, Artikel door:
Auteur(s) boek:

Deftigheid in het gedrang

Dit nalatenschap moet gekoesterd worden

[Recensie] Er is de afgelopen tijd [1991/red] veel lof neergedaald op het hoofd van Jacques de Kadt (1897-1988), soms uit de meest verrassende hoeken en gaten. Maar het grootste compliment kreeg hij twee weken geleden in de Volkskrant van Battus, die zich een column lang in alle bochten wrong om De Kadts naam maar niet te hoeven noemen. Een schrijver die drie jaar na zijn dood nog zoveel haat opwekt, mag zich gelukkig prijzen: voor onverschilligheid hoeft hij niet bang te zijn.

Toch zou onverschilligheid wel eens het grootste gevaar kunnen zijn dat De Kadt en zijn werk bedreigt. Hij heeft zijn halve leven het communisme bestreden en de ineenstorting van het Sovjet-imperium voorspeld. Tegenwoordig is het zover: bijna niemand durft zich meer communist te noemen, de Sovjet-Unie staat op het punt uiteen te vallen. Waarom zou iemand zich nog verdiepen in een strijd die is gewonnen en in voorspellingen die zijn uitgekomen, behalve uit een – per definitie beperkte – historische belangstelling? Het lot lijkt met De Kadt een even ironisch als ondankbaar spel te spelen, want veel van de haat en veronachtzaming die hem in het verleden ten deel zijn gevallen waren te danken aan hetzelfde anticommunisme.

De krachtigste tegenwind ondervond hij in de jaren zestig, toen heel intellectueel Nederland te hoop liep tegen de oorlog in Vietnam, die door De Kadt juist werd verdedigd. In de selectie uit zijn verspreide geschriften, onlangs gepu-bliceerd onder de titel De deftigheid in het gedrang, staat een typerend artikel uit 1967, dat begrijpelijk maakt waarom men destijds zo de pest aan hem had. Hij wekte niet alleen ergernis met wat hij schreef, minstens zo irritant moet de manier zijn geweest waarop hij dat deed.

Voor een ongenuanceerde scheldpartij deinsde De Kadt niet terug, maar tergender nog was de gekwalificeerde minachting waarmee hij zijn tegenstanders op hun nummer zette. In het bewuste artikel, een bespreking van de reacties op een eerder artikel van zijn hand over ,,de antiamerikanismen” in Nederland, stelt hij zich op als de superieure schoolmeester die het zijn domme kinderen (ze hebben weer eens niet opgelet) voor de laatste keer uitlegt. Tevergeefs, zoals hij heel goed besefte, en dat verklaart wellicht waarom Battus, toen nog Raoul Chapkis geheten, van hem de raad krijgt zich opnieuw bij een psychiater ,,onder behandeling” te stellen. Zoiets is inderdaad om furieus van te worden.

Foodlog

Wat het artikel ook laat zien is hoe levendig, zij ’t niet altijd even fijnzinnig, De Kadt kon schrijven. Dat blijkt uit meer stukken in deze door M.C. Brands, R. Havenaar en B. Tromp samengestelde bundel, die ondanks de forse omvang van ruim 800 bladzijden slechts een fractie van De Kadts publicaties in kranten en tijdschriften bevat. Of het nu gaat over de dialectiek, Wilhelm Reich, Hendrik de Man, het socialisme na de Tweede Wereldoorlog, de Nederlandse Indië-politiek, Joseph Luns of Leo Trotski, nooit wordt wat hij schrijft dor, saai of vrijblijvend. De Kadt is als schrijver altijd een ,,vent”, om in Forum-termen te spreken, en deze bundel krijgt daardoor onwillekeurig het karakter van een – intellectueel – zelfportret, ook al blijft veel (waaronder alle publicaties in boekvorm) buiten beschouwing.

Hoewel het merendeel van de geselecteerde artikelen stamt van na De Kadts breuk met het communisme, valt zijn politieke ontwikkeling heel goed te volgen: van orthodox partijganger tot onafhankelijk socialist tot compromisloos verdediger van het vrije westen. Een wonderlijke odyssee, die vorig jaar voortreffelijk in kaart werd gebracht door Ronald Havenaar in zijn proefschrift De tocht naar het onbekende. De arti-kelen in De deftigheid in het gedrang werpen daar geen nieuw licht op, wel bieden ze alle gelegenheid om onder de indruk te raken van de veelzijdige belangstelling die De Kadt onderweg aan de dag legde.

Het meest verrassend zijn misschien de artikelen die hij over schrijvers en literaire onderwerpen heeft geschreven. Artikelen over onder anderen Multatuli, Heijermans, Gorter, Willem Paap en Ter Braak. Maar die verrassing wordt iets kleiner als men zich het ‘cultuursocialisme’ herinnert, waarvoor De Kadt in zijn belangrijkste boek Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939) zo’n gedreven pleidooi had gehouden. Van een cultuursocialist mag men verwachten dat de literatuur hem niet onverschillig laat.

In Het fascisme en de nieuwe vrijheid verwijt De Kadt het communisme en de sociaal-democratie juist dat zij de geestelijke en culturele behoeften van de mens schromelijk verwaarloosden. Het fascisme deed dat – weliswaar op een volstrekt karikaturale manier – niet, en daarin lag de bron van zijn succes. De enige effectieve defensie tegen het zwarte en bruine gevaar was daarom een vernieuwing, die van het socialisme in de eerste plaats een cultureel ideaal zou maken.

En een democratisch ideaal, want zonder vrijheid was volgens De Kadt cultuur onmogelijk. Over de democratie hield hij er echter een merkwaardige opvatting op na; hij was er namelijk van overtuigd dat zij – onder meer dank zij de vrije kritiek – bij uitstek geschikt was om “de besten op de belangrijkste plaatsen in de maatschappij te brengen”. Elitisme en democratie gingen bij hem hand in hand, wat laat zien dat hij zijn allerminst democratische geestelijke vaders (Nietzsche, Sorel en Lenin) nooit echt ontrouw is geworden. Bij Toynbee, over wie hij in 1939 een lang artikel schreef, vond hij vervolgens het bewijs dat in de geschiedenis vernieuwingen altijd het werk waren geweest van “persoonlijkheden en minderheden” – de massa beperkte zich tot het al dan niet overnemen van wat door de elite was voortgebracht.

Ook de grote schrijvers en dichters maakten deel uit van de elite; niet voor niets hechtte De Kadt een groot belang aan de kunst bij “het proces van de omvorming der geesten”. Maar aan de maatschappelijke houding van kunstenaars, schrijvers en intellectuelen schortte wel het een en ander. Of ze verkochten zich aan het establishment, zoals de ,,deftige” Huizinga, of ze sloten zich op in een ivoren toren, zoals de “luxe-intellectueel” Ter Braak. Beiden kregen de wind van voren, zij ’t Huizinga meer dan Ter Braak, voor wie De Kadt toch ook een onbekrompen bewondering toonde, waarschijnlijk in de – stille en ten slotte niet beschaamde – verwachting hem nog eens voor zijn zaak te winnen.

Bij alle waardering voor kunst en literatuur bleef de politiek voorop staan. Bart Tromp heeft gelijk als hij De Kadt in zijn inleiding bij De deftigheid in het gedrang in de eerste plaats een “politicus” noemt en pas daarna een “intellectueel”. Ook over literatuur heeft hij eigenlijk altijd als een politicus geschreven. Zijn literaire artikelen hebben niets van intieme leesverslagen, maar beantwoorden vragen als: wie zijn er van belang in de Nederlandse literatuur? Wat deugt er wel en niet in Gorter? Hoe ziet de toekomst van de roman eruit?

Van de literatuur benadrukte hij bovendien vooral de “maatschappelijkheid”, zonder overigens blind te zijn voor kwaliteiten die daar niets mee te maken hadden. Bij De Kadt (die in Gorter alleen de “lyricus” kon waarderen) hoeft men geen moment te vrezen voor het type blikvernauwing dat nog uitsluitend wezenloze ,,strijdcultuur” accepteert. Ongetwijfeld had hij daarvoor zelf te veel persoonlijkheid en niveau – ook in literair opzicht, zoals de artikelen in deze bundel bewijzen.

Het communisme hoeft niet meer te worden bestreden, het fascisme is dood, bij democratie denkt niemand nog aan elites, het maatschappelijk engagement van schrijvers en intellectuelen staat al jaren weer op de tocht. Veel van de zaken waar-voor De Kadt zich sterk heeft gemaakt, behoren inmiddels tot het verleden. Wanneer desondanks wat hij schrijft niemand onverschillig laat, in positieve of in negatieve zin, dan kan dat alleen maar komen door die persoonlijkheid en dat niveau, strijdbaar, lucide, erudiet en onvoorstelbaar eigenwijs en eigenzinnig. Zowel binnen als buiten Nederland is dat een combinatie die te zelden voorkomt is om haar – ook postuum – niet zorgvuldig te koesteren.

Eerder verschenen in De Volkskrant en op arnoldheumakers.com

Titel

  • Deftigheid in het gedrang

Vertaling van

Auteurs

Genre

ISBN

  • 9789028207783

Uitgeverij & Jaar

  • Oorschot 1991

Aantal Pagina's

  • 849

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Het geluk
Schets voor een zelfanalyse
Voorbij Fort Europa 26-6

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles