, Artikel door:

Domineesfabriek

Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen

[Recensie] Het boek Domineesfabriek, dat vandaag [25 mei 2018/red.] gepresenteerd wordt, vertelt het verhaal van de Theologische Universiteit Kampen. Tot voor kort moest je dan eerst nog uitleggen welke universiteit je bedoelde, want in dit bedaagde stadje aan de IJssel stonden meer dan vijftig jaar lang maar liefst twee theologische opleidingen. Eén van de Gereformeerde Kerken (Synodaal – tegenwoordig deel van de Protestantse Kerk) en één van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), twee kerkgenootschappen die sinds een kerkscheuring in 1944 niet meer door één deur konden.

Het is de Vrijgemaakte universiteit die hier wordt beschreven, de ‘School der Kerken’ met zo’n 118.000 kerkleden als achterban. De theologische opleiding – wetenschappelijke instelling en beroepsopleiding ineen – leverde vanaf haar oprichting in 1854 tweeduizend predikanten af en had alleen al daardoor een belangrijke invloed op kerkelijk Nederland. 

Het is de universiteit die ik zelf in 1998 als student betrad en waaraan ik na afstuderen en promotie nog altijd als onderzoeker verbonden ben. En waar ik, zeker in mijn studententijd, ambivalent tegenover stond. Want ‘Kampen’ heeft nooit op zichzelf gestaan, maar is het symbool van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en haar geschiedenis. En dat is, bevestigt dit boek maar weer eens, niet een erg gezellige geschiedenis die ronduit sektarische neigingen heeft gekend. Ja, gezellig werd het pas toen alle tegenstemmen gesmoord, weggepest of buiten het kerkverband geplaatst waren. Maar daarover straks meer.

Laten we bij het begin beginnen. De wortels van de Theologische Universiteit liggen niet in de Vrijmaking van 1944, maar in de Afscheiding van 1834. De vrome gereformeerden die zich in de negentiende eeuw afscheidden van de meer burgerlijke Hervormde Kerk wilden een eigen theologische opleiding. “Vormt gij kweekelingen, gevoed met de leer der waarheid die naar de godzaligheid is, de kerk zal er door kunnen bloeijen en opluisteren”, klonk het bij de oprichting van de Theologische School in 1834. Ik verwachtte dan ook vooral nadruk op vroomheid en geloof in plaats van op wetenschappelijkheid. Het aardige is echter dat de Theologische School vanaf het begin vroomheid wenste te combineren met degelijk academisch niveau en goed onderwijs. Nee, dat is bepaald niet altijd gelukt. En daarin ontwaar je belangrijke lijnen in dit boek. Over één van de eerste docenten Simon van Velzen wordt gezegd: “Zonder wetenschappelijk uit te blinken wist hij de School met zijn strijdbaarheid een uitgesproken gereformeerd karakter te verlenen. Hij vond dat karakter zoveel belangrijker dan het wetenschappelijk niveau, dat hij daarvoor graag en soms wat wild het wapen van de polemiek hanteerde.” Dergelijke zinnetjes waren in de loop van de geschiedenis wel op meer docenten en hoogleraren van toepassing.

Geschiedenis Magazine

De universiteit heeft zo haar helden, of in ieder geval markante mannen die een tijdperk domineerden. Dan denk je uiteraard aan Klaas Schilder, de even geniale als polemische theoloog die in de jaren dertig furore maakte en middelpunt van de Vrijmaking zou worden. De figuur die de universiteit tegenwoordig echter terecht het hoogst in het vaandel heeft staan is Herman Bavinck (1854-1921). Hij vertegenwoordigde als geen ander het theologische elan dat deze universiteit, zelfs in haar donkerste jaren, altijd hoog gehouden heeft: aan de ene kant robuust staan in de gereformeerde traditie, zonder daarbij de breedheid van de kerk van alle eeuwen uit het oog te verliezen. Aan de andere kant volop de vragen van je tijd en je cultuur op je in laten werken, die serieus nemen en verdisconteren. Daarbij was Bavinck een aarzelende denker, iemand die nooit klaar was met een vraagstuk. Dat is een karaktereigenschap die zeldzamer is in de geschiedenis van de Kamper School, maar die mij wel voor eens en voor altijd voor hem gewonnen heeft.   

Maar laat ik niet vergeten dat dit boek vooral veel kommer en kwel bevat. En dan heb ik het nog niet eens over de onverkwikkelijke kerkstrijd die er nota bene in de oorlogsjaren werd gevoerd en resulteerde in de Vrijmaking. De meest beklemmende, maar ook de meest fascinerende hoofdstukken uit dit boek gaan over de strijd om de erfenis van die Vrijmaking in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Je ziet direct twee groepen ontstaan: één groep stond weliswaar pal achter Klaas Schilder en het vurige elan dat zijn ‘Reformatorische beweging’ in de jaren dertig vertolkte. Deze groep zag de Vrijmaking echter als een verdrietige scheuring die zo mogelijk gelijmd moest worden. Dat laatste was echter vloeken in de kerk volgens een tweede groep. Zij zagen de Vrijmaking als een Reformatie van de kerk die dankbaar ontvangen en verdedigd moest worden. De rest van de wereld zou vanzelf wel gaan inzien dat er een ware gereformeerde kerk op aarde was en zich bij haar voegen. Je zou de twee groepen de irenische Vrijgemaakten en de geharnaste Vrijgemaakten kunnen noemen (zelf noem ik ze ook wel ‘de normalen’ en ‘de gekken’).

Ook binnen de Senaat van de School was die tweedeling scherp aanwezig. Je krijgt plaatsvervangende buikpijn als je de hoogleraren jarenlang ziet proberen de tent draaiende te houden terwijl ze fundamenteel tegenover elkaar staan. Psychische spanningen en inzinkingen waren aan de orde van de dag. Een waar sleutelmoment in het boek is de volkomen onverwachte benoeming van Jaap Kamphuis als hoogleraar kerkgeschiedenis in 1959. Het is één van de huzarenstukjes van cynische kerkpolitiek die het boek beschrijft. Hij had op dat moment in principe niet veel meer verstand van het vak dan u en ik. Doorslaggevend was hier echter niet het ‘technisch-academische’, maar wat genoemd werd zijn ‘principieel-profetische’ karakter. Hij was de ultieme voorvechter van de harde, exclusief Vrijgemaakte lijn, die zelfs Klaas Schilder te gortig was. Ik heb hem één keer als emeritus-gastdocent meegemaakt tijdens een themaweek kerkgeschiedenis. Zijn ogen flikkerden van Bijbelse toorn toen een student een kritische vraag over de Vrijmaking stelde.

Sinds zijn benoeming kregen de diehards de overhand. Een niet-vrijgemaakte conferentie bezoeken? Pas op, broeder. Gesprekken voeren met synodalen? U wordt doodgezwegen en weggewerkt. De hoofdstukken van het boek beginnen omineuze titels te dragen: ‘Het jachtseizoen geopend’, ‘Zuiveringen’. De ultieme zuivering van weerspannige elementen vond plaats aan het eind van de jaren zestig toen duizenden gelovigen buiten het verband van de vrijgemaakte kerken kwamen te staan. 

Vanaf dan wordt het rustiger, bezadigder en ook saaier. De vrijgemaakten leefden in splendid isolation en vonden het wel prima. Hoogleraarsbenoemingen draaiden meer om ‘betrouwbaarheid’ dan om academische brille. Tot een visitatiecommissie in 1987 de universiteit als ‘zwak’ bestempelt. Vanaf dan gaat de universiteit haar academische verantwoordelijkheid serieuzer nemen en begint ook het intellectuele klimaat kritischer te worden.

Wie vandaag de dag in de Theologische Universiteit Kampen rondloopt, merkt dat de ramen inmiddels zijn opengegaan. Als ik bekijk hoe het er nu is in vergelijking met de tijd dat ik begon te studeren vallen verschillende dingen op: er lopen in de eerste plaats veel meer vrouwelijke studenten rond. Dat was al het geval voor de Vrijgemaakte synode vorig jaar besloot vrouwen toe te laten tot het predikantschap. Verder is de sfeer losser, opener en internationaler: Kampen is in trek bij buitenlandse studenten die de verbinding van Bijbel en cultuur aansprekend vinden. Er is uitwisseling van docenten met andere theologische faculteiten.

S

De fusie met de Theologische Universiteit Apeldoorn tot één Gereformeerde Theologische Universiteit is vorig jaar afgeketst (opmerkelijk: nu waren het niet meer de Vrijgemaakten die de anderen niet vertrouwden. Zij waren zelf de gewantrouwde partij). ‘Kampen’ kan en wil echter niet meer op zichzelf blijven staan. Wellicht dat nu zelfs het ooit onmogelijke in het verschiet ligt: toenadering tot de Protestants Theologische Universiteit. De Vrijgemaakte kerken zijn een te klein vijvertje gebleken om het water van het geloof gezond en fris te houden en daar zijn ze ook nu, zich gefrustreerd afwendend van het eigen verleden, niet toe in staat. Laat Herman Bavinck hier het laatste woord hebben: “Elke sekte, die eigen kring voor de enige kerk van Christus houdt en uitsluitend in het bezit der waarheid zich acht, kwijnt en sterft weg, als een tak die van zijn stam is gescheurd.”

Waarover ging de Vrijmaking?

Die ging over de doop (en botsende karakters). Mag je ervan uitgaan dat een gedoopt kindje uitverkoren is? Ja, want het is opgenomen in Gods verbond, zeiden de latere vrijgemaakten. Nee, want je weet nooit zeker wie God verkiest of verwerpt, zeiden anderen. Het probleem van de vrijgemaakten was dat hen de striktere mening verplicht werd opgelegd – waarvan ze zich dus ‘vrijmaakten’. Verder waren ze enthousiast over de kerkelijke vernieuwingsbeweging die bekend stond als de ‘reformatorische beweging’, met als hoofdvertegenwoordiger Klaas Schilder. Voor velen moeilijk te begrijpen, maar de vrijgemaakten waren aanvankelijk de progressieve geesten van de gereformeerde gezindte.

Eerder verschenen in Trouw

Titel

  • Domineesfabriek

Auteurs

Vertaling van

Vertaler

Genre

ISBN

  • 9789035143876

Uitgeverij & Jaar

  • Prometheus 2018

Aantal Pagina's

  • 596

Beoordeling:

  • (3)

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Koningen, kruisvaarders en kaliefen
Mijn vader was priester
Moeder en God en ik

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles