Als een vos: Machiavelli’s levenslange zoektocht naar vrijheid

Over het goed besturen en verdedigen van de stad

[Recensie] Niccolò Machiavelli is altijd een beetje een ongrijpbare figuur geweest. Voor sommigen is hij een moreel onverschillige duivel in de geschiedenis van het denken over politiek; voor anderen is hij de politieke denker die met zijn scherpe oog voor realisme nu eens eindelijk zei waar het in menselijke verhoudingen werkelijk op staat.

Met de onlangs in soepel Nederlands vertaalde biografie van Erica Benner is Machiavelli een stuk begrijpelijker en dus minder ongrijpbaar geworden. Benner betrekt elk bekend detail van Machiavelli’s leven in haar verhaal en bewijst daarmee opnieuw dat voor de politieke filosofie nog meer dan voor andere gebieden geldt dat alleen de historische en persoonlijke context duidelijk kan maken waar het een schrijver nu werkelijk om ging. Haar biografie biedt aan specialisten overvloedig materiaal voor nieuwe interpretaties en niemand die in Machiavelli geïnteresseerd is, kan om deze biografie heen. Toch is het vooral een geschiedenisboek geworden dat uiteindelijk niet toekomt aan waar het Benner oorspronkelijk om te doen was: Machiavelli voor eens en voor altijd te duiden als politiek filosoof.

Een sterk element in Als een vos, is dat Benner de levensbeschrijving van de denker uit Florence begint met een karakterschets van zijn vader. Hoewel gediplomeerd als advocaat, lijkt Bernardo Machiavelli zich als gezinshoofd in de tweede helft van de vijftiende eeuw vooral te hebben beziggehouden met het runnen van enkele door hemzelf verpachte boerderijen in de streek. De familie bestond al generaties lang uit landeigenaren, maar bestuurlijke macht was de Machiavelli’s in Bernardo’s tijd niet meer gegeven, omdat er langlopende belastingschulden waren opgebouwd. Bernardo vulde zijn tijd verder met het bestuderen van auteurs uit de klassieke oudheid en met wat we een kleine praktijk van sociale en financiële mediation zouden kunnen noemen.

De beperkte politieke macht, de intellectuele interesse in antieke historieschrijvers en de geschiktheid om face to face onderhandelingen tot een goed einde te brengen, zijn elementen in het leven van Niccolò’s vader die een nuttig uitgangspunt bieden voor het begrijpen van zijn zoon. Ook Niccolò zelf zocht praktische oplossingen voor puur locale aangelegenheden en deelde met zijn vader een belangstelling voor antieke geschiedenis.

Oudheid en lokale politiek lieten zich gemakkelijk combineren. Als centrum van de Italiaanse Renaissance had Florence in Machiavelli’s tijd in zekere zin de plaats ingenomen van het oude Rome. Benners boek neemt alle wisselvalligheden in het politieke bestuur van Florence (de opkomst en neergang van de monnik Savanorola, de terugkeer van de Medici’s, de vele samenzweringen) mee in het verhaal, net als alle wisselvalligheden in het politieke lot van de rijke stad ten tijde van de Franse inval in Italië, de strooptochten van Cesare Borgia in opdracht van de Paus en de dreiging dat de Spaanse furie op een gegeven moment ook Florence zou treffen. Het verhaal maakt nog eens duidelijk dat het een wonder mag heten dat Florence nooit geplunderd is zoals Rome uiteindelijk geplunderd zou worden door de troepen van Karel V in 1527.

De wisselvalligheden van Machiavelli’s ambtelijke en diplomatieke loopbaan (van gespreksgenoot van Cesare Borgia tot gefolterde gevangene in een Florentijnse cel) lopen als een rode draad door die geschiedenis heen. Maar wat zeggen ze over Machiavelli als politiek denker?

Meestal wordt Machiavelli gezien als een ‘realist’, die een scherp contrast vormt met de ‘idealist’ Erasmus, een tijdgenoot die zijn hoofd eerder in de wolken had in plaats van op de grond. Toch is die tegenstelling misleidend. Aangezien wij vandaag de dag de idealen van Erasmus (eerlijk bestuur, goede voorzieningen etc., meer algemeen gezegd: the rule of law) prefereren boven de schijnbare idealen van Machiavelli (overleven in de context van de successie-oorlogen tussen adellijke families), zegt zo’n tegenstelling tussen idealisme en realisme uiteindelijk niet zo veel. Het idealisme van Erasmus is historisch realistischer gebleken dan wat er tegenover stond. Bovendien zag Machiavelli zichzelf (zoals Benner terecht aangeeft; pp. 341-342) op een gegeven moment eerder als opvolger van idealistische filosofen als Plato en Aristoteles, dan als opvolger van realistische historici als Livius en Tacitus.

De kracht van Machiavelli zit hem niet in een filosofie van realisme, maar in zijn oog voor de psychologische motivering van mensen en de relevantie daarvan voor de politiek. Machiavelli’s zogenaamde realisme is vaak niets anders dan een cynische reactie op de neiging van zowel bevolking als bestuurders om politieke situaties totaal verkeerd in te schatten en geen rekening te houden met kinkklare voorbeelden uit de oude of eigentijdse geschiedenis. Machiavelli’s standpunten vormen altijd een mengeling van herinneringen uit de verre of de lokale geschiedenis. Piero Soderini, de leider van de Florentijnse republiek onder wiens bewind Machiavelli van 1502 tot 1512 carrière maakte, had zichzelf niet genoeg wettelijke middelen gegeven om streng te kunnen optreden tegen staatsondermijnende activiteiten. In de oudheid had Brutus niet voor niets zijn eigen zoons laten doden omwille van de staat, terwijl ad hoc beslissingen in Florence al vaker tot een situatie van politieke chaos en blijvende dreiging hadden geleid.

Typisch voor Machiavelli is het dat het hem niet zozeer ging om strenge straffen als wel om wettelijke middelen. Uiteindelijk ging het hem om de politieke stabiliteit en de vrijheid van zijn stad, en in het kader daarvan om de vrijheid van haar burgers – en dus om een ideaal van fatsoenlijk bestuur. De ondertitel van de Nederlandse uitgave van Benners boek verwijst daar terecht naar. Machiavelli wilde zijn medeburgers en bestuurders van niets zozeer overtuigen als van het idee van een gezamenlijke missie: het goed runnen en verdedigen van de stad.

Benners boek geeft een gedetailleerd beeld van de persoon Machiavelli, die naast schrijver van politieke geschriften ook toneelschrijver was, en wiens levensopdracht het eerder is geweest een goede burgermilitie voor zijn stad op te zetten (en daarmee het idee van de dienstplicht ingang te doen vinden) dan een plaats te verwerven in de geschiedenis van de politieke theorie.

Toch raakt de vraag die Benner zich aan het begin stelt, namelijk hoe we het werk van Machiavelli moeten begrijpen wanneer er zo verschillend op hem wordt gereageerd, uiteindelijk op de achtergrond. Benner weet op een ingenieuze manier citaten uit Machiavelli’s werk in haar beschrijving van zijn persoonlijk geschiedenis te verweven. We begrijpen individuele passages uit boeken als De vorst en de Discorsi beter als ze worden gekoppeld aan Machiavelli’s eerdere ervaringen in de bewogen geschiedenis van Florence. Maar als intellectuele biografie was het naar mijn smaak beter andersom geweest: dat we Machiavelli’s uitspraken niet als verfraaiing van zijn leven kregen opgediend, maar zijn leven ons een beeld zou geven van wat hij met die uitspraken bedoelde. Machiavelli’s ideeën passeren tegen het einde van het boek nog even de revue bij de beschrijving van zijn intellectuele gesprekken in de Orti Oricellari. Maar op die manier lijken het slechts vrijblijvende hypothesen te zijn geworden; meningen die iedereen wel had kunnen verzinnen – alsof niet juist bij Machiavelli elk standpunt een heel duidelijke en concrete achtergrond had in wat hij over politieke geschiedenis had gelezen en in wat hij zelf had meegemaakt. De verweving van leven en denken heeft bij Benner met andere woorden eerder een spannend boek over Florence opgeleverd, dan een spannend boek over de oorspronkelijke betekenis van ‘machiavellisme’.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Prof.dr. J.A. (Han) van Ruler is Honorary Professor of Intellectual History of the Renaissance and the Baroque at the Faculty of Philosophy of Erasmus University Rotterdam.

Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature

De wetenschap van bewondering

[Recensie] Wie draagt er bij aan de totstandkoming van een literary celebrity, een verhaal rondom een literaire beroemdheid, en hoe ontwikkelt dat verhaal zich nadat de beroemdheid overleden is? Aan de hand van de lives en afterlives van negen literaire beroemdheden wagen negen auteurs zich in Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature aan een antwoord op die vraag.

Het begin- en uitgangspunt is dat celebrity een ‘socio-cultural construct’ is, een samenspel van drie sociale factoren: mediatisering, personalisatie, en commodificatie. Oftewel de mate waarin de auteur in de publiciteit is, de mate waarin men zich met de auteur identificeert en de mate waarin een auteur ‘verkoopbaar’ is. (Franssen en Honings 2016: 9) Binnen de categorie ‘celebrity’ focust Celebrity Authorship and Afterlives zich op een specifieke subcategorie van literaire beroemdheden: ‘literary celebrities’.

Franssen en Honings leggen deze subcategorie uit aan de hand van twee concepten. Allereerst via Roland Barthes’ beroemde verwerping van de auteur als autoriteit en vervolgens via Foucaults navolgende idee van de auteursfunctie (author-function). Deze auteursfunctie wordt door Foucault omschreven als interdiscursief. De ‘auteur’ is het product van een discours waar zowel de auteur zelf als critici, lezers en journalisten aan bijdragen en dat vervolgens aan de auteur wordt toegeschreven. De ‘literary celebrity’ is een hybride van de auteursfunctie en de op Richard Dyers ‘star text’ gebaseerde celebrity function, waarbij Dyer zich niet zozeer afvraagt wat celebrities zijn, maar waartoe ze ons in staat stellen. (Franssen en Honings 2016: 10) Dyer beschrijft dat ‘celebrity’ tot stand komt op basis van een serie statements die verkondigd worden door en gaan over de celebrity. Die statements worden vervolgens gerecipieerd door een bepaald publiek. Volgens Dyer is zo’n ‘star text’ een dramatisering van “what it is to be a human being in contemporary society”. (Franssen en Honings 2016: 5)

Franssen en Honings stellen vervolgens meteen dat deze samenhang van functies complicaties oplevert en waarschuwen dan ook dat “whoever wants to chart the history of celebrity authorship, then, has to face the difficult task of mapping a shifting constellation of discursive battlegrounds”. (Franssen en Honings 2016: 10) Franssen en Honings doen recht aan deze complexiteit door zich niet louter te richten op de zelfrepresentatie, de verschillende vormen van disseminatie van het werk en de auteur en de publieke kijk op de eigenschappen van het literaire werk, maar door ook de afterlives van ‘literary celebrities’ in overweging te nemen. Ze richten zich daarbij op het diachronische aspect van de celebrity function.

Deze vier variabelen worden toegelicht aan de hand van een chronologische ontwikkeling van een aantal literary celebrities: van John Keats (1795-1821) tot aan Zadie Smith (1975). Het gaat om celebrities die allemaal bovengenoemd drieluik belichamen, zij het in verschillende samenstellingen en op verschillende manieren bewerkstelligd.

Negen wetenschappers wagen zich aan een literary celebrity. Zo richten Eric Eisner en Odile Heynders zich op de historische dimensie van de literary celebrity in hun hoofdstukken over John Keats en Zadie Smith. Rod Rosenquist en Gaston Franssen bespreken aan de hand van celebrities de mate waarin schrijvers zich verzetten tegen hun celebrity of er juist aan bijdragen. De rol van een visuele cultuur in de representatie van auteurschap en de mediatisatie van moderne cultuur wordt uitgelegd door Kevin Hayes en Alexis Easley, die deze twee kanten toelichten in hun hoofdstukken over Herman Melville en Eliza Cook. Ten slotte richten Evert Jan van Leeuwen en Sandra Mayer zich specifiek op de afterlifes van Edgar Allan Poe en Oscar Wilde.

Franssen en Honings typeren de selectie celebrities als “not (…) inexhaustive by any means but it is illustrative’, als toelichting van hun model van de literary celebrity. (Franssen en Honings 2016: 14)

De juxtapositie van de hoofdstukken, die elk een andere constructie en samenstelling van een celebrity beschrijven, benadrukt naar mijn mening de dynamiek van zowel het boek als het begrip literary celebrity. John Keats, zo schrijft Eisner, werd (en bleef) een beroemdheid omdat het lezen van zijn werk blijk gaf van intellectualiteit. Hij is daarmee een schoolvoorbeeld van een ‘personaliseerbare’ auteur. Men vond in zijn schrijven een vriend, iets wat ook na zijn dood doorging. De ‘celebrity function’ van Edgar Allan Poe, daarentegen, wordt gekenmerkt door een bewuste invulling van de rol van celebrity. Zo schreef Poe The Raven “to claim his spot in the limelight”, en verhaalde hij later aan een vriend dat het gedicht was ontworpen voor “mass appeal and immediate sensational impact”. (Franssen en Honings 2016: 44)

Naast deze chronologische leesvolgorde lichten Franssen en Honings drie andere dimensies toe waarin de essays zich tot elkaar verhouden. Zo is er een historische verandering zichtbaar in de manier waarop ‘literary celebrity’ wordt ingevuld bij John Keats en Zadie Smith. Odile Heynders legt – terecht – de nadruk op een belangrijk verschil tussen Smith en haar voorgangers, vanwege het feit dat haar beroemdheid zich dankzij social media met een snelheid heeft ontwikkeld die in Keats’ tijd onvoorstelbaar was. Een tweede perspectief is de manier waarop de besproken literary celebrities zich tot hun eigen celebrity verhouden. Zo schiep J.D. Salinger, besproken door Franssen, juist ruimte voor speculatie door zijn relatieve afwezigheid in het publieke discours. Dit resulteerde, evenals bij Poe, in een spectaculaire afterlife. De derde dimensie omvat de invloed van een groeiende visuele cultuur. Enerzijds zijn er in de loop der jaren meer mogelijkheden gekomen voor het maken en verspreiden van foto’s, anderzijds is geportretteerd worden nog steeds deels een keuze.

Gertrude Stein was zich terdege bewust van de waarde van haar celebrity als producent en als product van promotie. Ze liet zich in die hoedanigheid dan ook graag fotograferen. (Franssen en Honings 2016: 16) Herman Melville, daarentegen, wilde voorkomen dat zijn portret de aandacht zou afleiden van zijn werk. (Franssen en Honings 2016: 15) Hij sloeg een opdracht af toen deze gepaard moest gaan met een daguerreotypie: een vroege fotografische methode. (Franssen en Honings 2016: 95-96)

Deze theoretische omlijsting is helder en prikkelend, maar toch worstelen Franssen en Honings openlijk met de wetenschappelijke verantwoording van hun onderwerp. Door zichzelf de vraag te stellen wat een ‘literary celebrity’ onderscheidt van een ‘gewone’ celebrity vestigen ze de aandacht op de connotatieve associatie van een gewone celebrity met ‘low-culture’. Dit impliceert dat ze suggereren dat wetenschap en literatuur connotatief juist met ‘high-culture’ geassocieerd (willen) worden. In een poging deze vraag te ontmantelen introduceren ze daarom de eerdergenoemde auteursfunctie om ‘gewone’ celebrities van literaire te onderscheiden.

Doordat de verantwoording wat schoorvoetend is, leest ze als een excuus dat vermomd is als theorie. Daaruit volgt de vraag of de (literatuur)wetenschap zich dient bezig te houden met het bespreken van auteurs en werken die middels een sociaalwetenschappelijk discours onder de categorie ‘literatuur’ zijn geschaard, of mogen ook zij zich schuldig maken aan platte bewondering? De meningen zijn hier ongetwijfeld over verdeeld, maar wat mij betreft is een dergelijke worsteling niet nodig. Met hun boek tonen Franssen en Honings aan dat celebrity studies wel degelijk een volwaardig onderzoeksgebied vormen. Het is voor mij evident dat het boek zelf het concept celebrity of celebrity studies binnen het wetenschappelijk literaire veld plaatst.

Daarmee wil ik niets afdoen aan de relevantie van het schrijven over celebrities binnen de theorieën van Barthes of Foucault. Integendeel, de verzameling essays in Celebrity Authorship benadrukt juist dat die benadering buitengewoon vruchtbaar is. Celebrities zijn bij uitstek voorbeelden van Barthes’ vordering dat “the birth of the reader must be at the cost of the death of the Author”. (Barthes 1977: 148) Franssen en Honings leggen celebrity uit als een duiding die intrinsiek meervoudig is en dat is voldoende om deze deling te herkennen in de acht essays die daaropvolgend gepresenteerd worden. Juist de vele facetten van celebrity lenen zich voor een Barthesiaanse interpretatie. De ‘literary celebrity’ is bij uitstek een concept dat zich alleen kan manifesteren in het hoofd van de lezer.

De mate waarin de verschillende facetten van invloed zijn op of bijdragen aan de ontwikkeling van een celebrity blijft onderhevig aan verandering. De balans tussen de verschillende manieren waarop een celebrity gevormd kan worden – waaronder de publieke opinie, de invloed van de uitgever en de eigen bijdrage van de auteur – verschilt per situatie en is zichtbaar tussen auteurs onderling maar ook tijdens en na het leven van de auteur. Al die facetten worden in de essays in Celebrity Authorship belicht.

De negen auteurs manifesteren zich als Barthesiaanse readers bij uitstek in hun genuanceerde en intensieve beschouwing van celebrities. De essays die aan bod komen, kunnen stuk voor stuk omschreven worden als een aanstekelijke mix van bewondering, toewijding en vooral plezier. Vervolgens, na geholpen te zijn door Franssen en Honings, is het aan de lezer om een alternatief essay toe te voegen aan de collectie door te kijken hoe de verschillende invalshoeken en beschreven celebrities zich tot elkaar verhouden, niet alleen chronologisch, maar ook via de drie andere dimensies die Franssen en Honings presenteren. Het resultaat is een boek dat voor zowel de auteur als de lezer een traktatie is. De besproken celebrities zijn immers ontegenzeggelijk monumentale figuren op de literaire as, figuren waar zowel de schrijvers als de lezers van Celebrity Authority niet over uitgesproken zullen raken. Figuren die we bewonderen, en daar is niets mis mee.

Literatuur

Barthes, R., The Death of the Author. In: S. Heath (ed.), Image, Music, Text, London 1977: 142-148.
Foucault, M., The History of Sexuality: An Introduction, New York 1990.
Foucault, M., What Is an Author?’. In: P. Rabinow (ed.), The Foucault Reader, New York 1984: 101-120.
Franssen, G. & R. Honings, Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature.

Eerder verschenen in Vooys

De weg naar wijsheid

Wijsheden van een rijkaard

[Signalering] Het aforisme is een riskant genre. Het lijkt diepzinnig, maar spat meestal als een zeepbel uit elkaar. Zo schrijft Seneca in De weg naar wijsheid: “Een misdadiger heeft soms geluk en weet zich schuil te houden, maar zekerheid heeft hij nooit.” Inderdaad, het kan vriezen of dooien. Soms koken de aardappelen over, soms niet.

Toch is het boekje een mooie selectie raadgevingen uit Seneca’s brieven aan zijn vriend Lucillius. Het mogen vaak open deuren zijn, je leest ze met ontzag omdat ze tweeduizend jaar oud zijn en het resultaat van een spectaculair leven. “Het is belangrijker aan wie je iets geeft dan wat je geeft,” schrijft hij bijvoorbeeld.

Het mag geen waarheid zijn, het zet toch tot denken aan, net als zijn observatie, dat “geen enkel bezit genoegen geeft als je het niet met iemand kunt delen.” Hier zien we een fascinerend trekje van Seneca, die zich uitput in het beschrijven van de ijdelheid van rijkdom, maar zelf miljonair was en, althans volgens een latere, vijandige schrijver, vijfhonderd citroenhouten tafeltjes met ivoren poten bezat.

“Weet dat een strooien dak net zo goed beschermt als een gouden,” schreef de rijkaard. Wel stierf de leermeester van keizer Nero als een stoïcijn. Hij werd verdacht van een samenzwering tegen zijn vroegere pupil en toen die hem opdroeg zelfmoord te plegen, opende hij heroïsch zijn aderen. Maar zijn bloed was volgens Tacitus te dik en wilde niet vloeien. Ook vergif mocht niet baten. Seneca ging daarom in een heet bad zitten en gaf de geest. Als een filosoof.

Eerder verschenen in de Volkskrant (21 november 2015) en op Maarten Doorman

Jesus, een mensenleven

Hoe Jezus van God weer mens werd

Hoe heeft Jezus geschiedenis gemaakt en ontstond rond zijn persoon een nieuwe godsdienst? Cees den Heyer vertelt “de geschiedenis van een mens onder de mensen’”

[Recensie] In een vuistdikke studie van 600 bladzijden brengt nieuwtestamenticus Cees den Heyer (1942) bijeen wat hij door de jaren heen ontdekt heeft over Jezus. Dat doet deze emeritus hoogleraar in toegankelijke taal voor een breed publiek. Wel zet de titel Jezus, een mensenleven de lezer even op het verkeerde been. Want dit boek is geen reconstructie van de historische Jezus. Het gaat niet over de vraag wat Jezus wel of niet heeft gezegd en gedaan en wat is hem later in de evangeliën toegedicht en in de mond gelegd? Af en toe kan Den Heyer om zulke vragen niet heen, maar het gaat hem eigenlijk om de vele gezichten van Jezus en van het christendom door de eeuwen heen. Een geschiedenis van een mens onder de mensen, zoals de ondertitel aangeeft. Hoe heeft de timmermanszoon uit Nazareth geschiedenis gemaakt en is er rond zijn persoon een nieuwe godsdienst ontstaan? Dat is de centrale vraag van dit boek.

Na hoofdstukken over de begintijd van de kerk en de breuk met het jodendom richt Den Heyer zijn aandacht op het christologisch debat in de vierde en vijfde eeuw. De uitkomst van een reeks concilies luidde dat Jezus aan God gelijk is, over twee naturen beschikt – een goddelijke en een menselijke – en deel uitmaakt van de Drie-eenheid. Helaas verliepen deze concilies alles behalve democratisch en harmonieus. De besluiten zorgden niet alleen voor meer eenheid maar ook voor blijvende verdeeldheid.

Den Heyer laat zien waar de schoen wringt. In de kerk wordt eenzijdig teruggegrepen op het bij vlagen sterk speculatieve en anti-joodse denken van Johannes. Eeuwenlang meent men dat dit evangelie, waarin Jezus een hemelse gestalte wordt, het betrouwbare verhaal van een ooggetuige is. De Reformatie brengt daarin geen verandering. Pas in de achttiende eeuw kantelt het beeld. Johannes, wiens evangelie volgens Den Heyer in Egypte is ontstaan en niet in Efeze, valt van zijn sokkel. De andere evangeliën met hun meer aardse Jezus winnen aan gewicht. Vanaf die tijd worden de vraagtekens bij de eerdere dogma’s steeds groter.

De stemmen en tegenstemmen in de kerkgeschiedenis brengt Den Heyer helder in beeld. Toch is hij op z’n best als hij laat zien hoe bijbelgeleerden in de negentiende en twintigste eeuw het beeld van Jezus bijstellen. Bekende namen zijn die van Strauss, Schweitzer en Bultmann. Maar op den duur leveren ook joodse auteurs als Ben Chorin, Flusser en Vermes belangrijke bijdragen. Bijzonder is de anekdote over de populaire schrijver Amos Oz. Hij is de achterneef van Joseph Klausner, een joodse hoogleraar die al in 1921 een boek over Jezus schrijft. Van deze wijze oudoom krijgt Oz het volgende advies mee: “Als je groot ben, beste jongen, lees dan alsjeblieft ondanks de toorn van je leraren het Nieuwe Testament, en je zult ervan overtuigd raken dat de man (Jezus) vlees van ons vlees en bloed van ons bloed was.”

Het boek kent ook minpunten. Wie het werk van Den Heyer een beetje kent, merkt dat hij veel dingen al eens eerder heeft verteld. Ook bevat het af en toe slordigheden en is het te dik: sommige uitweidingen zijn niet nodig of te lang. Dat alles laat onverlet dat Den Heyer – als zwanenzang? ‒ zijn levensreis met Jezus indrukwekkend heeft beschreven, vol persoonlijke doorkijkjes en smeuïge details.

 —

Eerder verschenen in Volzin

Atheistisch manifest & De onredelijkheid van religie

Wat is er te zeggen over het bestaan van God?

[recensie] Geen moeizamer afscheid dan dat van het Christendom – het duurt nu al langer dan twee eeuwen. Zelfs Nietzsches doodverklaring van God heeft niet mogen helpen, want Zijn ‘schaduw’ is gebleven. Die moet ook nog ‘overwonnen’ worden, lezen we in Die fröhliche Wissenschaft.

Het betreffende citaat gaat als motto vooraf aan het Atheïstisch Manifest van de Leidse filosoof Herman Philipse. Een manifest bestaande uit drie glasheldere essays, waarvan er een in 1994 enig stof deed opwaaien op de opiniepagina’s van NRC Handelsblad. Geschreven werden de essays als reactie op de religieuze revival in eigen land en op de dreiging van het fundamentalistische ‘spook’ aan de grenzen van Europa. Philipse gaat op deze verschijnselen niet uitvoerig in, maar hij neemt er polemisch stelling tegen, zoals de titel van zijn boekje al doet vermoeden.

De centrale vraag in dit manifest luidt: zijn morele normen te rechtvaardigen met een beroep op de godsdienst? Volgens Philipse zijn ze dat niet. Zijn essays leveren bruikbare munitie aan de filosofen die straks in ethische adviescommissies te maken krijgen met christelijke en islamitische opponenten. Dat God bestaat, valt met rationele argumenten niet te bewijzen, en hetzelfde geldt voor de plicht om te gehoorzamen aan Zijn wil, die we bovendien onmogelijk langs redelijke weg kunnen kennen. Ter fundering van de moraal heb je dus niets aan de godsdienst. En dat gelovigen zich in moreel opzicht beter zouden gedragen dan niet-gelovigen, laat zich empirisch niet vaststellen.

Er valt weinig tegen in te brengen, maar erg schokkend kunnen deze onthullingen evenmin worden genoemd. Interessanter is het tweede essay, waarin Philipse de vaak gehoorde stelling bespreekt dat de zaken des geloofs zich eigenlijk buiten het bereik van de rede bevinden. Philipse is het er niet mee eens en wijst de derde weg van het agnosticisme (dat tot ‘oppervlakkigheid’ leidt) af om tot de onontkoombaarheid van een ‘semantisch atheisme’ te besluiten. De these van de buiten-rationaliteit van de godsdienst (afgekort tot TBR – tot in de details blijft de auteur polemisch) is alleen houdbaar, als het bestaan van God niet weerlegd kan worden. Dat kan weliswaar, maar alleen door het godsbegrip van elke inhoud te beroven. Dus is atheïsme per definitie redelijker, meent Philipse.

Rest de vraag hoe we onze moraal dan moeten rechtvaardigen. In het derde essay presenteert Philipse een ‘evolutionair’ rechtvaardigingsmodel, naar analogie van Darwins evolutietheorie, dat het traditionele – metafysische – funderingsmodel zou kunnen vervangen. Het heeft geen zin te zoeken naar Het Goede of Het Kwade – dat werkt slechts dogmatisme en intolerantie in de hand en leidt in de politiek tot totalitarisme. De moraal is volgens Philipse veeleer een zaak van ‘beter’ en ‘slechter’ op basis van een ‘feitelijke eensgezindheid’, die helemaal geen expliciete rechtvaardiging behoeft, omdat zij afdoende is geworteld in een biologisch gedetermineerde neiging tot sociaal gedrag en in de gewoonten van de cultuur.

Ruimte voor keuzevrijheid bestaat er (anders dan Sartre dacht, wiens opvatting uitgebreid ter sprake komt) slechts op een zeer beperkt gebied: bij concrete gevallen die interpretatie vereisen, bij obsoleet geworden normen, en bij normconflicten, onvermijdelijk in een pluralistische cultuur als de onze. In feite verdedigt Philipse dus de huidige status quo, inzonderheid de liberaal-democratische samenleving. Zijn evolutionair rechtvaardigingsmodel garandeert daarin een veelheid van levensstijlen en normensystemen’, zij ’t op basis van een gemeenschappelijke publieke moraal, en biedt zo alle gelegenheid tot ‘morele vooruitgang’.

Hoewel dit laatste in een polemisch betoog natuurlijk goed van pas komt, lijkt het me in filosofisch opzicht net een rooskleurig stapje te ver. Philipse heeft te weinig oog voor de problematische kanten van zijn beroep op de evolutie. Voor zover hij de bestaande ethische consensus verklaart, is er niets aan de hand; zodra hij aan de evolutietheorie ook een rechtvaardiging probeert te ontlenen, verandert dat.

In de evolutietheorie gaat het om een selectie van ‘mutanten’, teneinde de overlevingskansen zo groot mogelijk te maken. Het is echter niet vanzelfsprekend dat Philipse’s redelijke atheïsme, opgevat als zo’n ‘mutant’, daadwerkelijk het overleven bevordert. Wat Philipse wil en wat wij als westerse beschaving in praktijk brengen, zou ook wel eens negatief kunnen uitpakken. Zelf geeft Philipse het voorbeeld van de bevolkingsgroei, die men ook in een ontwikkeld land als Nederland niet ‘binnen redelijke perken’ weet te houden. Terecht noemt hij de overbevolking ‘de grootste bedreiging voor de mensheid’, maar zou die bedreiging verdwijnen als pastoor, dominee, rabbi en ayatollah geen stem meer in het kapittel hebben?

Gelet op de afwezigheid van overbevolking toen zij nog alles te vertellen hadden, lijkt dat niet erg waarschijnlijk. De overbevolking heeft andere oorzaken, die meer verband houden met de rationaliteit die Philipse lief is dan hij zelf wil toegeven. De keuze voor of tegen het atheïsme gaat hieraan volledig voorbij. Wie nu terugverlangt naar de godsdienst, bewijst wellicht dat hij niet van deze tijd is, maar wie door de godsdienst te bestrijden meent iets te hebben opgelost niet minder. Net als de nostalgische gelovigen treedt hij niet buiten de cirkel van een debat, dat het merendeel van zijn argumenten al in de achttiende en de negentiende eeuw heeft gevonden.

Dat kan in de praktijk leiden tot een merkwaardige blikvernauwing, bijvoorbeeld wanneer hij – zoals Philipse doet – van Heidegger een ‘moderne gelovige’ maakt. Heidegger zou God door het ‘Zijn’ hebben vervangen. Door dit in ernst te beweren geeft Philipse te kennen dat hij Heidegger nooit heeft gelezen of dat hij niet kan lezen. Nu lijken mij beide mogelijkheden bij een hoogleraar in de wijsbegeerte onwaarschijnlijk. Dus moet de conclusie luiden, als we even afzien van de mogelijkheid van kwade trouw, dat Philipse zozeer de gevangene is van zijn eigen rationalisme, dat hij er de grenzen niet meer van kan zien – iets waar uitgerekend Heidegger behartigenswaardige dingen over heeft gezegd.

Wie de grenzen van de rede wèl serieus neemt, heeft ongetwijfeld een levensgroot probleem. Maar verandert zo iemand automatisch in een gelovige? In het geval van Heidegger valt het tegendeel eenvoudig aan te tonen, want God mag dan niet bestaan, zelfs Philipse zal toch moeten toegeven dat ‘zijn’ wel bestaat. Wat we er precies onder moeten verstaan, dat is de inzet van Heideggers denken. Je kunt die inzet vergeefse moeite vinden of een uitnodiging tot ‘obscurantisme’, maar met theologie – in welke vorm dan ook – heeft hij niets te maken. Philipses polemiek tegen de godsdienst blijkt hier stilzwijgend van doelwit te zijn veranderd.

Het is vast geen toeval dat dit nieuwe doelwit precies datgene op hinderlijke wijze met zichzelf confronteert (de rationaliteit van de westerse beschaving) waarop Philipse zijn geloof in morele vooruitgang’ baseert.

Eerder verschenen in de Volkskrant en op Arnoldheumakers.nl

Hét Margriet kookboek

Het ultieme basiskookboek volledig geupdate

[Recensie] Het Margriet Kookboek is hét basis kookboek dat in veel huishoudens aanwezig zal zijn. Het heeft een frisse nieuwe look en een volledig update gekregen en is nu weer helemaal van deze tijd. Het boek bestaat namelijk al 75 jaar en blijft gewild omdat het keer op keer wordt herschreven en aangepast aan nieuwe tijden. Het Margriet Kookboek is een beetje voor Nederland wat De Zilveren Lepel is voor Italië.

Het boek telt maar liefst 624 pagina’s en is daarmee een ware bijbel waar je vrijwel alles in terug kunt vinden. Een ideaal boek om aan je kinderen te geven als ze oud genoeg zijn om zelf achter het fornuis plaats te nemen of als ze het huis uitgaan en voor zichzelf moeten gaan koken.

De receptuur is en blijft basis. Voor gevorderde koks is dit geen aanvulling in de boekenkast maar wil je als kookliefhebber je omgeving stimuleren ook een liefde voor koken te ontwikkelen is dit wel een boek dat je ze heel goed cadeau kunt geven. In het boek vind je geen foto’s, alleen wat illustraties. Het staat dus bomvol recepten en daar houden we van!

Als ik het heb over basis, dan bedoel ik ook echt basis. Hoe maak je een bouillon? Hoe kook je een ei? Hoe kook of bak je aardappelen? Hoe maak je een stamppot? Hoe kook je pasta? Hoe maak je een basis saus en hoe kook je een bepaalde groente? Je vindt het allemaal in dit boek.

Maar het is niet alleen maar basis. Er staan ook genoeg recepten in die wat uitdagender zijn, helemaal van deze tijd en ‘verhollandse’ exotische gerechten. Verder vind je veel informatie in dit boek. Zo is er een groente- en fruitkalender opgenomen, een hoofdstuk over welk keukengerei je waarvoor gebruikt en een lijst met keukentermen die je tegen kunt komen. Daarnaast is er ook nog een hoofdstuk over vitamines en mineralen met uitleg over wat ze voor je doen en waar ze inzitten. Erg leuk ook dat er een hoofdstukje is opgenomen met basiskennis over wijn.

Al met al is Hét Margriet Kookboek dus een blijvertje met heel veel recepten voor een hele redelijke prijs. Je kunt het boek dus ook in deze uitgave met een gerust hart aanschaffen of cadeau geven.

Eerder verschenen op Kookboekennieuws.nl

In het spoor van de eclips

Drie onwaarschijnlijke reisgenoten

[Recensie] Op een feelsschaal van een Big Mac (1) tot de Doctor Who quote “I don’t want to go” (10) heeft dit boek een dikke 7 verdiend.

Als je naar de kaft van dit boek kijkt denk je niet meteen dat dit een roadtrip boek is, maar toch is het zo. In het spoor van de eclips combineert twee thema’s die erg populair zijn (roadtrips en sicklit) en maakt er een boek van. Waarom dit boek niet wat bekender is vraag ik me echt af, want naast deze slimme keuzes van thema’s is het een goed geschreven verhaal, en is de kaft prachtig.

De personages zijn erg fijn om over te lezen. Natt voelt ontzettend echt aan. Hier en daar vond ik een paar van zijn karaktereigenschappen een beetje irritant. Zo vond ik hem op sommige momenten haast iets te ongemakkelijk. Maar juist dat had ook wel weer z’n charme. De personages zijn ontzettend realistisch en het voelt alsof je echt bij het verhaal bent.

Andere positieve dingen aan dit boek zijn de fijne schrijfstijl, de relaties tussen de personages, en de manier waarop de ziekte van Milo wordt neergezet. Maar al te vaak lees je in een sicklit dat een personage ziek en zwak is, maar toch de kracht heeft om dat ene ding te doen wat het boek wat interessanter maakt om te lezen. In dit boek is dat niet het geval. Tijdens de roadtrip maken de personages een paar keer een D-tour, en soms is Milo gewoon niet sterk genoeg en moeten ze omkeren. Dat voegde een element van realisme toe aan het verhaal, wat het zeker beter maakte.

Het enige jammere aan het boek vond ik dat het plot soms een beetje ver gezocht was, en soms juist ontzettend goed leek uit te komen. Sommige punten werden te makkelijk opgelost, terwijl anderen juist een beetje bleven liggen, en dat vond ik jammer. Hier en daar haalde dat me ook uit het verhaal. Maar het gaat me er niet van weerhouden om dit boek aan te raden!

In het spoor van de eclips is een heerlijk echt boek, dat zich niet anders voordoet dan het is. Een mooi verhaal dat nog een tijd bij je blijft en je dus niet snel vergeet.

Van de achterflap

“Het leven zit de 15-jarige Nat Dobbs niet echt mee. Hij stottert, is mager en bepaald geen sociaal genie. Hij doet wel zijn best om goed in de groep te passen, maar de laatste keer dat hij dat probeerde, eindigde hij met zijn onderbroek op zijn enkels – op de lokale televisie.

De eclips achterna
De schaamte na dit incident is zo groot dat Nats ouders besluiten naar een ander dorp te verhuizen. Daar leert Nat Milo Quincey kennen. Milo, een 65-jarige kluizenaar met ALS, luistert tenminste naar hem. Als Milo Nat vertelt dat hij heel graag de totale zonsverduistering in Kentucky zou willen zien – de eerste in de VS in 35 jaar – besluit Nat dat hij mee wil gaan. Tot Nats grote vreugde stemt dorpsbeauty Celeste ermee in om hun chauffeur te zijn. De road trip wordt een onverwacht succes en de drie groeien steeds dichter naar elkaar toe. Maar een tragisch ongeval wacht hen in de duisternis.”

Eerder verschenen op www.allthefeels.nl

De erfgename van Winterwood

Voor de fans van Jane Austen en Jane Eyre

[Recensie] De erfgename van Winterwood speelt op het platteland van Engeland in het jaar 1814. Net aan het einde van de Regency periode maar nog altijd met alle gewoontes en gebruiken die bij deze periode hoorden. Het bijzondere aan De erfgename van Winterwood, deel 1 in de driedelige serie Whispers on the Moors, is het feit dat we hier te maken hebben met een roman met een christelijke ondertoon. Dat is een apart genre in de romanwereld en dit genre is en blijft populair en veelgevraagd. Wat opvalt bij deze serie is dat je in de beschrijvingen op verschillende boekensites niet uit het verhaal kunt opmaken dat we hier te maken hebben met boeken met een christelijke inslag. Pas als je verder gaat zoeken en je komt bij de Engelstalige omschrijvingen dan zie je wat voor boek je gaat lezen.

Het is een bijzonder verhaal. Amelia Barrett, erfgename van een groot landgoed op het Engelse platteland, belooft een goede vriendin die stervende is dat zij voor haar baby zal zorgen. En ze houdt zich aan die belofte tot groot verdriet van haar familie en met name haar verloofde die hier geen deel aan wenst te hebben. Amelia besluit om de vader van het kind, een zeekapitein die ze nooit eerder ontmoet heeft, ten huwelijk te vragen zodat ze samen het kind kunnen grootbrengen.

Maar dan wordt de baby ontvoerd! Tijdens de zoektocht naar het kind komen Amelia en Graham (de vader van de baby) zichzelf tegen. Amelia ontdekt dat haar trots een eigenschap is waar ze nodig eens kritisch naar moet kijken en Graham blijkt zo perfectionistisch dat het hem en anderen vaak in de weg zit. Ze zullen moeten leren om te luisteren naar de stem van hun geloof en de weg die ze gewezen wordt. En uiteraard blijven ze voor altijd bij elkaar.

Eerder verschenen op Romantischeboeken.nl

TLV

Recepten en verhalen uit Tel Aviv

[Recensie] Wie kent Jigal Krant eigenlijk nog niet? Dat zullen niet zo heel veel mensen zijn. Journalist, columnist, radioverslaggever, tv-maker en nog veel meer. Alle afleveringen van het programma De koosjere hamvraag zijn terug te zien op de website. Aanrader!
Zijn columns en veel van zijn recepten zijn te lezen in het NIW. Alweer een aanrader!

En het kon niet uitblijven. Zijn liefde voor de culinaire stad Tel Aviv ligt nu vast in een groot en dik boek. Veel verhalen, prachtige foto’s (fotografie Vincent van den Hoogen) en uiteraard volop recepten. In de inleiding lezen we over de liefde van Jigal Krant voor Tel Aviv en hoe de stad de afgelopen 25 jaar is uitgegroeid tot een culinaire stad vol restaurants, eetstalletjes en uitgaansgelegenheden. Tel Aviv, waar het strand altijd dichtbij is en de zon altijd schijnt. We lezen hoe het komt dat de keuken van Tel Aviv zo gevarieerd is en hoe die culinaire revolutie heeft plaatsgevonden. Interessant om te weten. En denk nou niet dat Jigal blind is voor de minder goede kanten van wat zich afspeelt in het land en dat hij geen angst heeft voor wat de toekomst zal brengen. Hij blijft met open en eerlijke blik kijken en vooral genieten zolang het nog kan.

Het is moeilijk om je los te rukken van de sfeervolle foto’s en korte columns over het dagelijkse leven in deze mooiste stad van het Midden-Oosten maar als we de recepten willen lezen zal dat toch moeten. Ieder recept begint met een korte inleiding die iets interessants vertelt of verduidelijkt. Zo zien we dat de witte chocoladetaart met amandelen en limoncello koosjer is voor Pesach (niet dat dat in Tel Aviv een grote rol speelt) en ook geheel glutenvrij is.

Ik loop op de zaken vooruit. Eerst even naar de hoofdstukken kijken. Na de uitgebreide inleiding volgen de hoofdstukken Met je jatten, Aan tafel, Salatiem en als laatste Basisrecepten. Alle hoofdstukken zijn weer onderverdeeld in verschillende onderwerpen zodat je makkelijk terug kunt vinden wat je zoekt. Overigens eindigt het boek met een index (op soort gerecht en ook op alfabet) dus dat zal toch nooit een probleem zijn. Een verklarende woordenlijst en een lijst met adressen in Tel Aviv zijn ook opgenomen.

Al bladerend komen er geweldige recepten voorbij die voor een groot deel door Jigal zelf bedacht zijn met de keuken van Tel Aviv als inspiratie. En die keuken is enorm gevarieerd. Daarom treffen we ook gerechten met bijvoorbeeld een Aziatische invloed zoals Oosterse notensalade naast een Israëlische salade met hüttenkäse en za’atar. Choemoes (recept staat ook in het boek) met rundergehakt en granaatappelpitten kan niet anders dan een favoriet worden. Tagliata van jodenhaas ziet er zo verrukkelijk (en makkelijk te maken) uit dat je direct aan de slag wilt. En het blijft maar doorgaan. Geroosterde radijs en bosui met makreel en sumak en wat te denken van al die gevulde pitabroodjes zoals met tonijnsalade met appel, kappertjes en ribbelchips.

Ga naar Tel Aviv schreeuwt het boek. Ga zelf kijken. Ga zelf proeven. Ga nu het nog is zoals het is. En ga ook vooral de keuken in want het overgrote deel van de recepten is, naast uitstekend maakbaar, een feest van geur, kleur en smaak. Echt een prachtboek. Van de aanschaf krijg je zeker geen spijt.

Eerder verschenen op Kookboekennieuws.nl

The Plant Pharmacy

Koken met de kracht van de natuur

[Recensie] De ongekroonde koningin van de veganbeweging in Nederland, Lisette Kreischer, bracht onlangs een nieuw boek uit. Groente uit zee gooide internationaal hoge ogen en ook de nieuwe aanwinst The Plant Pharmacy belooft veel goeds.

Planten verdienen een hoofdrol in ons leven: niet alleen zorgen ze voor onze zuurstof en voeden ze ons, maar ze kunnen ons ook helen. Koken met de kracht van de natuur is een combinatie van zelfzorgapotheek en kookboek. Terecht gaan de adviezen in The Plant Pharmacy uit van een relatieve normale staat van functioneren. Dus als je ernstige en/of chronische aandoeningen hebt, allergisch bent of medicijnen gebruikt overleg eerst met een arts. Iedereen kent inmiddels de wisselwerking tussen Sint Janskruid en sommige antidepressiva bijvoorbeeld.

In het eerste deel komen planten, kruiden en hun werking aan bod zowel culinair als medicinaal. Veel nuttige informatie wordt gevolgd door een recept om bijvoorbeeld olie, shrub of elixer te maken. Een aantal van die planten en kruiden kun je uit de tuin halen. Voor sommige moet je op pad. Zoals voor de dennensiroop of de brandnetelthee. En weer andere kun je op misschien beter bestellen bij gespecialiseerde adressen (die ook in het boek staan).

Wist jij dat je van die nederige paardenbloem het blad kunt eten als salade terwijl de bloemen zacht en zoetig smaken? Een medicinale toepassing is bijvoorbeeld als elixer maar een recept voor paardenbloemkappertjes vind je ook in The Plant Pharmacy. Dat brengt ons gelijk naar het tweede deel waar recepten voor culinaire toepassingen terug te vinden zijn.

Onderverdeeld in Lente & Zomer en Herfst & Winter deelt Lisette verrassende plantaardige recepten. Drankjes als een lavendel-bosbessen latte, makkelijke lentepasta met brandnetel of flower power ijs kleuren de lente en de zomer. Voor de koude maanden zijn de gerechten vooral verwarmend: gouden plantaardige melk (kurkuma), pittige cider en dashisoep van kombu en goijbessen zijn hier voorbeelden van.

Het zijn zeker niet allemaal beginnersrecepten en de niet-veganist zal een bezoek aan de winkel moeten brengen. Gelukkig hebben de meeste supermarkten tegenwoordig een aardig assortiment plantaardige producten als amandelmelk en kokosyoghurt. Vooral de info en recepten voor je eigen kruidenapotheek zijn verrassend en interessant. Want zo kan voeding dus echt je medicijn zijn (bij lichte ongemakken).

Eerder verschenen op Kookboekennieuws.nl