Makkelijk leven

Elkaar in de weg zittende stijlen

[Recensie] Het boekenweekgeschenk van 2017 komt tot onze vreugde van Herman Koch. Niks ten nadele van alle voorgaande auteurs (nee, geen namen), maar er zijn jaren dat dit jaarlijkse boekhandelbezoekbevorderende epistel originaliteit noch geestdrift uitstraalt. Aan de auteur van De Greppel de uitdaging er wat van te maken.

Het begint goed. Tom Sanders, schrijver van veel verkochte zelfhulpboeken (miljoenen wereldwijd, meldt hij zelf) komt in gewetensnood. Zijn zoon Stefan is over de schreef gegaan. Hij zou hem moeten aanspreken op zijn gedag. Of is het slimmer om de adviezen die hij zelf geeft in zijn zelfhulpboeken, toe te passen? Een prachtig dilemma dat Koch op zijn beproefde wijze uitwerkt.

De zalvende toon van een gemiddeld zelfhulpboek heeft hij alvast goed getroffen. Tom spreekt en denkt in een taal die het midden houdt tussen het opgewekte Niet Morgen Maar Nu-proza van Wayne Dyer en de therapeutische gesprekken van Dr. Phil in zijn tv-shows. Leuk om te lezen, maar gaandeweg gaat deze toon vervelen en komen verlangens op naar de gebruikelijk superieure stijl van Koch.

Als we Tom beter leren kennen, merken we dat hij zijn eigen boeken leeft. Bij alles wat Tom doet, grijpt hij terug op zijn eigen lijstjes en redeneert zichzelf zo weer op het rechte pad. Gelukkig schemert de scherpe Koch-blik door sommige adviezen, zoals wanneer Tom zijn eigenschap om ‘met alle winden mee te waaien’ relativeert. “Hij had gelijk, hij had het goed gezien, ik waaide met alle winden mee, maar was dat niet juist een voortreffelijke eigenschap? Was een vastgeroeste mening niet een teken van een middelmatige intelligentie?… Het werd de grondslag voor Makkelijk leven, al zou het nog jaren duren voordat ik aan dat boek zou beginnen. … Wie met alle winden meewaait maakt veel meer mee dan wie zich zijn leven lang uitsluitend aan zijn eigen wind vastklampt.”

Ook het dilemma waar het boek om draait, gaat Tom volgens zijn eigen richtlijnen te lijf. Helaas voor hem en gelukkig voor de lezers krijgt dat een minder goede afloop dan Tom hoopt. Tegen de tijd dat we die bereiken, hebben we al veel adviezen moeten verstouwen. Te veel om ooit nog één zelfhulpboek open te willen slaan.

Wat rest na het lezen is een dubbel gevoel. Het verhaal had zonder twijfel geestiger uitgepakt als Koch zijn eigen puntige stijl had gevolgd. Maar als pastiche op het weeë goeroeboekengenre is het boek weer wel geslaagd. Zoals gezegd zitten de twee stijlen elkaar in de weg, wat in het geval van Koch gelukkig nog altijd een zeer acceptabel boek oplevert.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

De greppel

Een wantrouwenskwestie

[Recensie] Het probleem met een boek van Herman Koch is dat het zoveel scherpe, leuke en dwarse ideeën bevat die bovendien zo geestig uitgewerkt zijn, dat je alles zou willen citeren. Dat gaat onverminderd op voor De Greppel. Maar ja, het hele boek hier overschrijven laat deze recensie niet toe. Dan maar in het kort.

Op een nieuwjaarsreceptie vangt de burgemeester van Amsterdam een duidelijk signaal op dat zijn vrouw vreemdgaat. En het ergste: met een onbeduidende wethouder. Vanaf dat moment kan de burgemeester niet meer normaal naar zijn vrouw kijken. Alles wat ze doet, zegt, gebaart, kan een dubbele betekenis hebben. Hoe goed kent hij haar eigenlijk? Hij vertrouwt haar niet meer.

Vanaf dat moment is de burgemeester geïnfecteerd met een niet te temmen wantrouwen dat hem stap voor stap terugvoert in de tijd. Alle herinneringen die hij samen met zijn vrouw heeft opgebouwd, alle mooie momenten, waren die wel oprecht? Of draaide ze hem een rad voor ogen? Het wantrouwen stelt alles in een ander daglicht, zelfs hun allereerste moment samen. Dat heilige moment was oprecht, dacht hij altijd. Of niet?

De Greppel gaat over vertrouwen, of liever, het gebrek daaraan. In de eerste hoofdstukken krijgen we al voorproefjes van vooroordelen (of wantrouwen) tegen bepaalde landen. Maar het ergst is twijfelen aan de persoon die je het meest zou moeten vertrouwen, je geliefde. Er komen meer thema’s langs: milieuactivisten (windmolens), rassenhaat (zij zijn donkerder), discriminatie (zuidelijke of ‘andere’ volken), leven in het publieke domein (Burgemeester).

De arme burgemeester wordt meegenomen in een lijdensweg waar menige heiligendood bij verbleekt. Onvermijdelijk horend bij de emotionele vrije val, wordt de professionele houding van de burgemeester aangetast. Hij doet regelrecht bevreemdende dingen in het openbaar die nauwelijks nog rechtgebreid kunnen worden. Op naar de ondergang gaat het, met tegen het eind een magistrale wending die alles in weer een ander perspectief zet.

Tussen alle ellende door leeft Koch zich uit in fraaie zijweggetjes. Zoals de zeer politiek incorrecte gedachtegang van de burgemeester wanneer iemand zelfmoord pleegt: “’Ik zag geen andere uitweg,’ schreef je in je afscheidsbriefje. Hoe kom je erbij? Natuurlijk was er een uitweg. Je was alleen te lui, je had er geen zin in om naar ons te luisteren, je luisterde toch altijd al slecht. Lafaard! Rot toch op naar je graf.”

Filmische scenes zijn evenmin een probleem. Een discussie in de auto over het nemen van een huisdier, een hondje: “Toen ze een jaar of zeven was begon Diana voor het eerst over een huisdier. Ja, ja, natuurlijk, zeiden we, … maar wie gaat er voor het huisdier zorgen? … En … uitlaten. Hoe ga je dat doen? … We gingen net zo lang door tot het hondje langzaam uit het zicht verdween. Ik herinner me deze gesprekken vooral van in de auto, Diana op de achterbank, haar gezichtje in mijn achteruitkijkspiegel. Hoe de uitdrukking op dat gezichtje van blij en verwachtingsvol in terneergeslagen en berustend veranderde. Ik kon er nooit te lang naar kijken.”

Ik zei het al, teveel leesplezier om op te noemen. De oplossing ligt voor de hand: schaf dit boek aan, sla het open en savoureer het.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Collecting Colour

Berichten over een colorotheek

[Recensie] Bij de Sikkensprijs 2017 verscheen deze week een compact knalgeel boekje over de Forbes Pigment Collection/Straus Center for Conservation and Technical Studies van Harvard University: een erg lange naam voor een wonderlijke Amerikaanse collectie met kleurpigmenten.

Directeur Narayan Kandekar schreef een korte geschiedenis van het colorisme in zijn wetenschappelijk instituut en de daaraan verbonden onderzoeken.

Eind maart kreeg de Berlijns-Nederlandse ontwerpster Hella Jongerius de Sikkens Prijs 2017 uitgereikt voor haar gedegen kleuronderzoek. Opmerkelijk is haar interessegebied: hoe manifesteert kleur zich onder verschillende licht-omstandigheden: van het volle licht tot in de schaduw? Deze informatie heeft ze nodig bij het ontwikkelen van kleuren voor meubels en woningtextiel.

Jongerius onderneemt een queeste naar een zwarte kleur (‘tint’ vinden puristen) die je zou moeten kunnen maken zonder zwart (koolstof)pigment, omdat deze gemengd met andere kleuren een weinig levende tint oplevert.

Een zwart, dat maar liefst 99,965% van het zichtbare licht absorbeert kwam recentelijk op de markt. Kunstenaar Anish Kapoor, bekend van zijn installaties met schijnbaar onpeilbare gaten en dieptes verwierf dit nieuwe Vantablack exclusief voor eigen gebruik. Onwillekeurig denk je hierbij aan de roman Het Hermetisch zwart van Marguerite Yourcenar over een alchemistenpraktijk.

De geheimzinnigheid van de 16de eeuwse Westerse alchemisten en het hedendaagse exclusiviteitsbeding van Kapoor staan haaks op de doelstellingen van het Amerikaanse kleurinstituut. Dat wil namelijk zijn kennis delen: veelal voor kunsthistorisch onderzoek. Net als veel gefortuneerde Amerikanen bouwde de oprichter, Waldo Forbes begin 20ste eeuw aan een klassieke kunstcollectie met Italiaanse religieuze meesterwerken. Hij kocht een Maagd met Kind van Gozzolini en liet deze schoonmaken. Daarbij verdwenen de gezichten als sneeuw voor de zon. Ze bleken er veel later (in de 19de eeuw) opgeschilderd. Was het paneel vals? Niet echt, maar de versie waarin hij het gekocht had klopte duidelijk niet met hoe Gozzolini het ooit schilderde. Door de verf te bestuderen had Forbes zijn miskoop kunnen voorkomen. En zo nam in het instituut het kleuronderzoek met oorspronkelijke pigmenten de overhand.

De huidige colorotheek telt zo’n 2500 monsters in flesjes en potjes. Een groot deel is historisch maar ook voegt men nieuwe pigmenten toe. Die kunnen echter al tijden gebruikt worden. Zo namen onderzoekers kort geleden gele oker mee van het boombasten op het strand van de Australische noordkust. Met deze aardetint schilderen aboriginals gewoontegetrouw hun composities op hout. (Nu gebruiken velen liever arcrylverf dat veel meer kleuren biedt.)

Het grootste deel van Collecting Colour bevat een fotografische keus met exotische kleurpigmenten gevuld. Karmijnrood dat gewonnen wordt uit een stof die kermes-luizen op eikenbomen afscheiden.

Het felle Indiase geel is afkomstig van de gedroogde urine van koeien die uitsluitend mangobladeren eten. Aan mummiewindsels wordt mummiebruin onttrokken. En komt drakenbloed van het bloed dat draken vergieten als ze met olifanten vechten? Nee, het is ‘gewoon’ het sap van een rotanpalm.

In zijn betoog koppelt Khandekar, de vaak door schilders geschonken kleurpigmenten, terug naar de kunst. Eugène Delacroix beschreef in zijn uiterst leesbare dagboeken (verschenen in de Privédomein-reeks) ook nauwkeurig welke kleuren hij voor een specifiek schilderij gebruikte. Voor het daadwerkelijk schilderen maakten schilders voor de invloedrijke uitvinding van de verftube, ten tijde van de Impressionisten, hun verf door pigmenten te malen. (Daarvan komt ook de Duitse benaming voor schilder: Maler) Khandekar vertelt ook hoe restauratoren van een verkleurd kleurenvlak-doek van Mark Rothko zijn instituut raadpleegden en hoe onbekende druip-schilderijen van Jackson Pollock als vals werden ontmaskerd. De op het doek aangetroffen verf bestond nog niet in zijn tijd.

Hoewel specialistisch blijkt het onderwerp kleurpigment zowel cultureel als in poëtisch opzicht de fantasie te prikkelen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Meer informatie en bestellingen via: https://www.artez.nl/dit-is-artez/nieuws/artez-press-werkt-mee-aan-collecting-colour-publicatie-mondrian-lecture-van-dr-narayan-khandekar

De dochter van Stalin

Het veelbewogen leven van Svetlana Alliloejeva

[Recensie] Dit boek vertelt het levensverhaal van Svetlana Alliloejeva, de enige dochter van Jozef Stalin, de beruchte dictator van de Sovjet-Unie tussen 1924 en 1953. In meer dan 500 pagina’s krijgen we inzicht in haar leven, een kijk op haar complexe karakter en op de strijd die ze haar hele leven voerde tegen de last van haar achternaam.

Moederloos kind

Svetlana werd geboren in februari 1926 als jongste kind van Stalin en zijn tweede vrouw Nadja en haar eerste levensjaren waren zorgeloos. Zij groeide op in het Kremlin, een ommuurde vesting aan de rivier de Moskva, en had twee oudere broers: Vasili, die vijf jaar ouder was dan zij, en Jakov, die negentien jaar ouder was en uit Stalins huwelijk met zijn eerste vrouw was geboren. In de zomers en in de weekends bracht het gezin vaak tijd door op Zoebalovo, de ‘datsja’ (buitenhuis) van Stalin. In november 1932 kwam er een abrupt einde aan de onbezorgde jeugd van Svetlana, toen haar moeder op 31-jarige leeftijd zelfmoord pleegde. De kinderen kregen, net als het grote publiek, te horen dat Nadja was overleden aan de gevolgen van een acute blindedarmontsteking. Toen Svetlana pas veel later, op haar vijftiende, de waarheid over haar moeders dood te horen kreeg, was ze uitermate boos en gekrenkt.

De Grote Terreur

Tijdens Svetlana’s schooljaren werd de persoonlijkheidscultus van Stalin steeds verder uitgewerkt. Overal verschenen portretten van de ‘Grote Roerganger’ en de ‘Beste Vriend van alle Sovjetvrouwen’. Tot haar zestiende was Svetlana de ideale leerling, met prachtige studieresultaten en een gehoorzaam karakter. Ondertussen was in de tweede helft van de jaren 30 de Grote Terreur begonnen. Er vonden massale arrestaties plaats, Staling liet miljoenen mensen oppakken en honderden duizenden werden doodgeschoten of naar strafkampen in afgelegen oorden afgevoerd. Alhoewel Svetlana als jong meisje hier nog niet veel weet van had, begon ze wel steeds meer de gevolgen te merken van het strengere klimaat. Zo werden vaders van vriendinnetjes afgevoerd en zelfs haar eigen familie was niet veilig: Stalin liet ook ooms en tantes gevangennemen en executeren.

Turbulent liefdesleven

Op haar zestiende werd Svetlana verliefd op Aleksej Kapler, een Joodse filmregisseur van achtendertig jaar. Een relatie die haar vader verafschuwde en verbood. Stalin zorgde voor de deportatie van Kapler naar Siberië. Een paar jaar later trouwde ze met de Joodse Grigori Morozov, met wie ze zoon Josef kreeg. Het was geen gelukkig huwelijk en het hield dan ook niet lang stand. Hierna trouwde ze met Joeri Zjdanov, een huwelijk dat volgens Svetlana door haar vader gearrangeerd was. Uit deze relatie werd dochter Katja geboren. Ook dit huwelijk hield maar een paar jaar stand.

In maart 1953 overleed Jozef Stalin na een doodsstrijd van enkele dagen. Svetlana verlangde ernaar anoniem te zijn, maar de meeste mensen bleven haar zien als ‘de prinses van het Kremlin’. Ze mocht van de regering in het openbaar geen uitspraken doen over haar vader. Alles wat met Stalin te maken had was staatseigendom, en daarmee was zij in feite ook staatseigendom. Een derde huwelijk volgde in 1962, met Ivan Svanidze, maar dit huwelijk hield nog geen jaar stand. Ondertussen werkte Svetlana aan haar autobiografie, in de vorm van brieven.

Uitgeweken

In 1963 ontmoette Svetlana de Indiër Brajesh Singh, op wie ze verliefd werd. Met hem was ze eindelijk echt gelukkig en ze wilde graag trouwen, zodat Singh in de Sovjet-Unie kon blijven. De regering weigerde haar dat. Singh had een chronische ziekte en zijn gezondheid ging steeds verder achteruit. Tot Svetlana’s grote verdriet overleed hij in oktober 1966. Tegen haar eigen verwachting in kreeg ze toestemming om naar India te reizen om de as van Singh over de Ganges uit te strooien.

Toen Svetlana in India was, wilde ze niet meer terugkeren naar de Sovjet-Unie. Op 6 maart 1967 stond ze op de stoep van de Amerikaanse ambassade in New Delhi om te vertellen dat ze wilde uitwijken.

Via een haastige en chaotische procedure smokkelden de Amerikanen Svetlana het land uit en kwam ze, via Italië en Zwitserland, in de Verenigde Staten terecht. Haar kinderen en haar moederland had ze achter zich gelaten, niet wetend of ze ze ooit terug zou zien. Haar uitwijking zorgde voor een toename van de politieke spanningen tussen de VS en de Sovjet-Unie.

Lana Peters

Svetlana’s levensverhaal werd uitgegeven en ze begon aan een tweede boek. Haar liefdesleven bleef echter een aaneenschakeling van teleurstellingen en verkeerde beslissingen. In november 1969 kwam ze onder de invloed van Olgivanna Wright, de weduwe van architect Frank Lloyd Wright, die in Arizona een architectenschool had opgericht, het Taliesin-genootschap. Wright had Svetlana uitgenodigd om langs te komen met het bewuste doel om haar te koppelen aan Wesley Peters, de echtgenoot van haar overleden dochter en chef-architect van Taliesin, om zo aan Svetlana’s geld te kunnen komen. Het plan werkte en Svetlana trouwde met Peters, met wie ze op 44-jarige leeftijd nog een dochter kreeg, Olga. Ook dit huwelijk hield geen stand en Svetlana ontvluchtte met haar dochter de verstikkende omgeving van Taliesin. Een periode van veel verhuizingen volgde, Svetlana leek nergens echt rust te kunnen vinden. Ze worstelde met haar emoties en met het schrijven. De liefde voor haar dochter hield haar op de been. In 1978 vroeg ze het Amerikaanse staatsburgerschap aan en ging ze verder door het leven als Lana Peters. Ze woonde afwisselend in de Verenigde Staten en in Engeland en in 1984 deed ze wat niemand had verwacht: ze vertrok met haar dochter terug naar de Sovjet-Unie. Dit deed ze om haar zoon Josef te zien, van wie ze bericht had gekregen dat hij ernstig ziek was. De hereniging met haar zoon verliep moeizaam en Svetlana begon algauw haar vergissing in te zien. Na een jaar in de Sovjet-Unie kregen Svetlana en Olga toestemming om het land te verlaten. De rest van haar leven bracht ze door in Amerika en in Engeland, ze bleef veel verhuizen, en ze overleed uiteindelijk op 22 november 2011, op 85-jarige leeftijd.

Correspondentie

De in Canada geboren Rosemary Sullivan deed voor De dochter van Stalin uitgebreid onderzoek. Zo reisde ze naar Rusland en Georgië, waar ze sprak met familieleden, collega’s en vrienden van Svetlana en bezocht ze scholen en woonplaatsen. Ze onderzocht Russische archieven, waarin ze onder andere de correspondentie tussen Svetlana en haar vader tegenkwam. Ze bezocht Svetlana’s goede vrienden in Engeland en bracht een weekend door in het huis van Robert Rayle, de CIA-agent die Svetlana had begeleid tijdens haar uitwijking in 1967. Ook sprak ze uitvoerig met de dochter van Svetlana, die haar toestemming gaf om te citeren uit brieven van haar moeder. Dit alles zorgt voor een uitgebreid en boeiend verslag van Svetlana’s leven, vanaf haar geboorte in Rusland in 1926 tot haar dood in de Verenigde Staten. De vele foto’s brengen het verhaal nog meer tot leven. Svetlana’s karakter wordt uitgebreid beschreven en door de vele citaten van haar die Sullivan gebruikt in het boek, krijg je een goed beeld van haar complexe karakter en heb je bijna het idee dat je haar tijdens het lezen van het boek leert kennen. Hoewel Sullivan haar niet ophemelt (Svetlana had ook een paar minder mooie karaktertrekken) leef je toch met haar mee en je kunt bijna niet anders dan medelijden hebben met haar: een vrouw die continu gebukt ging onder haar verleden en haar afkomst. Zelf verwoordde ze het als volgt:

“Je bent Stalins dochter. Dan is je leven al afgelopen. Je kunt je eigen leven niet leiden. Je kunt geen enkel leven leiden. Je bestaat slechts als een verwijzing naar een naam.”

Voor het verschenen op De Leesclub van Alles

Het Grote Jaren 70 Boek

Zitkuil, partnerruil en vleesfondue

Een van de mooiste foto’s uit Het Grote Jaren 70 Boek beslaat twee pagina’s. Hier zie je het echte leven van toen in één oogopslag: de nieuwe losse toon samen met de oude gebruiken en manieren van doen. Want lang niet iedereen had ineens lang haar, beschikte thuis over een zitkuil of was aan het experimenteren met partnerruil of vleesfondue. Het is een straatopname in kleur van de Dam in Amsterdam in 1970, schuin voor de Bijenkorf. Winkelende mensen op de achtergrond, maar de foto focust op het kleine gezelschap op en rond een straatbankje. Een oudere dame met zo’n dunne hoofddoek die vrouwen gebruikten als ze haarkrullers in hadden, staat met een tas in haar armen. Op de grond zit een jongere vrouw te praten met een kalende man op de bank. Zij lijken dagjesmensen. Verder zitten op de bank een lezend meisje en een oude heer met ouderwetse hoed en keurig pak. Opmerkelijk: tussen hen in een zoenend stel, een jonge man en vrouw. Hij heeft zijn hand hoog in haar mouw. Zij heeft een ultrakorte rok aan, zoals de mode was. Niemand kijkt ervan op – al heeft de oude heer naast hen en die een beetje wegkijkt een tikje een verstoorde blik.

Het is maar één van de vele foto’s. Een mooi dik plaatjesboek voor wie de jaren 70 heeft meegemaakt, of voor wie wel eens wil weten hoe alles er toen uit zag.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

‘Een innige vereeniging’

Naar één Koninkrijk van Nederland en België in 1815

[Signalering] In een smeuïg en goed geïllustreerd relaas dompelt Wilfried Uitterhoeve de lezer onder in de diplomatieke wereld rondom de herschikking van het Europese continent na de aftocht van Napoleon. Centraal staat de geslaagde poging van de ambitieuze Willem I om ook soeverein van de zuidelijke Nederlanden te worden.

Uitterhoeve beschrijft hoe Willem uiteindelijk wist te profiteren van het streven van de Europese grootmachten naar een stabiel internationaal stelsel. Het boek is doorspekt met citaten uit briefwisselingen, nota’s en verdragsteksten. Wie het verhaal wil volgen wordt met regelmaat op de proef gesteld door zulke citaten en door op zichzelf genomen lezenswaardige uitweidingen over sterk uiteenlopende onderwerpen. Wie op zoek is naar een uitdagend perspectief op de ontwikkelingen aan het begin van de 19de eeuw kan dit boek beter overslaan. Als een enthousiaste kennismaking met de diplomatieke improvisaties die tot de geboorte van het Koninkrijk der Nederlanden leidden is het echter beslist de moeite waard.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Twee leeuwen, één kruis

De rol van katholieke culturele kringen in de Vlaams-Nederlandse verstandhouding

[Signalering] De onvrede van katholieken in het zuiden droeg beslissend bij aan de scheiding van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden in de jaren 1830; dit is bekend. De verbindende rol van het katholicisme na 1830 is veel minder bekend. Roberto Dagnino analyseert die. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de ‘hoge’ cultuur, naar prominente personen en intellectuele debatten als die omtrent de spelling van Nederlands en de opkomst van de neogotiek.

Dagnino concludeert dat de geleidelijke toenadering tussen katholieken in noord en zuid optrad in de vorm van een ontnuchtering: Nederlandse katholieken zagen onder ogen dat België geen katholieke modelstaat was, terwijl Vlamingen het idee van Nederland als protestantse natie lieten varen. Het maatschappelijk effect van deze verschuivende beeldvorming komt niet uit de verf maar het boek onderstreept terecht het dynamische en veelzijdige karakter van het katholicisme in de geschiedenis van de Lage Landen.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Handen

Een mens wil friemelen

[Recensie] Nog niet zo lang geleden kon ik me oprecht verbazen over hoe bijna iedereen in de trein met een smartphone in de weer was en ik het uitzicht op de weilanden helemaal voor mezelf privé had. En me hoofdschuddend afvroeg waar het toch heenging met de wereld. Waar bleef de menselijke betrokkenheid, de diepgang en de aandacht voor de omgeving? Maar ik beken: inmiddels heb ik zelf natuurlijk ook zo’n ding. En na vijf minuten koeien kijken ga ik in de trein toch ook maar even mijn mail checken, op een nieuwssite kijken of de wereld nog niet is vergaan en appen dat ik eraan kom. Diep in mijn hart vind ik het zelfs wel prettig dat de dame tegenover mij tegenwoordig liever zit te sms’en dan haar sores over mij uitstort.

Verontrustend? Ach, vindt de Britse psychoanalyticus Darian Leader (1965) in zijn boek Handen. Wat we met ze doen – en waarom. Echt nieuw is dit gedrag in elk geval niet. Wij mensen proberen ons nu eenmaal vaak te onttrekken aan onze omgeving (lees: moeder) en willen niet alleen hier, maar ook tegelijk graag elders zijn. Dezelfde reden dus waarom we boeken lezen, films kijken en al eeuwen naar verhalen luisteren.

Arbeidsethos

Al dat hedendaagse gescroll, geswipe en geklik richt de blik op wat volgens Leader misschien wel ons belangrijkste lichaamsdeel is: de hand. Let er maar eens op: onze handen zijn altijd in beweging. Wie niets omhanden heeft, wordt al gauw doodongelukkig. Nu kunnen we daar natuurlijk het protestantse arbeidsethos de schuld van geven: ledigheid is immers des duivels oorkussen en met name een vrouwenhand dient (gelijk een paarden- of koeientand) nooit stil te staan. Lege handen dwalen immers al gauw af, terug naar het eigen lichaam, gaan pulken en wrijven, krabben en verwonden. Dus boven de dekens ermee, geen handen in je broekzakken en zorg dat je wat te doen hebt! Ook tijdens het gebed is er een duidelijk protocol: handen tegen elkaar of netjes gevouwen. Friemelen aan een rozenkrans of gebedssnoer mag ook.

Dr Strangelovesyndroom

Want onze handen mogen dan sinds Aristoteles het verlengstuk van onze wil zijn, ze leiden maar al te vaak hun eigen leven en dat hebben we lang niet altijd in de hand, dat weet iedereen die wil stoppen met roken en nagelbijten. De neurologie kent zelfs het ‘alien handsyndroom’, dat bijna het ‘Dr Strangelovesyndroom’ had geheten,  naar de film waarin Peter Sellers herhaaldelijk met zijn linkerhand de rechter moet tegenhouden, omdat die de Hitlergroet wil brengen. Ook in horrorfilms struikel je over de bezeten handen die tegen de wil van hun eigenaar hun eigen enge, meestal moordzuchtige ding doen.

De geschiedenis van de rusteloze hand gaat overigens stukken verder terug dan Calvijn. Het begon er volgens Leader mee dat onze verre voorouders op twee benen gingen lopen, niet meer door de bomen slingerden en hun handen iets nieuws te doen moesten geven. Dus vonden ze gereedschap uit. En wapens, want het verschil daartussen is maar klein. In de klassieke oudheid al zagen filosofen als Anaxagoras en Aristoteles een verband tussen hand en intelligentie, hoewel er nog te twisten valt over at het feitelijke evolutionaire keerpunt moet zijn geweest: die grotere schedel of de lege hand.

Bondage

De verhouding tussen hoofd en handen is een verhaal apart. We schijnen voortdurend aan ons hoofd te zitten: we krabben achter oren, zuigen op vingers en duimen, trekken aan oorlelletjes, peuteren in neuzen, plukken aan snorren, baarden en hoofdhaar, afhankelijk van leeftijd en geslacht.

Leader grabbelt heel wat heerlijke cultuurhistorische weetjes over de hand bij elkaar. Zo bungelt er niet zomaar in bijna elke avonturenfilm wel iemand aan een hand boven een afgrond, wat leidt tot fraaie en soms discutabele speculaties over de onwaarschijnlijke kracht van babyknuistjes, de lol van tikkertje spelen en bondage en waarom het zo moeilijk is om dingen los te laten.

En wist u bijvoorbeeld dat de hand het meest genoemde lichaamsdeel in de Bijbel is, in het Oude Testament alleen al meer dan tweeduizend keer? Dat God in het vroege christendom vaak werd afgebeeld als een enorme hand die uit de wolken komt? Dat de gebaren de Romeinse redenaar Cicero bijna net zo beroemd waren als de inhoud van zijn toespraken en het geen toeval kan zijn dat zijn moordenaars niet alleen zijn hoofd, maar ook zijn afgehakte handen tentoonstelden? Ooit opgevallen dat op bijna alle schilderijen over de zondeval Eva de appel betast en nog niet eet? Fascinerend is ook Leaders verhaal over hoe we sinds de zestiende eeuw met allerlei modieuze friemelaccessoires in onze handen over straat gaan, zoals handsschoenen, waaiers en snuifdozen. Paraplu’s, sigaretten en nu dan smartphones. Niets in de hand hebben en met lege handen staan schijnen ons letterlijk onmogelijk te zijn.

Borduren

Toch is het niet uitsluitend nerveus gepluk daar aan het eind van onze armen. Vooral als we iets met textiel doen, schijnt dat heel heilzaam te zijn. Zo kregen soldaten die terugkwamen uit de Krimoorlog het advies om te gaan breien of bondage omdat dat zou helpen tegen wat we nu een posttraumatische stressstoornis zouden noemen. Ook werden in die tijd drukke schooljongetjes aan het breien gezet om te voorkomen dat ze met gummetjes gingen gooien en met inkt knoeiden. En wist u dat Hans Christian Andersen veel van zijn sprookjes in een weverij heeft opgepikt? Zou het toeval zijn dat verhalen uit (rode) draden bestaan en de schikgodinnen als weefster of spinster worden afgebeeld?

De mens is een friemelende soort, stelt Leader vast. Onze handen willen nu eenmaal wat te doen hebben: bij de tv spelen we met de afstandsbediening en snaaien we chips, ook als we helemaal geen honger hebben. In de les tekenen we poppetjes, in het café spelen we met bierviltjes  en vandaag de dag tikken, swipen en scrollen we ons suf op onze smartphones. Het is nu eenmaal onze aard. Let maar eens op. Ik beloof u: na dit boek kijkt u opeens heel anders naar uw handen.

Eerder verschenen in Trouw en op http://marijkelaurense.nl

Hoe zwaar is licht

Vermakelijk, maar weinig zinvol

Over het nut van de Nationale Wetenschapsagenda kun je twisten en datzelfde kun je doen over Hoe zwaar is licht.

In dit boek, dat is samengesteld door Beatrice de Graaf en Alexander Rinnooy Kan (beide geven leiding aan de Nationale Wetenschapsagenda) geven ruim honderd wetenschappers in enkele pagina’s antwoord op evenzoveel vragen die zijn voorgelegd aan de Nationale Wetenschapsagenda.

Hoewel de meeste vragen getuigen van een gezonde portie nieuwsgierigheid van het type dat de geëngageerde burger in wetenschap doet interesseren, zijn het alleszins geen wetenschappelijke vragen. En met antwoorden die niet groter zijn dan enkele pagina’s, kunnen deze ook niet wetenschappelijk worden genoemd. Bovendien zijn verreweg de meeste vragen al het onderwerp (geweest) van wetenschappelijk onderzoek, al beantwoord, of simpelweg niet te beantwoorden.

Door dit uitgangspunt en deze opzet is dit boek, hoe goedbedoeld ook, niet veel meer dan een verzameling interessante trivia. Het biedt wellicht een interessant kijkje in de belevingswereld van de geïnteresseerde leek (al kan dat ook puur door de geselecteerde vragen komen), maar toont vooral dat, hoe saai dat ook mag klinken, een nationale wetenschapsagenda niet iets is waarover de gehele samenleving moet beslissen. Bovendien zorgen de sterk variërende schrijfstijlen van de ruim honderd auteurs voor een nogal onsamenhangend en rommelig geheel.

Eerder verschenen in Technisch Weekblad 

Gezond verstand

Helende effecten van de geest op het lichaam

[Recensie] Karl-Heinz neemt elke dag naast zijn normale medicijnen een dikke, naar vis ruikende, witte pil en een heldergroen drankje met sterke lavendelgeur. Hij zet er telkens hetzelfde nummer van Johnny Cash bij op: Help me. De pil en het drankje zijn placebo’s, dat weet Karl-Heinz. De echte medicijnen slikt hij om afstoting van zijn getransplanteerde nier te voorkomen. Het zijn pillen met nare bijwerkingen, maar door conditionering met placebo’s en het ritueel kan hij met een veel lagere dosis toe.

Het is een van de voorbeelden die de Britse wetenschapsjournalist Jo Marchant opvoert in haar boek Gezond verstand, de wetenschap van geest en lichaam, over de effecten van de geest op het lichaam en het benutten van die effecten in de geneeskunde. De reguliere wetenschap heeft niet genoeg aandacht voor die effecten gehad, zegt zij, en mede daardoor kon het idee van helende gedachten of overtuigingen worden gekaapt door allerhande alternatievelingen. Marchant laat de wetenschap spreken “om de geest te redden uit de klauwen van de pseudo-wetenschap”.

Voor haar boek ging Marchant de hele wereld over, op zoek naar interessante ontwikkelingen op het gebied van placebo-onderzoek, van hypnose en de rol van de hersenen binnen de immunologie tot mindfulness en de wonderlijke genezingen in Lourdes. Zij sprak met de wetenschappers achter het onderzoek en met mensen als Karl-Heinz die er baat bij gehad lijken te hebben. Dat maakt het boek levendig, maar draagt ook het risico van vertekening in zich: de betrokken onderzoekers zijn nogal optimistisch over hun resultaten en van minder tevreden proefpersonen horen we weinig. Gelukkig geeft Marchant na de gesprekken een objectievere bespreking van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek. Wie echter zelf die onderzoeken er op naslaat, komt regelmatig toch voor verrassingen te staan.

Slordig

Slechte sociale omstandigheden in je jeugd kunnen van grote invloed zijn op je gezondheidstoestand in latere jaren, ook al stijg je stevig op de sociale ladder. Als onderbouwing haalt Marchant een Deense studie met geadopteerde kinderen aan. Hun gezondheid als vijftigplusser hangt sterker samen met de sociale klasse van hun biologische vader dan die van henzelf of hun adoptiefvader. Marchant mist dat de adopties direct na de geboorte plaatsvonden en het effect hooguit indirect via een genetische link kan lopen, iets wat de onderzoekers in het artikel zelf opmerken.

Een ander voorbeeld is het onderzoek van de Italiaanse cardioloog Casiglia. Onder hypnose konden proefpersonen hun hand veel langer in ijswater houden dan zonder hypnose. De opzet blijkt echter nogal zwak, met slechts twintig deelnemers die konden weten welke uitkomst gewenst was. Bij de ijswaterproef onder hypnose stelde Casiglia de deelnemers continu gerust, bij de proef zonder hypnose werden ze aan hun lot overgelaten. Zegt dit dus eigenlijk wel iets over hypnose?

Slordigheden? Of laat Marchant haar oor te veel hangen naar haar gesprekspartners? Critici komen sowieso maar mondjesmaat aan het woord in het boek (in het slothoofdstuk mogen ze wel gehakt maken van homeopathie en reiki). Samen met de persoonlijke interviews en haar eigen ervaringen, ontkom je moeilijk aan de indruk dat Marchant net iets te graag positieve resultaten wil zien. In het hoofdstuk over hypnose verzucht ze: “In het algemeen concluderen de meta-analyses meestal dat er te weinig kwaliteitsonderzoek is om duidelijke conclusies te trekken over de voordelen, of welke technieken het best werken. Voor een outsider als ik is het doorspitten van de gegevens een frustrerende ervaring.”

Of het boek redelijk afdekt wat er zoal onderzocht wordt op dit gebied, vind ik mede daardoor moeilijk in te schatten. Mij viel wel op dat ‘onze’ Wim Hof ontbreekt, terwijl zijn claims en het wetenschappelijk onderzoek naar zijn methode er uitstekend tussen zouden passen.

Gezond verstand is zeker geen straf om te lezen en het zet je beslist aan het denken over hoe lichaam en geest op elkaar kunnen inwerken, maar van een ervaren wetenschapsjournalist had ik eigenlijk wel iets degelijker werk verwacht. Verdere straf zou men zich nog kunnen besparen door het oorspronkelijke Engelse boek, Cure, te lezen: er staan flinke slordigheden in de vertaling. Een politieagent valt 12 kilometer naar beneden, terwijl dat 40 voet was. En een ‘wafer’ die bij een processie in Lourdes wordt rondgedragen is een wafel geworden in plaats van een hostie…

Eerder verschenen in Skepter