, Artikel door:
Auteur(s) boek:

Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature

De wetenschap van bewondering

[Recensie] Wie draagt er bij aan de totstandkoming van een literary celebrity, een verhaal rondom een literaire beroemdheid, en hoe ontwikkelt dat verhaal zich nadat de beroemdheid overleden is? Aan de hand van de lives en afterlives van negen literaire beroemdheden wagen negen auteurs zich in Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature aan een antwoord op die vraag.

Het begin- en uitgangspunt is dat celebrity een ‘socio-cultural construct’ is, een samenspel van drie sociale factoren: mediatisering, personalisatie, en commodificatie. Oftewel de mate waarin de auteur in de publiciteit is, de mate waarin men zich met de auteur identificeert en de mate waarin een auteur ‘verkoopbaar’ is. (Franssen en Honings 2016: 9) Binnen de categorie ‘celebrity’ focust Celebrity Authorship and Afterlives zich op een specifieke subcategorie van literaire beroemdheden: ‘literary celebrities’.

Franssen en Honings leggen deze subcategorie uit aan de hand van twee concepten. Allereerst via Roland Barthes’ beroemde verwerping van de auteur als autoriteit en vervolgens via Foucaults navolgende idee van de auteursfunctie (author-function). Deze auteursfunctie wordt door Foucault omschreven als interdiscursief. De ‘auteur’ is het product van een discours waar zowel de auteur zelf als critici, lezers en journalisten aan bijdragen en dat vervolgens aan de auteur wordt toegeschreven. De ‘literary celebrity’ is een hybride van de auteursfunctie en de op Richard Dyers ‘star text’ gebaseerde celebrity function, waarbij Dyer zich niet zozeer afvraagt wat celebrities zijn, maar waartoe ze ons in staat stellen. (Franssen en Honings 2016: 10) Dyer beschrijft dat ‘celebrity’ tot stand komt op basis van een serie statements die verkondigd worden door en gaan over de celebrity. Die statements worden vervolgens gerecipieerd door een bepaald publiek. Volgens Dyer is zo’n ‘star text’ een dramatisering van “what it is to be a human being in contemporary society”. (Franssen en Honings 2016: 5)

Franssen en Honings stellen vervolgens meteen dat deze samenhang van functies complicaties oplevert en waarschuwen dan ook dat “whoever wants to chart the history of celebrity authorship, then, has to face the difficult task of mapping a shifting constellation of discursive battlegrounds”. (Franssen en Honings 2016: 10) Franssen en Honings doen recht aan deze complexiteit door zich niet louter te richten op de zelfrepresentatie, de verschillende vormen van disseminatie van het werk en de auteur en de publieke kijk op de eigenschappen van het literaire werk, maar door ook de afterlives van ‘literary celebrities’ in overweging te nemen. Ze richten zich daarbij op het diachronische aspect van de celebrity function.

Schrijven Magazine

Deze vier variabelen worden toegelicht aan de hand van een chronologische ontwikkeling van een aantal literary celebrities: van John Keats (1795-1821) tot aan Zadie Smith (1975). Het gaat om celebrities die allemaal bovengenoemd drieluik belichamen, zij het in verschillende samenstellingen en op verschillende manieren bewerkstelligd.

Negen wetenschappers wagen zich aan een literary celebrity. Zo richten Eric Eisner en Odile Heynders zich op de historische dimensie van de literary celebrity in hun hoofdstukken over John Keats en Zadie Smith. Rod Rosenquist en Gaston Franssen bespreken aan de hand van celebrities de mate waarin schrijvers zich verzetten tegen hun celebrity of er juist aan bijdragen. De rol van een visuele cultuur in de representatie van auteurschap en de mediatisatie van moderne cultuur wordt uitgelegd door Kevin Hayes en Alexis Easley, die deze twee kanten toelichten in hun hoofdstukken over Herman Melville en Eliza Cook. Ten slotte richten Evert Jan van Leeuwen en Sandra Mayer zich specifiek op de afterlifes van Edgar Allan Poe en Oscar Wilde.

Franssen en Honings typeren de selectie celebrities als “not (…) inexhaustive by any means but it is illustrative’, als toelichting van hun model van de literary celebrity. (Franssen en Honings 2016: 14)

De juxtapositie van de hoofdstukken, die elk een andere constructie en samenstelling van een celebrity beschrijven, benadrukt naar mijn mening de dynamiek van zowel het boek als het begrip literary celebrity. John Keats, zo schrijft Eisner, werd (en bleef) een beroemdheid omdat het lezen van zijn werk blijk gaf van intellectualiteit. Hij is daarmee een schoolvoorbeeld van een ‘personaliseerbare’ auteur. Men vond in zijn schrijven een vriend, iets wat ook na zijn dood doorging. De ‘celebrity function’ van Edgar Allan Poe, daarentegen, wordt gekenmerkt door een bewuste invulling van de rol van celebrity. Zo schreef Poe The Raven “to claim his spot in the limelight”, en verhaalde hij later aan een vriend dat het gedicht was ontworpen voor “mass appeal and immediate sensational impact”. (Franssen en Honings 2016: 44)

Naast deze chronologische leesvolgorde lichten Franssen en Honings drie andere dimensies toe waarin de essays zich tot elkaar verhouden. Zo is er een historische verandering zichtbaar in de manier waarop ‘literary celebrity’ wordt ingevuld bij John Keats en Zadie Smith. Odile Heynders legt – terecht – de nadruk op een belangrijk verschil tussen Smith en haar voorgangers, vanwege het feit dat haar beroemdheid zich dankzij social media met een snelheid heeft ontwikkeld die in Keats’ tijd onvoorstelbaar was. Een tweede perspectief is de manier waarop de besproken literary celebrities zich tot hun eigen celebrity verhouden. Zo schiep J.D. Salinger, besproken door Franssen, juist ruimte voor speculatie door zijn relatieve afwezigheid in het publieke discours. Dit resulteerde, evenals bij Poe, in een spectaculaire afterlife. De derde dimensie omvat de invloed van een groeiende visuele cultuur. Enerzijds zijn er in de loop der jaren meer mogelijkheden gekomen voor het maken en verspreiden van foto’s, anderzijds is geportretteerd worden nog steeds deels een keuze.

Gertrude Stein was zich terdege bewust van de waarde van haar celebrity als producent en als product van promotie. Ze liet zich in die hoedanigheid dan ook graag fotograferen. (Franssen en Honings 2016: 16) Herman Melville, daarentegen, wilde voorkomen dat zijn portret de aandacht zou afleiden van zijn werk. (Franssen en Honings 2016: 15) Hij sloeg een opdracht af toen deze gepaard moest gaan met een daguerreotypie: een vroege fotografische methode. (Franssen en Honings 2016: 95-96)

Deze theoretische omlijsting is helder en prikkelend, maar toch worstelen Franssen en Honings openlijk met de wetenschappelijke verantwoording van hun onderwerp. Door zichzelf de vraag te stellen wat een ‘literary celebrity’ onderscheidt van een ‘gewone’ celebrity vestigen ze de aandacht op de connotatieve associatie van een gewone celebrity met ‘low-culture’. Dit impliceert dat ze suggereren dat wetenschap en literatuur connotatief juist met ‘high-culture’ geassocieerd (willen) worden. In een poging deze vraag te ontmantelen introduceren ze daarom de eerdergenoemde auteursfunctie om ‘gewone’ celebrities van literaire te onderscheiden.

Doordat de verantwoording wat schoorvoetend is, leest ze als een excuus dat vermomd is als theorie. Daaruit volgt de vraag of de (literatuur)wetenschap zich dient bezig te houden met het bespreken van auteurs en werken die middels een sociaalwetenschappelijk discours onder de categorie ‘literatuur’ zijn geschaard, of mogen ook zij zich schuldig maken aan platte bewondering? De meningen zijn hier ongetwijfeld over verdeeld, maar wat mij betreft is een dergelijke worsteling niet nodig. Met hun boek tonen Franssen en Honings aan dat celebrity studies wel degelijk een volwaardig onderzoeksgebied vormen. Het is voor mij evident dat het boek zelf het concept celebrity of celebrity studies binnen het wetenschappelijk literaire veld plaatst.

Daarmee wil ik niets afdoen aan de relevantie van het schrijven over celebrities binnen de theorieën van Barthes of Foucault. Integendeel, de verzameling essays in Celebrity Authorship benadrukt juist dat die benadering buitengewoon vruchtbaar is. Celebrities zijn bij uitstek voorbeelden van Barthes’ vordering dat “the birth of the reader must be at the cost of the death of the Author”. (Barthes 1977: 148) Franssen en Honings leggen celebrity uit als een duiding die intrinsiek meervoudig is en dat is voldoende om deze deling te herkennen in de acht essays die daaropvolgend gepresenteerd worden. Juist de vele facetten van celebrity lenen zich voor een Barthesiaanse interpretatie. De ‘literary celebrity’ is bij uitstek een concept dat zich alleen kan manifesteren in het hoofd van de lezer.

De mate waarin de verschillende facetten van invloed zijn op of bijdragen aan de ontwikkeling van een celebrity blijft onderhevig aan verandering. De balans tussen de verschillende manieren waarop een celebrity gevormd kan worden – waaronder de publieke opinie, de invloed van de uitgever en de eigen bijdrage van de auteur – verschilt per situatie en is zichtbaar tussen auteurs onderling maar ook tijdens en na het leven van de auteur. Al die facetten worden in de essays in Celebrity Authorship belicht.

De negen auteurs manifesteren zich als Barthesiaanse readers bij uitstek in hun genuanceerde en intensieve beschouwing van celebrities. De essays die aan bod komen, kunnen stuk voor stuk omschreven worden als een aanstekelijke mix van bewondering, toewijding en vooral plezier. Vervolgens, na geholpen te zijn door Franssen en Honings, is het aan de lezer om een alternatief essay toe te voegen aan de collectie door te kijken hoe de verschillende invalshoeken en beschreven celebrities zich tot elkaar verhouden, niet alleen chronologisch, maar ook via de drie andere dimensies die Franssen en Honings presenteren. Het resultaat is een boek dat voor zowel de auteur als de lezer een traktatie is. De besproken celebrities zijn immers ontegenzeggelijk monumentale figuren op de literaire as, figuren waar zowel de schrijvers als de lezers van Celebrity Authority niet over uitgesproken zullen raken. Figuren die we bewonderen, en daar is niets mis mee.

Literatuur

Barthes, R., The Death of the Author. In: S. Heath (ed.), Image, Music, Text, London 1977: 142-148.
Foucault, M., The History of Sexuality: An Introduction, New York 1990.
Foucault, M., What Is an Author?’. In: P. Rabinow (ed.), The Foucault Reader, New York 1984: 101-120.
Franssen, G. & R. Honings, Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature.

Eerder verschenen in Vooys

Titel

  • Celebrity Authorship and Afterlives in English and American Literature

Auteurs

Genre

ISBN

  • 9781137558671

Uitgeverij & Jaar

  • Palgrave Macmillan Ltd 2016

Aantal Pagina's

  • 209

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

De religieuze rebellen van de Vrije Gemeente
Charles Taylor
De nieuwe politiek van Europa

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles