, Artikel door:
Auteur(s) boek:

Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw

Poëzie over de wereld

[Recensie] In 2016 verscheen Dichters van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw. Hierin reflecteren 24 letterkundigen op uiteenlopende debutanten van deze eeuw. De beoogde doelgroep was breed, verklaarde Sarah Posman, een van de samenstellers. Niet alleen studenten moesten ermee uit de voeten kunnen, maar alle lezers die kennis wilden nemen van thema’s en vormkwesties van de huidige dichters die staan te trappelen om gelezen te worden. Sterker nog, ook latere generaties die willen terugblikken op de poëzie van deze eeuw moesten met deze bundel bediend worden. (Posman 2017) Een ambitieus pedagogisch programma dus. De publicatie bleef niet onopgemerkt en de reacties waren over het algemeen positief. “Een nuttige, informatieve bundel”, was het oordeel van een van de recensenten. (Dorleijn 2017)

Nu, twee jaar later, dient de opvolger, of liever gezegd ‘het broertje of zusje’ zich aan. (Dera & De Strycker 2018: 10) Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw geeft een overzicht van de, naar de mening van Jeroen Dera en Carl De Strycker, meest beeldbepalende poëziebundels sinds 2000. Ja, verkocht worden die bundels nauwelijks, dat weten we. Het gezicht van de poëziewereld wordt echter nog steeds via deze papieren publicaties bepaald en dat maakt deze uitgave naar de opvatting van de samenstellers noodzakelijk.

Bundels van het nieuwe millennium bestaat uit 26 beschouwingen waarin evenzoveel poëziespecialisten hun licht laten schijnen over een bundel. Het boek begint met een introductie waarin allereerst de selectie van bundels een summiere toelichting krijgt. Interessanter is het vervolg, waarin de redacteuren spreken over twee trends die zij in hun selectie hebben ontwaard. Die zijn wel nogal algemeen van aard. Als eerste spreken ze over het alsmaar verder oprekken van de grenzen van het medium poëziebundel. Experimenten met betrekking tot bladspiegel, samengaan van beeld en tekst, versvormen en omvang trekken de gekende poëtische mogelijkheden open. Naast dit grensoverschrijdende aspect signaleren ze in alle bundels een duidelijke focus op de wereld. Daarmee fungeert deze uitgave als een gids bij een ontdekkingstocht naar de manier waarop dichters zich verhouden tot de “politiek, actualiteit en de smerige wereld buiten het gedicht”. (Pfeijffer 2016: 9) Dit impliceert dat zowel autonome taalspelen als ego-inspecties hebben afgedaan, aldus de inleiders. (Dera & De Strycker 2018: 13)

De letterkundigen hanteren in hun beschouwingen grosso modo hetzelfde stramien. Ieder stuk wordt voorafgegaan door een exemplarisch gedicht uit de betreffende bundel. Met personalia houdt men zich niet zo bezig. In zes van de zesentwintig essays worden hooguit enkele regels gewijd aan leven of opleiding, waarbij opvalt dat de helft hiervan betrekking heeft op een agrarische achtergrond van de betreffende dichter. Zijn of haar thematiek krijgt in dat geval een directe relatie met zijn of haar afkomst. Meer ruimte is er uiteraard voor de positie van de bundel in het oeuvre van de dichter. Overeenkomsten in thematiek, ontwikkelingslijnen of breukmomenten worden in perspectief geplaatst en dat maakt in veel gevallen nieuwsgierig naar meer werk van de dichter. In het merendeel van de essays hebben de auteurs veel aandacht geschonken aan de receptie. Dat levert veelal boeiende exposés op van deels bevestigende, maar vaker elkaar tegensprekende stemmen, zonder dat wordt overgegaan op opsommingen. Een enkeling volgt een specifieke recensent wel erg enthousiast, maar over het algemeen krijgen we een gevarieerde blik van andere en eigen meningen over de betreffende bundel. Aansprekende voorbeelden zijn de bijdragen van Jeroen Dera over Logos (2002) van Rozalie Hirs en van Kila van der Starre over Zon en de wereld (2003) van Arjen Duinker. Dat de poëziewereld echter maar klein is zien we omdat auteurs en recensenten geregeld van plaats verwisselen: vele recensenten worden zelf ook gerecenseerd.

Wandelmagazine

Iedere dichter denkt na over de compositie van zijn of haar bundel. In vrijwel elke beschouwing zien we dan ook opmerkingen over de structuur, al is hierin wel een grote variatie van heel summier tot uitgebreider. Als in een enkel geval hierover helemaal niet wordt gerept, zoals in de bijdrage van Wiel Kusters over Totaal witte kamer (2002) van Gerrit Kouwenaar, laat zich dat als een gemis voelen. Het boek toont een grote verscheidenheid inzake die compositiestrategieën. Ik noem een aantal voorbeelden. Sander Bax geeft twee interpretaties van de indeling van Hartswedervaren (2000) van Dirk van Bastelaere: een klassieke en een organische. (2018: 22) Marieke Winkler werkt uit waarom de gedichten uit Circulaire systemen (2002) van Paul Bogaert bij elkaar horen ‘zoals de propeller hoort bij een ventilator’ en ze hun betekenis ontlenen aan de plaats in de bundel. (2018: 32) Jeroen Dera ontleedt de ‘hyperstructuur’ in Logos van Rozalie Hirs. De afbeelding in deze bundel blijkt een navigatiesysteem dat, verrassend genoeg, voor een deel regelt maar ook ontregelt. (38) Johan Sonnenschein geeft een bij vlagen meeslepende handleiding om in de alle kanten op stuiterende Anti-canto’s en De Astatica (2004) van H.H. ter Balkt, een bundel met een hoge moeilijkheidsgraad, een Leitmotiv en de door de dichter bedoelde samenhang te ontwaren. (2018: 87) Yves T’Sjoen spreekt over het paratekstueel structuurbeginsel dat de compositie van De reis naar Inframundo (2011) van Peter Holvoet-Hanssen bepaalt. (2018: 144) Anneleen de Coux vermeldt de chronologische compositie in De buitendeur (2014) van Charles Ducal. (2018: 222)

Na deze algemene beschrijving van de bundel zal ik nu de volgende twee aspecten toelichten, te weten de gesignaleerde focus op de wereld in alle bundels en de aanwijzingen van de dichters zelf over de structuur van hun bundels. Wat het eerste betreft: poëzie over de wereld is bepaald geen nieuw geluid. In 2009 is er een heus manifest verschenen van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, waarin zij een warm pleidooi voeren voor literatuur die ertoe doet. Hierin staan regels als “schrijvers zouden niet in hun werkkamer een stilleven van een appel en een peer moeten bedichten terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven lilt.” (Harmens & Pfeijffer 2009) Is het toeval dat deze een directe echo lijken van: “En toen zij toch een dag de brand bespeurden, / sloten zij zeer zorgvuldig raam en deur/ en in hun kamer waar roô-rozen geurden, / werkten zij voort aan ’t rythmisch, schoon gebeur”, uit het gedicht ‘Dichters’ van Jac. van Hattum? (Van Hattum 1936: 18) In 1940 zijn er twee belangrijke beschouwingen gepubliceerd over de dichters en hun tijd. De strekking hiervan klinkt door in de inleiding van Bundels van het nieuwe millennium. Hoogleraar en dichter Anthonie Donker sprak in 1940 in Hannibal over den Helicon al over de onontkoombare werkelijkheid voor de nieuwe dichters. Verhevenheid in onderwerp en taalgebruik hadden afgedaan. Ed Hoornik schreef in Tafelronde. Studies over jonge dichters uit datzelfde jaar in geharnast proza over de onmogelijkheid om te ontsnappen aan de ‘geruïneerde realiteit’. Vragen over de relatie tussen gedicht en wereld hebben literatuurwetenschappers in wisselende mate beziggehouden. In welk opzicht laten zich overeenkomsten en verschillen met de poëzie van nu zien? In de eerder vermelde beschouwing van Posman wordt Dichters van het nieuwe millennium een ‘antwoord op stemmen uit het verleden’ genoemd. (Posman 2017) Bundels uit het nieuwe millennium biedt niet zozeer een antwoord op deze stemmen van eertijds, maar laat na ruim zeven decennia interessante echo’s hiervan horen. Dit nieuwe millennium levert eveneens poëzie waarin de werkelijkheid weer een plaats opeist. Het is jammer dat de samenstellers weinig aandacht besteden aan dit echoënd perspectief.

De bundel biedt, zoals vermeld, een overzicht van veelsoortige ordeningsprincipes. Een aspect van informatie over ordening blijft echter onderbelicht. Over de peritekst waarin dichter en uitgever de lezer kunnen sturen wat betreft lezen en interpreteren van de bundel, wordt vaker niet dan wel gesproken. Flaptekst en omslag zijn, zoals de dichter Paul Bogaert stelt, “te belangrijk om er mij als auteur niet mee te bemoeien”. (T’Sjoen 2011: 1-2) In slechts vijf van de zesentwintig essays komt die peritekst aan bod. Lars Bernaerts stipt terloops de omslagillustratie en informatie op het achterplat aan. Mathijs Sanders maakt gewag van de gecursiveerde regels op de flaptekst. Bram Lambrecht begint zijn essay met de verwijzing naar het Facebookprofiel van Pfeijffer op het achterplat van de bundel: een veelzeggende verwijzing in zijn optiek. Carl De Strycker en Barbara Fraipont gaan dieper in op de omslagillustratie en tonen het belang van deze illustraties voor de interpretatie van de respectievelijke bundels. Het is een gemiste kans als de nadrukkelijke vingerwijzing van de dichter zelf buiten beschouwing blijft.

Met veel plezier heb ik Bundels van het nieuwe millennium gelezen. Het is een informatieve en enthousiasmerende publicatie waarin handreikingen worden gedaan om de veronachtzaamde bundel voor het voetlicht te trekken. De belangstelling voor poëzie lijkt toe te nemen, als ik tenminste mag afgaan op het grote aantal poëziefestivals, de talloze activiteiten rond de Poëzieweek, de muurgedichten en de poëziewandelingen op diverse plekken in het land. Poëzie leeft in de openbare ruimte en in de wereld. Verschillende jonge wetenschappers, onder wie Kila van der Starre, besteden hier aandacht aan. Het is hoog tijd voor het boek over poëzie buiten de bundel.

Literatuur

Donker, A., Hannibal over den Helicon? Een nieuwe dichtergeneratie en haar werkelijkheid, Arnhem 1940.
Dorleijn, G., ‘Dichters van het nieuwe millennium’. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, <https://www.tntl.nl/boekbeoordelingen/?p=2184>, laatst geraadpleegd: 26-04-2018.
Harmens, E.J. & I.L. Pfeijffer, ‘Manifest voor een riskante literatuur’. Trouw, <https://www.trouw.nl/home/manifest-voor-een-riskante-literatuur~a3737705/>, laatst geraadpleegd: 26-04-2018.
Hattum, J. van, ‘Dichters’. In: De pothoofdplant, Rotterdam 1936.
Hoornik, E., Tafelronde. Studies over jonge dichters, Rijswijk 1940.
Posman, S., ‘Muriel Rukeyser voor het nieuwe millennium’. De Reactor, <http://www.dereactor.org/delaatstestelling/detail/muriel_rukeyser_voor_het_nieuwe_millennium/>, laatst geraadpleegd: 23-02-2018.
T’Sjoen, Y., Dingen zoeken in Taka-Tukaland. Periteksten in de moderne Nederlandstalige poëzie, Gent 2011.

Eerder verschenen in Vooys

Titel

  • Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw

Auteurs

Vertaling van

Vertaler

Genre

ISBN

  • 9789460043642

Uitgeverij & Jaar

  • Vantilt 2018

Aantal Pagina's

  • 302

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Heimwee naar een andere wereld
De behouden tong
Angèle

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles