, Artikel door:
Auteur(s) boek:

De onzorgvuldig geketende Prometheus

Schuld en geweten

[Recensie] André Gide (1869-1951) maakte deel uit van de Nouveau roman, een literaire beweging van de jaren 1942-1970. Hij schreef De onzorgvuldig geketende Prometheus in 1899. Hij gebruikte de Griekse mythe over Prometheus en bewerkte het op paradoxale, satirische wijze tot een novelle waarin de Titaan zich in Parijs begeeft.

De mythe vertelt dat hij vuur voor de mensen stal van de Olympische Goden en dat hij daarvoor werd gestraft door Zeus, door hem in de Kaukasus vast te ketenen. Overdag kwam er echter een adelaar stukjes uit zijn lever eten, maar – zoals dat gaat met een lever – groeide die steeds weer aan. Het betreft hier een raamvertelling, waarin een ik-verteller het verhaal inleidt.

Om de essentie van het verhaal duidelijk te maken gaat het verhaal van start met een bizarre inleiding. In hetzelfde Parijs komt een behoorlijk gezette man een magere man tegen en vraagt hem om een enveloppe te voorzien van een adres. Dan blijkt de eerstgenoemde een oorvijg in zijn hand te hebben, waarmee hij de ander als dank hard in het gezicht slaat. Beide handelingen zijn het bewijs dat het willekeurige handelingen zijn.
Het blijkt hier om de bankier Zeus te gaan; de Millionaire, die zich terstond in een rijtuig uit de voeten maakt. De geadresseerde vindt de enveloppe later in de bus, ontdekt daarin een biljet van 500 franc en breekt zich het hoofd over de vraag aan wie hij dit gebaar te danken heeft.

In de Kaukasus krijgt Prometheus het wat te kwaad met zijn ketenen, ontworstelt zich eraan en wandelt – in het jaar 189. – door Parijs. Hij belandt in een van de vele restaurants en raakt daar in gesprek met de ober. Hij verbaast zich over de vele voorbijgangers en vraagt waar ze heen gaan.

Wandelmagazine

“Gezien het feit dat ze steeds weer voorbij komen, hebben ze het nog niet gevonden. Nu verwacht ik dat meneer mij gaat vragen: “Wat zoeken ze dan?” Want dan zal meneer zien wat ik ga antwoorden.’ Daarop vroeg Prometheus: “Wat zoeken ze dan?”

En de ober antwoordde:

“Gezien het feit dat ze niet wegblijven, is het dus niet het geluk. Meneer mag me geloven of niet.’ En dichterbij komend zei hij zachter: ‘Wat ze zoeken, dat is hun persoonlijkheid. ‘Komt meneer hier niet vandaan?”

De ober legt hem de eigenaardige gewoontes uit die in zijn restaurant gehanteerd worden. Zo zijn er tafeltjes voor drie personen en de ober heeft het op zich genomen om vreemden bij elkaar te plaatsen zodat ze met elkaar in gesprek kunnen komen. Aan de tafel die Prometheus krijgt toebedeeld, komen twee heren te zitten die zich aan hem voorstellen als Damocles en Cocles en die los van elkaar vertellen dat ze de toevallige ontvangers van de oorvijg en de enveloppe zijn.

Prometheus is eigenlijk niet zo’n prater – “U hebt elk uw verhaal, ik heb dat niet. Neem me niet kwalijk. Geloof me, ik hoor met onvermengde belangstelling u elk een avontuur vertellen dat ik zou willen… kunnen…, maar ik kom niet eens goed uit mijn woorden. Nee echt, u moet werkelijk zo vriendelijk zijn om mij te excuseren, heren, ik ben pas sinds knap twee uren in Parijs.”-, maar vertelt dan dat hij een arend heeft en stoot een kreet uit waarmee hij de arend roept. Die komt meteen aanvliegen, steekt en passant Cocles een oog uit, en doet zich tegoed aan een stukje lever van Prometheus.

Met deze kluchtige scènes maakt Gide meteen duidelijk dat hij aan de loop gaat met de verschillende mythes zoals wij die kennen, maar ze wel op een briljante manier verweeft tot deze novelle. Doordat  het perspectief steeds tussen de personages verschuift, wordt ieders verhaal duidelijk. Prometheus ontpopt zich tot een ware spreker en houdt een lezing waarin hij uitlegt dat de arend symbool staat voor het geweten en dus heeft iedereen een arend die goed verzorgd dient te worden. Niet iedereen is even onder de indruk van de vogel en het verhaal, maar dan richt hij het woord tot zijn twee nieuwe vrienden en legt uit dat ze zich teveel wijden aan hun schuld.

“Dat is jullie arend, er zijn geen andere arenden. Er zijn arenden waar je trots op kunt zijn. Maar ik zeg u dit; hoe dan ook wij worden door onze arend verteerd, ondeugd of deugd, plicht of hartstocht. Wees niet langer middelmatig en u ontsnapt er niet meer aan. Maar – en hier ging de stem van Prometheus bijna verloren in het kabaal – maar, als u uw arend niet liefdevol voedt, blijft hij grauw en armoedig. Voor allen onzichtbaar en achterbaks. Dan gaat hij geweten heten, is hij de kwellingen die hij veroorzaakt onwaardig, is hij zonder schoonheid. Heren, men moet van zijn arend houden. Van hem houden zodat hij mooi wordt, want omdat hij mooi wordt moet u van uw arend houden.”

 Uiteindelijk geeft Prometheus een etentje en wordt de arend in de pan gehakt, waardoor alleen de veren overblijven als bewijs van zijn vroegere schoonheid.

“En met één van die veren schrijf ik dit boekje.”

Hiermee laat Gide de slang naadloos in zijn eigen staart bijten. Het proza is om van te smullen, zo lichtvoetig en humoristisch, maar het is ook een verhaal om nog even op te blijven kauwen, door de filosofische insteek.

Eerder verschenen op Metdeneusindeboeken

Titel

  • De onzorgvuldig geketende Prometheus

Auteurs

Vertaling van

  • Le Prométhée mal enchaîné

Vertaler

  • Hannie Vermeer-Pardoen

Genre

ISBN

  • 9789078627548

Uitgeverij & Jaar

  • Vleugels 2018

Aantal Pagina's

  • 104

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Hier maak ik mijn stad
Onmenselijk
Op aarde schitteren we even

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles