, Artikel door:
Auteur(s) boek:

Elke vriendschap met mij is verderfelijk – Joseph Roth en Stefan Zweig – Brieven 1927-1938

“Ik vraag u nogmaals om zeker uw waardigheid te behouden”

Op twee manieren stelde Elke vriendschap met mij is verderfelijk, de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig, Roeland Dobbelaer teleur. Ten eerste bevat het boek veel te weinig brieven van Zweig om het een correspondentie tussen twee schrijvers te kunnen noemen en ten tweede blijkt dat Zweig het nazisme in de jaren dertig niet al te snel heeft willen veroordelen. Toch is het een magistraal boek.

[Recensie] Sinds ik drie jaar geleden Die Welt von Gestern (De wereld van gisteren) las en diep geraakt werd door dit belangrijke boek uit de twintigste eeuw wil ik alles lezen wat ik van Stefan Zweig onder ogen krijg. Zijn beschrijvingen in dit boek over de hoogtijdagen van kunst en cultuur in Wenen rond het jaar 1900, het verval van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie, de impact van WO I en daarna de opkomst van het nazisme zijn indrukwekkend. En in deze beschrijvingen klinkt op elke bladzijde het verlangen door om de tijd stil te zetten, het houden van hoe het was, van de tijd van het belle-epoque, van voor de grote crises van de eerste helft van de twintigste eeuw. Misschien kun je al het werk van Zweig wel aanmerken als het willen stilzetten van de tijd. Zijn romans, zijn monografieën over helden en grootheden uit heden en het verleden, altijd voel je de bewondering voor dingen die er nu zijn of zijn geweest, dingen die niet meer zullen terugkeren. Zweig was persoonlijk niet bepaald een avonturier, eerder een hypergevoelig mens die alles onder controle wilde houden en elke stap die hij zette grondig voorbereidde. Veranderingen, toeval, het onverwachte, onzekerheden. De fijnbesnaarde intellectueel kon er niet mee omgaan. Het opkomende nazisme verlamde hem. Wat te doen? Vluchten uit Oostenrijk, blijven? Zich verzetten was geen optie. Zweig was een schrijver, geen vechter. Dat blijkt ook uit de meeste brieven die Zweig schreef in de jaren dertig van de vorige eeuw aan zijn dertien jaar jongere vriend, collega schrijver, landgenoot en eveneens van Joodse komaf, Joseph Roth.

Teleurstellend is het aantal brieven dat van Zweig is opgenomen in deze correspondentie. Roth was een wildebras, een chaoot, een alcoholist, die verhuisde van hotel naar hotel. Hij heeft niet bepaald goed gepast op de brieven die Zweig hem schreef. Daarom bevat de correspondentie tussen de heren vooral brieven van Roth en heel weinig van de ordelijke Zweig die Roths brieven wel keurig netjes bewaarde. De uitgever had hier wel wat van mogen melden. Brieven van Joseph Roth aan Stefan Zweig en enkele brieven terug was een betere titel geweest.

In de briefwisseling met Roth, spat Zweigs ambiguïteit over het opkomend nazisme van elk pagina die hij hem schreef. De worsteling van Zweig met Duitse uitgevers, zowel die van kranten als boeken, waar hij jaren mee had samengewerkt en die na de machtsgreep van Hitler in 1933 steeds minder van hem wilde weten is zowel naïef als opportunistisch te noemen. Hij kon niet geloven dat ze hem als gevierd en gelauwerd schrijver niet meer moesten. Dat ze startende Joodse schrijvers niet meer wilde uitgeven, vanwege de nieuwe politieke mores, dat begreep hij, maar dat dit ook voor hemzelf gold? Ondenkbaar. Niet bepaald manmoedig onthoudt hij zich lange tijd van commentaar op de nazi’s, in de hoop dat ze hem zullen ontzien. De grote Stefan Zweig was zo blijkt uit de brieven met Roth vooral met zijn eigen hachje bezig. In november 1933 schrijft hij Roth:

Wandelmagazine

“Beste vriend,
Neemt u mij niet kwalijk dat ik een brief die van zoveel menselijkheid is doordrongen, slechts vluchtig beantwoord. Maar ik ben doodmoe. De hele zaak – die me door de achteloosheid van mijn vrienden, het stilzwijgen van mijn uitgever en mijn verandering van adres pas drie weken later ter ore kwam […] – heeft tot een ongekende toestand geleid.” Zweig maakt zich zorgen over de rechten op zijn werk en hoe hij en andere grote schrijvers nu verder moeten. “Jullie jonge schrijvers, die in de wereld van de Duitse uitgevers slechts drie à vijf jaar een gastrolletje hebben gehad en mee konden verhuizen met jullie uitgeverijen, kunnen zich niet voorstellen dat voor Thomas Mann of voor mij verbintenissen zijn aangegaan die je niet in een klap ongedaan kunt maken.”

Verderop in dezelfde brief gaat Zweig wel degelijk ook in op de situatie van de Joden in de wereld, maar zijn eerste zorgen liggen duidelijk op een ander niveau. Een half jaar later maakt Zweig zich druk over geruchten die over hem worden verspreid dat hij zich negatief heeft uitgelaten over de fascistische koers van de Oostenrijkse politiek:

“Maar nu kan ik openlijk zeggen dat daardoor, en wel degelijk door foute berichten uit Parijs, en Wenen een soort onderzoek tegen mij loopt, dat de kranten op dit moment niets van mij mogen publiceren en dat het gerucht gaat dat ik naar aanleiding van de recente gebeurtenissen, in het buitenland artikelen publiceer en voordrachten houd tegen Oostenrijk. U kunt waarschijnlijk nauwelijks geloven, dat iemand die, dat weet u, in binnen- en buitenland extreem terughoudend en op het neurotische af discreet is geweest, op zo’n manier behandeld wordt: maar dat is het geval en het is geen hersenspinsel of overdrijving van mijn kant.”

Zweig wilde lange tijd de ogen sluiten, maar ontkomt er dan niet aan om te beseffen dat zijn oude wereld definitief kapot aan het gaan is. Voor zijn vriend Roth was het van meet af aan al duidelijk dat Hitler en zijn trawanten een definitief einde betekende van ‘de wereld van gisteren’. “Duitsland is dood. Voor ons is het dood. Het is een droom geweest. Ziet u dat eindelijk,” bijt hij Zweig toe in een brief tijdens de machtsovername van Hitler in 1933. Roth verwijt Zweig dat hij veel te lang aarzelt met het veroordelen van de nazi’s, juist de grote Zweig had zijn stem moeten verheffen:

“Alles komt doordat u zo lang aarzelt. Zoveel kwaadaardigheid. Zoveel misverstanden. Zoveel lachwekkende berichten over u in de krant. U dreigt u morele krediet te verliezen in de wereld en in het Derde Rijk niets te winnen. Praktisch gesproken. Maar moreel gesproken verloochent u de voorbije dertig jaar. Waarom? Voor wie? […] Beste vriend, u weet dat ik eerder behoor tot de rechtvaardigen dan tot de hardvochtigen. Ik heb een hekel aan bekrompen hatelijkheden, aan sektarisme, dat weet u. Maar nu, nu is het beslissende moment aangebroken. Heftiger dan tijdens de oorlog [WO I/rd]. Nu, ten aanzien van dit helse moment waarop het beest gekroond en gezalfd wordt zou Goethe niet hebben gezwegen.”

Roth besluit een daaropvolgende brief: “Ik vraag u nogmaals om zeker uw waardigheid te behouden”

Zweig wikt en weegt, uiteindelijk ziet hij ook in dat hij moet vluchten, vestigt zich in Londen en zal de afbraak van zijn wereld van gisteren nooit te boven komen. Via omzwervingen beland hij jaren later in Brazilië en pleegt daar in 1942 met zijn vrouw zelfmoord. Gelukkig pas nadat hij zijn ‘magnus opus’ heeft geschreven. Joseph Roth is dan al drie jaar dood. Kapot gegaan aan de alcohol, kapot aan de onzekerheid van geen geld en geen perspectief. Naast het gevecht tussen de twee heren over hoe te reageren op het nazisme is de briefwisseling vooral een egodocument van de teloorgang van Joseph Roth. De schrijver klaagt in elke brief over zijn problemen, zijn vrouw die ziek is, zijn gebrek aan geld, zijn problemen om zijn boeken uit gegeven te krijgen, zijn romans die maar niet opschieten. Het is een klaagzang zonder weerga, je ziet vanaf pagina een al de vernietiging op termijn van een enorm talent, die weigert concessies te doen, zijn leven in de hand te nemen en zijn alcoholconsumptie te minderen. Zweig stelt zich op als de liefdevolle oudere broer die zijn jongere onervaren broertje wilt behoeden voor alle ellende. En juist in deze vriendschap is het boek magistraal. De jongere geeft snoeiharde analyses van de politieke situatie van het moment, en vormt zo het geweten van zijn oudere vriend die maar niet wilt toegeven dat het mis gaat in de wereld. De oudere wil de jongere behoeden voor allerlei fouten in het leven, smeekt hem de fles te laten staan en geeft hem geld en oneindig veel tips om zijn leven op orde te krijgen. Vriendschap in tijden van verval en afbraak. Mooi en verdrietig tegelijk. En wat kan Roth prachtig schrijven.

Na de tweede helft van de jaren dertig verwaterd het contact. De mannen zwerven door Europa en weten vaak niet elkaars adres. Roth is dan al te ver weg, heeft zich verloren in de alcohol. In een van zijn laatste brieven aan Zweig, een jaar voor zijn dood in 1939, zegt hij: “Beste vriend, De oude vriendschap bestaat. Met mij gaat het al te slecht. Ik kan niet schrijven. Steeds hartelijk en trouw uw J.R.”. Zweig antwoordt bezorgd als altijd: “Mijn beste vriend. Ik ben vreselijk geschrokken over uw brief: het handschrift was werkelijk ziek en ik voel aan uw stemming al zeer lang dat u wanhopig bent. […] Kan ik iets voor u doen?”

Politiek wankelmoedig, de grote Zweig, maar als vriend liefdevol en standvastig.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Titel

  • Elke vriendschap met mij is verderfelijk – Joseph Roth en Stefan Zweig – Brieven 1927-1938

Auteurs

Vertaling van

  • Jede Freundschaft mit mir is verderblich

Vertaler

  • Els Snick

Genre

ISBN

  • 9789029517232

ISBN E-Book

  • 9789029522991

Uitgeverij & Jaar

  • De Arbeiderspers 2018

Aantal Pagina's

  • 419

Beoordeling:

  • (5)

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Frederik Willem van Eeden
Het verdriet van Versailles: 1919-2019
Food is Fictie

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles