, Artikel door:
Auteur(s) boek:

De laatste kamer

Het slotakkoord van een oude meester

De laatste kamer is het laatste boek dat Frans Pointl ooit zal schrijven, als we zijn uitgever mogen geloven. De verhalenbundel die op zijn tachtigste verjaardag werd gepubliceerd doet sterk denken aan Pointls debuutbundel De kip die over de soep vloog. En daarmee is de cirkel van zijn oeuvre rond.

Verhalen met rouwranden

Pointls laatste bundel bestaat uit vier delen. Het eerste deel lijkt een voortzetting van de veelal autobiografische verhalen uit De kip die over de soep vloog: de man met een geschiedenis van talloze betekenisloze kantoorbaantjes en een even bedroevend liefdesleven is alom aanwezig. De verhalen beschrijven het leven van de jonge Joodse Frans die met zijn door de Tweede Wereldoorlog getraumatiseerde moeder samenwoont. De ogenschijnlijk lichte toets van deze rauwe verhalen maakt juist dat je een paar dagen later tijdens een mijmerend moment bepaalde scènes opnieuw voor je geestesoog voorbij ziet trekken. Zoals aan het eind van het verhaal ‘Afscheid’, waarin de jonge verteller de vuilnisemmer met daarin de overhemden van zijn nooit uit Sobibor teruggekeerde Joodse opa buiten zet:

‘Beneden gekomen zette ik de emmer aan de stoeprand. Ik kreeg het gevoel dat ik mijn grootvader nu definitief begroef. Even bleef ik bij de emmer dralen. Toen draaide ik me om, pakte de loper uit mijn zak en opende de buitendeur.’

In het tweede deel van de bundel zijn de verhalen geschreven in de derde persoon. Af en toe voert Pointl een personage, gebeurtenis of voorwerp op dat hij eerder in een autobiografisch verhaal heeft gebruikt. Een mooi gebruik van detail en perspectief. Toch komen deze verhalen niet helemaal uit de verf. Het blijven korte tragikomische levensinkijkjes die geen diepere laag of motief lijken te hebben. Dat geldt echter niet voor de laatste twee delen van De laatste kamer: het derde deel bestaat uit een verhaal over Pointls huidige situatie in het verpleeghuis, waar hij volgens eigen zeggen ‘elke avond voor het slapen gaan hoopt dat hij weg mag schuiven in de eeuwigheid’, en het laatste deel is een reeks gedichten van zijn hand.

‘Een grafsteentekst heb ik al vastgelegd: Van mensen eindelijk verlost.’

In achttien pagina’s schetst Pointl zijn huidige situatie en de aanloop daarnaar. In 2009 is bij hem de ziekte van Guillain-Barré geconstateerd, een zeldzame auto-immuunziekte. Of zoals Pointl haar noemt: ‘de ziekte met de elegante naam’. Na een lang verblijf op de transferafdeling van het ziekenhuis komt er een plaats vrij in een verpleeghuis. Het betekent het einde van zijn leven zoals hij het kende. Je proeft Pointls irritatie en verbittering over zijn lot:

‘Wellicht vraag je je af hoe ik hier mijn dagen doorbreng. Ja, ik blijf van de hak op de tak springen. Als je daar niet tegen kunt, leg mijn schrijverij dan terzijde.

Om zeven uur ’s morgens word ik wakker. Om ongeveer kwart voor negen krijg ik twee boterhammen en een kop koffie op bed. Een halfuur later zes diverse capsules. Vaak word ik ’s morgens wakker van het luidruchtige gekwek van de dames en heren van de verzorging; een volle kippenren is er niets bij. Eén is erbij met een keiharde stem, ze ratelt als een machinegeweer. Wat ze zegt of roept is onverstaanbaar. Vooral mokkadames praten op topsnelheid, alsof ze nog maar drie minuten te leven hebben.’

Schrijnend is ook zijn eerste ervaring met de verpleeghuiskapper, aan wie hij uitlegt hoe hij het liefst geknipt wil worden, waarop het antwoord simpelweg luidt: ‘We knippen alle mannen hetzelfde.’ Ondanks, of is het dankzij, Pointls onvrede met de tijd die hij doorbrengt in het huis staat het verhaal barstensvol fijne observaties van zijn omgeving. Het is een genot deze situatieschets te lezen na het wat tegenvallende tweede deel van de bundel.

Als kers op de chemische-verpleeghuis-vla zijn er de gedichten. En die zijn absoluut fantastisch. Ze roepen dezelfde beelden op als zijn verhalen in slechts een paar zinnen. Net als in het tweede deel zijn sommige elementen al eerder opgevoerd als verhaalonderdeel. De gedichten kunnen wat plat zijn, maar daardoor geven ze een des te rauwer en eerlijker beeld van de werkelijkheid zoals de verteller die beleeft. Ze zijn een smeltkroes van gedachten, periodes, verhalen en emoties.

‘Onvoorstelbaar’
 
denk aan mijn dood
anders dan alle andere
in molmend hout
traag uiteenvallen
boven de seizoenen
die als razenden
tikkertje spelen
 
als na eeuwen
deze planeet nog draait
ben ik er niet
daarna evenmin:
totaal onvoorstelbaar

De laatste noot

Frans Pointl vertelt op een intieme manier grote verhalen, vaak met een autobiografische toets. Juist de focus op het ik achter de schrijver maakt zijn verhalen zo sterk en karakteristiek, wat voor mij ook de reden is dat ik het tweede deel van deze bundel zwakker vind dan de rest. Al met al blijft het een werk om in huis te halen, met de scherpe observaties van zijn medebewoners, de terugkerende autobiografische verhaalelementen in zijn fictie en gedichten en om de Tweede Wereldoorlog vanuit een heel persoonlijk perspectief te beleven.

Met zijn finale bundel De laatste kamer is het duidelijk dat wat Pointl betreft zijn leven erop zit. Hij wacht slechts nog op het eind. Tijdens het lezen zie je hem zitten, in zijn piepkleine kamer achter zijn Brother-schrijfmachine, aan de tafel waar de armleuningen van zijn rolstoel precies onder passen. Dit is het dan, de laatste noot van het slotakkoord van een oude meester.

Titel

  • De laatste kamer

Vertaling van

Auteurs

Genre

ISBN

  • 9789038898216

Uitgeverij & Jaar

  • Nijgh & Van Ditmar 2013

Aantal Pagina's

  • 176

Beoordeling

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Groot Nederland & Groot Colombia 1815-1830
De weg naar eenvoud
Daar komen de vliegen

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles