, Artikel door:
Auteur(s) boek:

De Republiek der Letteren

Europa’s vroegmoderne internationale kennissamenleving

[Recensie] In 1997 schreef bestuurskundige Pieter Jeroense in Vooys het volgende:

“Als ik de Vrij Nederland uit de bus pak en het blad uit de wikkel haal om het rustig door te bladeren, begin ik achterin, bij de Republiek der letteren. Ik sla het belangrijke wereldnieuws over en lees eerst (of alleen) de boekbesprekingen. Soms ben ik geërgerd als historische studies of boeken over kunst en filosofie de overhand hebben.

Ik lees de Republiek in de eerste plaats voor de besprekingen van de laatste romans en dichtbundels.” (Jeroense 1997: 36)

Inderdaad is bij het grote (en al wat oudere) publiek in Nederland de term Republiek der Letteren vooral bekend vanwege die rubriek in Vrij Nederland (een rubriek die inmiddels niet meer bestaat). Hans Bots refereert in het begin van zijn boek De republiek der Letteren: De Europese intellectuele wereld, 1500-1760 ook aan deze rubriek. (13) Toch staat de Republiek der Letteren voor iets veel groters en ouders, namelijk de internationale wereld van geleerden die al sinds de vijftiende eeuw een Latijnstalig pan-Europees correspondentienetwerk vormde. Bots behandelt de omgangsnormen, de media en de infrastructuur van die wereld en spitst zich toe op wat hij ziet als het epicentrum ervan: de Frans-Nederlandse wereld van geleerde Hugenoten.

Archeologie Magazine

De term ‘Respublica Literaria’ werd voor het eerst gebruikt in 1417 door een Italiaanse humanist. Zoals Bots schetst, vond die term vanaf het einde van de vijftiende eeuw breed ingang onder invloed van Erasmus. Sindsdien was het begrip niet meer weg te denken: tot aan het einde van de achttiende eeuw zagen medici, natuurfilosofen, filologen, juristen, theologen en historici zichzelf als burgers van een denkbeeldige pan-Europese staat die zijn beslag kreeg in een wirwar van met elkaar verknoopte correspondentienetwerken. In feite was de Republiek der Letteren één grote virtuele sociale gemeenschap die concreet werd in de duizenden brieven, maar, zoals Bots uitlegt, ook in discussies aan universiteiten (en vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw ook binnen de académies of geleerdengenootschappen) en in de wereld van de boekhandel, die vanaf de komst van de académies ook verantwoordelijk was voor het drukken van een nieuw medium: het tijdschrift. Eeuwenlang gebruikten geleerden bewust deze term om uitdrukking te geven aan een gevoel van gemeenschappelijkheid en van meet af aan was die gemeenschappelijkheid verbonden met het ideaal van kennisdeling. Wie zich burger wilde noemen van deze Republiek diende zijn kennis te delen. Dit gebeurde door het uitwisselen van ideeën, gegevens, boeken en kennis over personen door middel van het schrijven van brieven die vanwege steeds beter geoliede post- en koeriersystemen relatief snel bezorgd konden worden. (128) In die uitwisseling overbrugden geleerden tal van verschillen in religie, politiek, filosofie en taal. Katholieken en protestanten, Fransen en Hollanders, Cartesianen en Aristotelici, Engelsen en Hongaren; ze schreven frequent met elkaar – tot de achttiende eeuw overwegend in het Latijn, maar van meet af aan ook in het Italiaans en vanaf de achttiende eeuw vooral in het Frans.

Terecht kunnen we ons erover verbazen dat een pan-Europees bottom-up sociaal netwerk, dat gericht was op kennisuitwisseling en dat er ook eeuwenlang goeddeels in slaagde om het ideaal van Open Science in praktijk te brengen, zo weinig bekend is bij het grote publiek. Dit is zelfs zodanig het geval dat een centraal begrip in de Europese cultuurgeschiedenis zes eeuwen later door een opinieblad gedomesticeerd werd en teruggebracht tot de nauwe wereld van de Nederlandse fictie. Het boek van Bots voorziet daarom niet alleen in een leemte, het doet vooral recht aan een kosmopolitisch succesverhaal dat sinds de nationalisering van de negentiende eeuw buiten beeld is geraakt. Het woord ‘literair’ betekende tot 1800 vooral ‘geleerd’ (geletterd), dus erudiet en wetenschappelijk onderlegd, maar vanaf de Romantiek wordt de term steeds meer gebruikt als een min of meer esthetische kwaliteit van fictieve teksten. Dat kwam deels door de opkomst van een nieuw en uiterst succesvol genre: de roman. Zo transformeerde de Republiek der Letteren steeds meer in een Republiek der Belles-lettres (15, 71) en maakten het ontstaan van de moderne disciplines, de professionalisering van het wetenschapsbedrijf, de opkomst van de onderzoeksuniversiteiten, de nominale groei van het aantal geleerden en niet in het minst de nationalisering langs lijnen van volkstalen een einde aan het kosmopolitische eenheidsgevoel. De Republiek der Letteren verwerd tot een nostalgische categorie van dromers en historici.

In de visie van Bots werd de République des Lettres gedomineerd door het Franse koninkrijk en de Nederlandse Republiek, met Parijs en Leiden-Amsterdam-Den Haag als hoofdsteden. Tegelijkertijd ontkent hij zeker niet de rol van Londen, Oxford en Cambridge. Zo gaat hij bijvoorbeeld in op John Lockes productieve verblijf in Amsterdam eind zeventiende eeuw en op de verspreiding van het Newtonianisme aan de Europese model-universiteit Leiden. (89, 103) Bots wijst ook op het belang van de Scandinavische en Italiaanse provincies, maar deze komen er toch bekaaid vanaf en dat geldt in nog grotere mate voor de Oost-Europese en Iberische Republiek der Letteren. Zo stelt de Republiek der Letteren in Polen in de zeventiende eeuw volgens de auteur niet veel voor (33), terwijl het gebied naar mijn weten een broedplaats was voor heterodoxe denkers (Socinianen) die er grote correspondentienetwerken op nahielden. Deze netwerken reikten tot aan Amsterdam en Rome en de Socinianen waren nauw betrokken bij grootscheepse clandestiene boekprojecten. Op pagina 189 verneem ik daarnaast dat Wenen, Berlijn, Hamburg, Halle, Dresden, Breslau en Keulen centra van geleerdheid waren, maar ze worden verder niet genoemd.

Niettemin laat Bots prachtig zien hoe de twee immigratiegolven van Hugenoten (Walen eind zestiende en Fransen eind zeventiende eeuw) de Nederlandse Republiek tot een internationaal, grotendeels Franssprekend centrum van de protestantse diaspora maakten. (87) Dat blijkt met name uit de tweede helft van zijn boek dat gewijd is aan de rol van de universiteiten, inclusief de Italiaanse en Franse académies. Eveneens wordt hierin de rol van brieven, de boekhandel en het geleerde tijdschrift benadrukt.

In het eerste gedeelte van het boek vat Bots vooral het meer antropologische overzicht samen dat hij in 1997 in La République des Lettres met Françoise Waquet publiceerde. Bots verrijkt en corrigeert dit overzicht met nieuwe inzichten. Het resultaat is een feest voor de historisch-letterkundig geïnteresseerde lezer. Dat komt niet in de laatste plaats door de talloze anekdotes die Bots uit de brieven en tijdschriften van geleerden heeft kunnen putten. Deze geven aan dat het hoogdravende ideaal lang niet altijd gerealiseerd werd en dat onderlinge persoonlijke frictie of koele berekening in het interconfessionele verkeer maakte dat tegenstellingen eerder bevestigd dan overbrugd werden. Maar toch: als het waar is dat de zeventiende-eeuwse geleerde J.G. Graevius één vijfde van zijn salaris aan portokosten besteedde, dan wordt duidelijk dat er wel degelijk heel veel informatie werd uitgewisseld. Om diezelfde reden zijn er, ondanks de tand des tijds, honderdduizenden geleerdenbrieven van vóór 1800 overgeleverd. De ‘vriendschap’ tussen de briefschrijvers was in de eerste plaats niet zozeer een affectieve relatie, maar een instrumentele: vriendschap was nuttig of zelfs strategisch. Vrienden waren mensen die je kon gebruiken voor het bereiken van je doelen of voor het beschermen van je positie. (113) Ook de term ‘tolerantie’ heeft een minder positieve connotatie dan je zou denken: tolerantie was vooral een gevolg van onmacht om de tegenstander te veranderen en daarmee eerder een uiting van realisme dan van idealisme. Toch werd de tolerantie-gedachte vooral sinds het einde van de zeventiende eeuw in toenemende mate getheoretiseerd als normatief voor wie een goed burger van de Republiek der Letteren wilde zijn. (58) Tolerantie was ook een voorwaarde voor discussies. De Republikeinen der Letteren zagen steeds meer in dat meningsverschillen en zelfs polemieken productief konden zijn, mits de discussie op beschaafde wijze werd gevoerd. (67)

In sommige opzichten doet het boek wel enigszins belegen aan. Het idee dat universiteiten in de Nederlandse Republiek erg gericht waren op toegepaste wetenschap (in de zin van technologie) is overdreven en zeker niet deels te verklaren vanuit “de Nederlandse volksaard”. (82, 85) De vraag is waar “in het voetspoor van Erasmus” (85) die “bijzondere geaardheid van de Nederlandse geleerde” (86) blijft als de auteur zelf constateert dat de universiteiten in de Verenigde Provinciën overwegend bevolkt werden door Franse professoren (Clusius, Feugeray, Cappell, Doneau, Scaliger, Rivet en Saumaise). (85-93) Werden die dan ook geïnfecteerd door de pragmatische Nederlandse volksaard? Uit Bots’ relaas zou je eerder een correlatie gaan zien tussen praktisch onderwijs en opmerkingen als “[d]e Franse invloed op de Leidse universiteit was heel groot”. (92) Verloren deze lieden hun ‘Franse’ volksaard, ook al leerden ze dan zelden Nederlands? (133, 136) Ook de grote nadruk op de publicatie van Franstalige werken in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een gegeven dat een grote rol speelt in het hoofdstuk over de boekdrukkers, laat de lezer in onzekerheid over het vermeend ‘Nederlandse’ pragmatisme in de zeventiende-eeuwse geleerdencultuur. Dergelijke bezwaren doen niets af aan het feit dat Bots een toegankelijk geschreven, rijk geïllustreerd en buitengewoon goed geïnformeerd overzichtswerk in het Nederlands heeft afgeleverd, waaruit blijkt dat de Nederlandse Republiek twee eeuwen lang een sleutelrol speelde in de Europese geleerde wereld.

Literatuur

Jeroense, P., Duo Decimo. Met de kop in het zand. In: Vooys, 15 (1997) 3: 36.

Eerder verschenen in Vooys

Titel

  • De Republiek der Letteren

Auteurs

Vertaling van

Vertaler

Genre

ISBN

  • 9789460043727

Uitgeverij & Jaar

  • Vantilt 2018

Aantal Pagina's

  • 224

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Het hoofdkussenboek
De geschiedenis van Nederland in 100 kaarten
In het diepste geheim

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles