnen gaan. Vrienden liet hij niet achter, want die had hij niet. De paar keer dat hij moeite had gedaan om contact te zoeken met zijn medescholieren waren steevast uitgelopen op mislukkingen. Als hij al eens iemand meenam naar huis, werd hij enkele straten verder opgewacht door leerlingen uit zijn klas die hem nariepen: ‘Hé, Arthur, hoe is het met die gestoorde zus van je?’ Het klasgenootje wilde dan ineens niet meer mee.
In de ogen van zijn vader had Arthur deze problemen aan zichzelf te wijten. ‘Je bent ook veel te angstig. Gedraag je toch eens als een kerel.’
Nadat Arthur, die woorden indachtig, de jongens de eerstvolgende keer dat hij werd uitgescholden op hun gezicht had geslagen, was hij thuis gekomen met een bloedneus en een gat in zijn broek.
‘Wat heb ik je nou gezegd!’ riep zijn vader geïrriteerd. ‘In plaats van vrienden te maken zoek je ruzie. Nogal wiedes dat niemand met jou wil omgaan.’
Toen Arthur ter verdediging aanvoerde dat hij werd uitgescholden vanwege de gebreken van zijn zusje, was zijn vader in woede uitgebarsten. ‘Hoe durf je de ziekte van je zuster te gebruiken als excuus voor je eigen zwakheid! Je daarachter verschuilen getuigt wel van een enorme lafheid.’ Verontwaardigd had Arthur zijn mond gehouden.
Vanwege zijn liefde voor muziek had Arthur van het weinige spaargeld dat hij bezat een tweedehands viool gekocht. Toen zijn vader erachter was gekomen, had hij hem in stukken gebroken en in de kachel gesmeten. ‘Er is hier al genoeg herrie in huis,’ zei hij, doelend op de scènes met Mireille. ‘Alsof je met die muziek trouwens ooit je brood kan verdienen. Wat dacht je daarmee te kunnen bereiken? Violist worden in een tingeltangelorkest?’ Nee, als zijn zoon zo doorging, zou hij vanzelf wel in de goot terechtkomen.
Het had ertoe geleid dat Arthur zich steeds vaker terugtrok op zijn kamer, waar hij op een oude grammofoon luisterde naar de paar klassieke platen die hij bezat of de boeken las die hij op een rommelmarkt verzameld had.

Door de zuinige levensstijl van zijn ouders was er nauwelijks geld voor vakanties. Een enkele keer werden ze door oom Theo en tante Dora uitgenodigd om naar een huisje op de Veluwe te komen. Dan gingen ze ook een dagje naar het dierenpark. Zijn neef Ludwig, die een paar jaar ouder was dan Arthur, gooide stenen naar de apen, Mireille werd bang van de leeuwen, terwijl Arthur lusteloos naast zijn vader liep. Het liefst was hij op zijn zolderkamer gebleven, want zijn interesse voor de natuur was toen al tot een minimum geslonken.
‘Ben je niet blij dat je mee mag?’ vroeg zijn vader.
‘Jazeker.’
‘Bedank oom Theo voor de uitnodiging.’
‘Bedankt.’
‘Kan je niet met twee woorden spreken?’
‘Dank u, oom Theo.’
Aan houten tafels aten ze roggebrood en dronken lauwe melk die Arthur bijna deed braken. ‘Waarom praat je niet met Ludwig?’ vroeg zijn moeder. Maar toen Ludwig hem liet struikelen en Arthur een scheur in zijn broek had, zei zijn moeder: ‘Met jou zijn er ook altijd problemen.’
In het dorp waar ze verbleven, woonde een zwakzinnige jongen. Op een dag wilde hij met zijn herdershond gaan wandelen, maar zijn riem was gebroken. Om hem van dienst te zijn had Arthur hem een touw gegeven waar de jongen verheugd mee wegliep. ’s Avonds stond zijn vader nijdig op de stoep. In plaats van een halsband had de knaap een strop in elkaar gedraaid, waarmee de hond zichzelf tijdens de wandeling gewurgd had. ‘Kan je dan ook helemaal niets!’ had Arthurs vader gezegd. ‘Nu kan ik de kosten van die hond vergoeden. Alsof het geld me op de rug groeit.’
Als gevolg van al deze kritiek verdiepte Arthur zich liever in zijn boeken en zijn muziek. Toen hij overging naar de derde klas blonk hij dan ook uit door zijn kennis van kunst en literatuur. Om die reden was bij Arthur al op jonge leeftijd het romantische idee ontstaan dat hij wel de talentvolle tegenhanger van zijn zuster moest zijn, zoals communicerende vaten elkaar voortdurend in balans hielden. De gebreken van zijn zuster moesten wel gecompenseerd worden door de vele talenten die hij bezat, een gedachte die logischerwijs gevoed werd door zijn intellectuele en kunstzinnige prestaties. Toch durfde Arthur deze hoogmoedige redenering thuis niet openlijk uit te spreken, uit angst voor de beschimpingen van zijn vader. Zijn vader was immers niet alleen verbitterd over de gebrekkige dochter die hij had gekregen, hij was in feite net zo verbolgen over zijn zwakke en karakterloze zoon, die zich ook nog eens als een kluizenaar gedroeg. ‘Nooit zie je hier vrienden. Bij een vereniging sluit hij zich niet aan. In plaats van contact te zoeken met anderen sluit hij zich op in zijn kamer met zijn boeken en zijn muziek.’ Dat hij zich niet afvroeg hoe het kwam dat Arthur een dergelijke angstige levenshouding ontwikkeld had, was voor Arthur eens te meer een bevestiging van het gebrek aan intellect van zijn vader.
De goede resultaten die Arthur ondanks zijn isolement op school behaalde, waren voor zijn vader dan ook geenszins een reden om hem te prijzen, eerder vormden zij een aanleiding om hem nog meer te bekritiseren. ‘Alsof het niet normaal is dat hij zijn best doet,’ zei hij. ‘Hoewel ik me soms afvraag of het niet meer geluk dan wijsheid is. De meeste tijd houdt hij zich bezig met die zogenaamde kunst van hem. Blijkbaar is hij vergeten hoe ik mij een plaats in de maatschappij heb moeten veroveren. Als kind moest ik ’s ochtends vroeg al gaan werken in de fabriek, ’s avonds maakte ik overuren als bediende in een hotel. Op die manier heb ik een goede baan weten te krijgen die bij mijn collega’s alleen maar respect afdwingt.’
Zonder te beseffen hoezeer deze pathetische woorden in strijd waren met de nederige positie die hij bekleedde, stelde hij Arthur dikwijls zijn neef Ludwig ten voorbeeld. ‘Dat is tenminste een jongen met karakter. Die heeft niet alleen doorzettingsvermogen, maar leert intussen ook op eigen benen te staan.’ Ludwig, die openlijk sympathiseerde met de nsb, was na de mulo opgeroepen voor het leger en had inmiddels de rang van sergeant bereikt. Als oom Theo en tante Dora op bezoek kwamen, liep hij omhoog naar de zolderverdieping, waar hij Arthur meestal lezend aantrof. ‘Zo neef, waar houd jij je nou eigenlijk mee bezig? Nog steeds met die boekjes van je?’ Hij sprak het woord met onverholen minachting uit. ‘Dat heeft toch totaal geen zin meer. In deze tijd komt het op daden aan. Kijk naar wat de Duitsers in Europa ondernemen.’ Vervolgens gaf hij een uitvoerige beschouwing over de wapenfeiten van het Duitse leger, aangevuld met een waarschuwing voor de communistische horden. ‘De strijd tegen het communisme zal de komende jaren in alle hevigheid gevoerd worden. Nee, die boekjes van jou kan je maar beter voorgoed dichtslaan.’
Ondanks dit soort tegenwerpingen schreef Arthur in het geheim opstellen die gepubliceerd werden in Het Letterkundig Maandblad. Bij toeval was zijn vader één van zijn artikelen over de Oedipus van Sophocles onder ogen gekomen. Met norse blik had hij zich er doorheen geworsteld, om tot de conclusie te komen dat hij zijn geld over de balk smeet. ‘Daar betaal ik nou dat schoolgeld voor,’ sprak hij tegen zijn vrouw, ‘zodat mijn zoon dit soort belachelijke stukjes kan schrijven. Wanneer richt hij zich eens op dingen waar je werkelijk wat aan hebt in de maatschappij?’
Dat zijn vader geen geletterd man was, stond voor Arthur buiten kijf. In zijn hart vond hij hem dan ook een provinciaal, een kwalificatie waarmee hij hem steevast aanduidde in de sarcastische monologen die hij in gedachten steeds vaker tegen hem afstak.
Had Arthur in zijn jeugd nog weleens gehunkerd naar de goedkeuring van zijn vader, die verlangens waren naarmate hij ouder was geworden al snel verdrongen door gevoelens van afkeer en wrok. Als hij weer eens ruzie met zijn vader had en door zijn opstandige gedrag een klap in zijn gezicht had gekregen, kwamen niet alleen de ergste verwensingen in hem op, maar hield hij soms ook dagenlang zijn mond dicht. In huis heerste dan een dreigende stilte die zijn moeder op alle mogelijk manieren probeerde te doorbreken. ‘Als je eerst maar je schooldiploma hebt,’ zei ze tegen Arthur, ‘misschien dat je dan naar het conservatorium kan.’ Maar haar machteloze glimlach vormde voor Arthur het zoveelste bewijs dat de situatie nooit zou veranderen, en de kans dat hij ooit nog naar het conservatorium zou kunnen, leek voorgoed verkeken nu zijn vader het enige instrument dat hij bezat in de kachel had gesmeten.

Toen de oorlog uitbrak, veranderde er voor Arthurs vader niet veel. Hij behield zijn baan bij de Deutsche Handelsverein, waarbij hij vooral niet vergat te vermelden dat hij op goede voet stond met zijn Duitse superieuren, Steinmann en Von Brauning. Soms kwamen collega’s van hem over de vloer. Dan werd er beneden in huis bier gedronken en werd er tijdens het verloop van de avond steeds harder gelachen als een banale grap of een platvloerse anekdote werd verteld.
Voor Arthur, die thuis al de voortdurende dreiging van zijn vader moest ondergaan, nam met de oorlog ook de dreiging van de buitenwereld toe. Ondanks zijn intelligentie was hij in de vierde klas van de hbs blijven zitten, niet alleen als gevolg van zijn toegenomen isolement, maar ook door de treiterijen van sommige nsb-kinderen die hem na schooltijd achtervolgden. Zijn twee grootste kwelgeesten waren Rudi Tiggelaar, wiens vader een foute politieagent was, en Vincent Gödeke, de zoon van een fanatieke WA-man. Beide jongens hadden bij hem op de lagere school gezeten, maar waren vervolgens naar de ambachtsschool gegaan.
‘Zo, Rosenthal, maken we er vandaag een leuke dag van?’ zei Tiggelaar toen hij hem op straat tegen het lijf liep.
‘Hoe is het met die zwakzinnige zus van je?’ vroeg Gödeke. ‘Wordt ze nou gewoon vastgebonden of loopt ze vrij door het huis?’
Zwijgend liep Arthur voort, op zijn hoede voor de klappen die hij elk moment kon verwachten.
‘Wil meneer niets zeggen?’ zei Tiggelaar, die een grove en pokdalige huid had. ‘Die arrogantie hebben jullie Joden nog altijd niet verleerd, hè?’
‘Maar hij is niet volledig Joods,’ sprak Gödeke. ‘Hij is slechts halfjoods.’
‘Dat is waar,’ beaamde Tiggelaar. ‘Maar ook al is zijn vader geen smous, hij is wel met een Jodin getrouwd. Je ziet wat eruit voortkomt: alleen maar gekke kindertjes.’
Gödeke moest lachen om die opmerking en zei: ‘Toch heeft jouw vader een baantje bij een Duitse firma weten te krijgen, nietwaar Rosenthal? Daarmee denkt hij bij de Duitsers zeker in een goed blaadje te kunnen komen?’
‘Dat gaat in de toekomst nog wel veranderen,’ sprak Tiggelaar. ‘Dan moeten de Duitsers hem echt niet meer.’
Om aan hun treiterijen te ontkomen had Arthur haastig een andere route genomen, terwijl hij vol wrevel dacht aan het verwijt van zijn vader dat hij zich niet wist aan te passen aan zijn omgeving. Hoe zou hij zich moeten aanpassen aan deze proletariërs, waar hij zich ver boven verheven voelde? Hoe kon hij waardering opbrengen voor deze arbeiderskinderen die hij verachtte tot in de kern van zijn ziel?
Maar op hetzelfde moment besefte hij dat deze hoogmoedige gedachten hem alleen in zijn fantasie voldoening konden geven, want diep in zijn hart had hij hen het liefst in hun buik geschopt tot zij kermden om genade. Eén zo’n overwinning zou hem meer vreugde hebben geschonken dan al zijn intellectuele fantasieën. Maar hoe zou hij ooit een dergelijke victorie kunnen behalen, hij die nauwelijks buiten kwam en nooit aan sport deed?
Voor Arthurs vader waren de treiterijen allerminst een reden om begrip op te brengen voor zijn zoon, eerder vormden zij een nieuw bewijs van zijn gebrek aan wilskracht. ‘Hoe vaak heb ik niet gezegd dat je je moet aanpassen. Dat geldt niet alleen voor jou, maar ook voor de Joden in deze tijd. Ze moeten zich assimileren (hij sprak het woord met nadruk uit nadat hij het bij toeval in de krant had gelezen). Kijk hoe ik me heb opgewerkt. Verheijen? Die hebben ze laatst ontslagen omdat hij niets presteerde. Kohnstam? Ook weg, en terecht, want dat was gewoon een uilskuiken. Maar ik heb de positie van Kohnstam gekregen. En niet alleen omdat ik mij heb weten aan te passen, maar ook omdat ik de juiste contacten heb weten te leggen. Relaties! Daar draait het om in deze tijd. Beziehungen zoals de Duitsers zeggen.’
Geïrriteerd over zo veel onbegrip had Arthur er maar het zwijgen toe gedaan.
Toen hij enige tijd later tijdens het avondeten gevraagd had of hij naar een andere school mocht, in de hoop daarmee de kwellingen te kunnen ontlopen, had zijn vader het idee onmiddellijk van tafel geveegd. ‘Wat is er mis met je eigen school? Wees blij dat je daar gewoon naartoe kan. Alsof je resultaten op een andere school trouwens beter zouden worden…’
‘Toe, vader,’ suste zijn moeder. ‘Hij probeert toch goede cijfers te halen…’ Ondertussen keek ze bezorgd naar Mireille, die met een stuurs gezicht in haar bord soep roerde en haar lepel moeizaam met haar kromme vingers vasthield.
‘Proberen!’ riep zijn vader honend. ‘Hele volksstammen proberen hun leven lang van alles, maar omdat ze zich niet weten aan te passen wordt het nooit wat! Van mislukking naar mislukking gaat het. Niets schiet je ermee op. Misschien dat de oorlog nog ergens goed voor is, dan wordt het kaf eindelijk eens van het koren gescheiden.’
‘Zijn cijfers waren vroeger altijd goed,’ zei zijn moeder. ‘Hij moet alleen nog wennen aan de nieuwe tijd…’
‘Je moest eens weten waar ik in mijn leven aan heb moeten wennen,’ zei zijn vader met een impliciete verwijzing naar zijn dochter. ‘Alsof dat nog niet erg genoeg is, wil meneer nu ook nog eens naar een andere school. In plaats van dat hij dankbaar is dat hij een goede opleiding krijgt, slaat hij rustig een jaartje over. Op zijn kamer zit hij te dagdromen over zijn muziek en zijn boeken. Artistiek denkt hij te zijn met die zogenaamde literatuur van hem. Alsof je daar iets mee opschiet. Het is oorlog, dacht je dat iemand op literatuur zit te wachten?’
‘Ik ben u heus wel dankbaar,’ zei Arthur timide, ‘maar het is niet altijd even makkelijk…’
‘Ach, word toch eens volwassen. Wie heeft je verteld dat het leven makkelijk was? Dat heb je niet van mij.’
Mireille begon te huilen en sloeg met haar lepel in haar soep. ‘Geen ruzie!’ riep ze terwijl de vlekken op haar kleren zaten.
‘Zie je nou wat ervan komt?’ zei Arthurs vader tegen hem. ‘Je zus aan het huilen brengen, daar ben jij goed in.’
Toen de zomervakantie naderde en Arthur bij de gedachte aan een langdurige periode van eenzaamheid vroeg of hij naar een muziekkamp mocht, was zijn vader furieus tegen hem uitgevallen. ‘Leer je het dan nooit?’ riep hij. ‘Wat denk je wel? Dat jij een artiest bent waar de wereld op zit te wachten? Een muziekkamp!’ brieste hij. ‘Geen sprake van!’

Hazer

Hoe ruig het was, en hoe eenzaam

Roman van Jeroen Thijssen over een kraakpand

[Recensie] Het is 1978. In Haarlem is voor een achttienjarige student geen kamer te krijgen, maar Rogier Pardoen zal toch een tehuis moeten vinden. Zijn ouders, de hippies Hein en Carla, hebben besloten dat de zorg en opvoeding lang genoeg heeft geduurd. Zij vertrekken naar Ierland. De jongen, die zich nu Rogi laat noemen, vindt onderdak in het kraakpand de Hazer, een oud politiebureau. Het is een vervallen gebouw met veel kamers, gangen en onverwachte doorgangen, maar slechts een kraan en weinig verwarmingsmogelijkheden.

De Hazer zit vol met een bont gezelschap. Allemaal zijn ze gecharmeerd van de reputatie van ‘geen huur geen gezeur’. Soms is dat een te wankele basis. Schoon is het nergens. Je leven en je zaken organiseren is al snel verdacht ‘burgerlijk’. Er is de onbenoemde leider Kraay, een communist die het liefst een stalinistische discipline zou opleggen. Maar er zijn ook de pragmatische Marcel en de zweverige Ernst. En dan is er een groep onduidelijke bewoners, zwervers, mensen met psychiatrische klachten en junks. Zij bevolken een eigen vleugel. Net als de rest van het huis is het er een komen en gaan van passanten. Ondanks alle ruimhartige opvattingen van de krakers wordt met deze bewoners vrij radicaal afgerekend, vooral onder invloed van Kraaij.

Er komen steeds weer nieuwe bewoners aanwaaien: “De bel was gegaan, hij deed open. In de schaduw van de gevel stond op de stoep een roodharig, bleekhuidig meisje dat met grote ogen naar hem opkeek. ‘Ik ben Tanja’, zei ze. ‘Ik zoek woonruimte.’ ‘De  deur was open,’ zei hij automatisch.” Hij brengt haar naar een kamer met een balkon en zware balken aan het plafond. Die vindt zij heel geschikt om haar schommel aan op te hangen. Pas later vraagt Rogi zich af waarom hij haar zo ver van zijn eigen vleugel heeft onder gebracht.

Het kind-vrouwtje dat Tanja lijkt, is ze niet voor Rogi. Ze krijgen een verhouding, maar na korte tijd moet hij haar delen met een tweede minnaar. Geen probleem toch. Moet kunnen. Dat is een van de sterke kanten van schrijver Jeroen Thijssen: hij stelt terloops de pijn van al die vrijheid in de jaren  ’70 en ’80 aan de orde: van de vrije liefde tot communistische heilstaat en het egoïsme van hippie-ouders, die dan ook nog geheimen blijken te hebben.

Wanneer Rogi zijn ouders in Ierland gaat bezoeken, is hij niet welkom en zijn moeder doet vreemd. Vereenzaamd gaat Rogi weer terug, maar een tijd later meldt vader Hein zich wel bij hem om ook een plek te krijgen in de Hazer. Het huwelijk is gestrand. De tweede wereldoorlog en de interpretatie van feiten is daarin doorslaggevend geweest. Rogi is, veel meer dan huidige jongeren zich kunnen voorstellen, een kind van ‘na de oorlog’ en hij zal het weten. Ook daarin toont Thijssen zich een perfect chroniqueur van een tijdperk.

Rogi lijkt te genieten van het krakersleven. Het voelt in ieder geval beter dan de universiteit, waar hij Nederlands studeert. Daar wordt het leven gekenmerkt door anonimiteit en middelmatig onderwijs. Maar Rogi verliest zich niet in het krakersleven en de nihilistische ideologie die sommigen aanhangen. Hij houdt oog voor de praktische zaken van het leven. Van zijn grootvader en dienst opvolger in de zaak leerde hij het vak van loodgieter. Menig kraker laat graag gas en water in zijn kamer aanleggen door hem. Burgerlijk, maar wel prettig om te hebben.

Maar wie is eigenlijk die opvolger in het bedrijf van zijn opa? En welke grootvader was goed en welke fout in de oorlog? Waarom deden ze wat ze deden? Het lijkt of Rogi bij zijn oma het ware verhaal hoort. Tot dat het tegendeel blijkt.

Jeroen Thijssen (1959) is historicus en schrijver. Hij levert bijdragen aan diverse media, waaronder dagblad Trouw. Eerder viel hij op met de roman Solitude, over de geschiedenis van een blanke familie in voormalig Nederlands Indië. Een aantal thema’s uit Solitude zien we in Hazer terugkomen: de krakerswereld is er één van. De verhoudingen tussen mannen in een familie, met name met de vader, is een ander. Ook ziet Thijssen kans in beide boeken om de lezer mee te nemen in de binnenwereld, noem het de bubble, van een groep. Je begrijpt hoe in een bepaalde sfeer mensen gaan denken en handelen zoals ze doen. De gezwollen, nagebootst negentiende-eeuwse taal van Solitude ontbreekt nu gelukkig. In Hazer toont Thijssen zich een rasverteller. Het verhaal ontwikkelt zich lineair, maar heeft een spannende vervlechting van lijnen, waardoor het niet ‘plat’ wordt. De jaren verstrijken en daarmee veranderen er ook dingen. Na de strijd, komen de jaren van onderhandelen met de gemeente en het sluiten van een huurcontract, maar ook de hoofdpersoon Rogi wordt ouder. Hij bezint zich op eigen toekomst en wordt wereldwijzer in relaties. Zo zal het met velen gegaan zijn. Als lezer is er nog maar één ding waar je wat meer over zou willen weten: hoe kijkt Rogi in de eenentwintigste eeuw naar zijn ‘ik’ van toen?

Voor een ieder die de tijd heeft meegemaakt is Hazer, naast een goede roman, een herkenningsmoment dat waarschijnlijk herinneringen oproept. Lees het met de feestdagen en geef het cadeau aan je (klein)kinderen. Als historicus kun je hier jaloers op zijn op deze prestatie. Zoek maar eens een geschiedenisboek waarin men er in slaagt zo’n gelaagd beeld van een tijd neer te zetten. Hazer is een historische bron, over een periode én over hoe je daar, na bijna veertig jaar, op kunt terugkijken.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Te vroeg in het seizoen

Columns van de herinnering

[Recensie] De ondertitel van Camperts Te vroeg in het seizoen is Autobiografische schetsen. Een echte autobiografie kunnen we het echter niet noemen, maar mooie literaire schetsen over toevallige en minder toevallige gebeurtenissen uit Remco Camperts leven zijn het vast en zeker wel. Columns geschreven in een inkt die naar nostalgie ruikt.

Dat Campert een begenadigd dichter is, kan hij ook in zijn columns niet verbergen. Zijn lichtvoetige en speelse stijl maken van elke column een pareltje, of zoals hij zelf zou zeggen: ‘Proza dat aangeraakt is door de dichtkunst’ (p.70). Dat deze dichter de gezegende leeftijd van 85 nadert, blijkt ook uit de onderwerpen van zijn columns. Herinneringen overspoelen zijn gedachten, reizen doet hij liever in zijn hoofd en ook de weersomstandigheden laten hem niet helemaal onberoerd. Voor pessimisme of doodsgedachten ben je bij Campert echter aan het verkeerde adres. De dood is wel ergens aanwezig, maar aan die aanwezigheid wordt weinig of geen aandacht geschonken, immers: ‘Eerst de herinnering en dan de eeuwigheid. Maar die moet nog even wachten’ (p.109).

Campert is op z’n best wanneer hij herinneringen ophaalt. Tegelijk worden die herinneringen steeds vermengd met literaire beschouwingen, waardoor je nooit helemaal zeker bent of het wel echt zo gebeurd is. Maar dat doet er ook verder niet toe. Campert denkt terug aan ontmoetingen met collega-schrijvers (zoals  Schierbeek,  Lucebert en W.F. Hermans), aan zijn bekende ouders, aan optredens in zaaltjes, aan zijn jaren in Parijs, aan zijn verjaardag in Noord-Frankrijk… Wie nieuwsgierig is naar het leven van een schrijver, zal hieraan zijn of haar hart kunnen ophalen.

Maar ook minder grootse onderwerpen kunnen aanleiding geven tot een cursiefje. Zo verwondert Campert zich over de twitterende gemeenschap, de vreemde talen die hij hoort op het Amsterdamse Museumplein en het alfabet. Af en toe heeft Campert last van een gebrek aan inspiratie of een gebrek aan leeslust. Hoewel deze literaire kwaaltjes misschien minder interessant zijn, geven ze een goed beeld van de gedachtewereld van de schrijver. Soms zijn ook voor hem woorden overbodig. Dit boek bevat echter weinig overbodige woorden, integendeel. Voor wie in stilte afscheid wil nemen van de winter, komt dit boek net op tijd in het seizoen.

Eerder verschenen op Cutting Edge