, Artikel door:
Auteur(s) boek:

De jongen die tegen IS strijdt

Van gevangene tot terroristenjager

Volgende week verschijnt De jongen die tegen IS strijdt van Masoud Aqil, journalist uit Syrië, een verslag van zijn leven in Syrië in tijden van oorlog, zijn gevangenschap onder IS en zijn vlucht naar Duitsland.

In 2014 wordt Aqil, wanneer hij een reportage maakt voor een Koerdische tv-zender, ontvoerd en opgesloten door IS-strijders. “In totaal zit hij 280 dagen vast in een pikdonkere keldercel. Dagelijks ondergaat hij martelingen en schijnexecuties. Totdat hij na negen maanden plotseling vrijgelaten wordt.

Aqil vlucht naar Duitsland. In het asielzoekerscentrum ontdekt hij dat IS de enorme vluchtelingenstroom misbruikt om terroristen Europa binnen te sluizen, onder wie zelfs enkele van zijn beulen. Vanaf dat moment besluit hij de inlichtingendienst te helpen bij het opsporen van IS-soldaten, waarmee hij zijn eigen leven op het spel zet. Door zijn verhaal en identiteit openbaar te maken, wil Aqil andere vluchtelingen aanmoedigen hetzelfde te doen.” [Van de achterflap]

De Leesclub van alles publiceert als voorpublicatie het eerste hoofdstuk van De jongen die tegen IS strijdt        

Wordt Vervolgd

Hoofdstuk I. De ineenstorting van Syrië

Nog nooit had iemand in mijn aanwezigheid luidkeels verkondigd dat hij mij en mijn soort zou onthoofden. Die grote, dikke, zwetende vent met zijn kalasjnikov had het over ‘ongelovigen’ en bedoelde daarmee de Koerden. Het is waar dat de meeste Koerden hun identiteit niet ontlenen aan een of ander geloof, maar aan hun etnische aomst. Vaak hechten ze niet veel waarde aan zo’n geloof, omdat ze in een religieuze atmosfeer moeten leven die ze verafschuwen. Mijn vader is atheïst, net als ikzelf en heel veel andere Koerden. Er zijn bij ons geen radicale jihadisten, en als iemand wél religieus is, betekent dat nog niet dat hij als fundamentalist het enig zaligmakende geloof predikt en het recht meent te hebben om iedereen te vermoorden die daarvan afwijkt.

Wat wij Koerden nodig hebben is geen geloof, maar grondgebied. Duizenden jaren hebben de Koerden op hun eigen land gewoond en allerlei vreemde machten weerstaan. Tegenwoordig leven wij als minderheid in vier verschillende landen: Turkije, Irak, Iran en Syrië. We zijn verbonden door onze eigen taal en cultuur en vormen de grootste natie ter wereld zonder eigen staat. Maar ook onderling zijn we het lang niet over alles eens.

Als er ooit een ona€ankelijke staat Koerdistan wil komen die al onze gebieden in Syrië, Irak, Iran en Turkije omvat, zullen eerst de Turkse PKK de Iraakse PDK‚ en hun leiders hun politieke geschillen moeten oplossen. Alleen dan is het mogelijk ons recht op zelfbeschikking door middel van een referendum voor een onafankelijk Koerdistan op te eisen. Pas als wij onszelf echt als één natie zien, zouden we op een dag alle Koerdische gebieden tot een zelfstandige staat kunnen verenigen. Daarbij kunnen we aansluiten bij een goede oude traditie: ruimte maken voor alle oude volkeren en toezien op religieuze en politieke pluriformiteit – anders dan de machthebbers in Syrië, Irak, Turkije, Iran en anders dan de radicale islamistische bendes die alles uit de weg willen ruimen wat maar een beetje afwijkend denkt.

Voorlopig is een eigen Koerdische staat nog heel ver weg. Weliswaar zijn we erin geslaagd in Syrië en Irak onze zaken te regelen binnen halfautonome regio’s, maar op veel plaatsen is nog sprake van onrecht en onderdrukking. Vooral in Syrië is dat al heel lang het geval. In 1962 werd alleen al in de regio Al-Hasakah zo’n 120.000 Koerden het staatsburgerschap ontnomen. Deels werden ze ook onteigend. Zo verloren ze hun nationaliteit, hun rechten en hun bezittingen. Onder Assads vader Ha‚z volgde de regering een politiek van ‘Arabisering’ om in het grensgebied een ‘Arabische gordel’ te vormen. Daartoe moesten zo’n 140.000 Koerden vanaf een strook land van circa 15 bij 375 kilometer langs de Turkse en Iraakse grens worden gedeporteerd en vervangen door Arabische kolonisten. Ongeveer 25.000 Arabische families vestigden zich in de jaren 1975-1976 in de provincie Al-Hasakah. Uiteindelijk ging de voorgenomen deportatie niet door, maar de onteigende Koerden verloren als statenlozen hun rechten en hun bestaanszekerheid.

Ze waren hun stemrecht kwijt, maar ook het recht om land, onroerend goed of bedrijven te bezitten. Koerdische plaatsnamen maakten plaats voor Arabische namen en later werd het families zelfs verboden hun kinderen Koerdische namen te geven.

Ze mochten geen Koerdische literatuur in huis hebben en zelfs thuis geen Koerdisch spreken. De systematische discriminatie van de Syrische Koerden druiste in tegen allerlei internationale afspraken, vooral de verklaring van de rechten van de mens. Vóór de oorlog woonden er nog twee- tot driehonderdduizend statenloze Koerden in Syrië, en die statenloosheid ging automatisch ook op hun kinderen over. Ze kunnen geen aanspraak maken op zorg of sociale voorzieningen, en als ‘niet-geregistreerd’ hebben ze zelfs geen recht op onderwijs.

Om zulke ernstige problemen te ontwijken heeft een groot deel van de vier miljoen Koerden in Syrië zich als moslim laten registreren. Maar daarom zíjn ze dat nog niet. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit het feit dat de Koerdische jezidi’s in het noorden van Irak in de bergen tussen het sjiitische Iran en het soennitische Turkije de afgelopen duizend jaar talloze malen zijn aangevallen door islamitische en Osmaanse troepen – en sinds 2014 ook door IS – omdat zij niet als moslims worden gezien. Daarbij zijn vele doden gevallen. Maar ondanks hun Arabische papieren hebben de meeste Koerden hun eigen cultuur en wereldbeeld behouden. Dat is ook de reden waarom er onder de Koerden geen radicale islamistische groeperingen zijn ontstaan. Moslims bidden, wij niet, zij gaan naar de moskee, wij niet, zij lezen de Koran, wij niet. En zo is het ook in het buitenland, waar de tegenstellingen zich nog verharden.

Zoals ik in Duitsland heb gezien, houden moslimvluchtelingen daar nog altijd vast aan de Koran en de islam. Ze drommen samen in de moskee om onder elkaar te kunnen zijn. Er is maar één ding dat hun interesseert: geloof je wel of geloof je niet?

Bij de Koerden ligt dat heel anders. Zelfs wie in Allah gelooft, laat zijn leven niet bepalen door de religie en probeert zeker niet om anderen zijn opvattingen op te leggen. In veel Arabische landen echter zijn geloof en politiek op een ongezonde manier met elkaar verstrengeld. Een (vals) geloof of een te grote nadruk op etnische herkomst leidt altijd weer tot geweld en onderdrukking. In Syrië bijvoorbeeld werden ook andere minderheden gekoeioneerd, wat mogelijk was door een wet op de noodtoestand die in 1963 in werking was getreden. Daaronder vielen onder meer een samenscholingsverbod, willekeurige arrestaties, mediacensuur en een verbod op alle andere partijen dan de socialistische Baath-partij, die naar een Arabische eenheidsstaat streeft. Dissidenten en leden van de oppositie werden zomaar opgepakt, vastgezet en gefolterd, bijvoorbeeld in de beruchte Sednaya-gevangenis.

Bashar al-Assad, die wij nu stû dirêjo noemen, de ‘man met de lange hals’, zette de politiek van zijn vader consequent voort. De hoop dat hij hervormingen zou doorvoeren vervloog even snel als de roep van de bevolking daarom luider werd. Na de ‘winter van Damascus’, die in 2002 een einde maakte aan een korte periode van liberalisering, werden de burgerlijke vrijheden weer op grote schaal ingeperkt en zette Assad een harde koers in. Met zijn dictatoriale bewind onderdrukte hij niet alleen de Koerden, maar ook andere, grote bevolkingsgroepen in Syrië. Wat zich de afgelopen jaren in Syrië heeft afgespeeld en ook mijn leven volledig op zijn kop zette, komt in de allereerste plaats voor zijn rekening.

In 2004 deed zich in Qamishlo, waar ik woonde, tijdens een voetbalwedstrijd een incident voor dat grote gevolgen zou hebben. Gewelddadige fans van een team uit Deir ez-Zor bekogelden de supporters van de thuisploeg met stenen en flessen, en riepen daarbij anti-Koerdische leuzen. Maar het waren niet deze bezoekers die uit het stadion werden verwijderd, maar defans uit Qamishlo. Daarom kwam het buiten het stadion tot protesten, waarbij door veiligheidstroepen op ngewapende Koerden werd geschoten. Aan de rouwstoet, de volgende dag, namen tienduizenden mensen deel, onder wie ook christenen en Arabieren. Toen een paar mensen stenen naar een beeld van Assad gooiden, grepen de troepen en de politie hard in en vielen er opnieuw doden.

In de loop van de volgende twee dagen kwam het in andere steden tot solidariteitsbetogingen. Meer dan dertig mensen werden doodgeschoten, ongeveer honderdzestig raakten gewond. Assads  troepen trokken Qamishlo binnen, het telefoonverkeer werd lamgelegd en de stroom afgesneden. Wij woonden toen in Damascus, waar de Koerdische wijk ook was vergrendeld, en konden niemand bereiken. In het hele land werden honderd mensen door Assads ‘veiligheidstroepen’ gearresteerd.

Vijfentwintig Koerden overleefden het niet en een groot aantal Koerdische studenten werd van de universiteit geschopt. Een paar jaar later liet de bevolking van Tunesië, Libië en Egypte zien dat het mogelijk is een dictator te verdrijven. Dus kregen ook de Syriërs weer moed om de straat op te gaan en hun vrijheid op te eisen. Assad reageerde met geweld, eerst in Daraa in het zuidwesten, waar zijn neef Atef Najib als hoofd van de geheime dienst kinderen liet opsluiten en martelen en het vuur opende op demonstranten. Toen de situatie escaleerde en de bevolking ook in andere steden betogingen hield, werden ze door de eenheden van Assad in elkaar geslagen, opgepakt en onder vuur genomen. In Hama werden zelfs kinderen neergeschoten.

Waar het leger van Assad de burgers terroriseerde, lieten ze op muren en gevels leuzen achter in rode of zwarte verf: ‘Assad! Of we branden het hele land plat.’ Dat is hun inmiddels gelukt. Blijkbaar dacht Assad dat hij zo angst kon zaaien en de opstand met geweld zou kunnen smoren. In plaats daarvan brak er een burgeroorlog uit. De ‘Syrische lente’ van 2011 was een revolutie tegen alles wat de Assads – vader en zoon – de bevolking de afgelopen decennia hadden aangedaan. Hoewel ik het lang niet in alles met de opstandelingen eens was, vond ook ik dat we de wereld duidelijk moesten maken dat Syrië zuchtte onder een dictatuur. Maar zoals ik zo dikwijls tegen mijn vrienden zei, zou Assad zich niet zomaar laten verdrijven, enkel en alleen omdat wij riepen dat hij weg moest of op muren schreven: ‘Nu ben jij aan de beurt, dokter!’ Een gewelddadig regime verdwijnt niet vrijwillig, nergens ter wereld. Om hun eigen hachje te redden zijn zulke heersers nog eerder bereid het hele land naar de knoppen te helpen.

Daarom moesten volgens mij de grootmachten in de wereld de opstand steunen en Assad ertoe bewegen de mensenrechten te eerbiedigen of, beter nog, de macht over te dragen aan andere, democratische krachten. Daarbij had ik vooral mijn hoop gevestigd op de Verenigde Staten.

Ik nam in die tijd maar deel aan één demonstratie tegen het regime, op 21 maart 2002 in Qamishlo. Op die dag, het Koerdische nieuwjaarsfeest Newroz, eisten jonge mannen en vrouwen hun vrijheid, het aftreden van Assad en een eind aan de corrupte dynastie waarin Rami Machlouf, neef van Bashar al-Assad en door studenten ‘de dief ’ genoemd, zijn zakken vulde. Zijn jongste broer Mahir – aanvoerder van een alawitische elite-eenheid, de ‘Republikeinse Garde’ en de Vierde Divisie van het leger – zou niet veel later zijn beulen en moordenaars op de demonstranten afsturen. En zijn zwager Asif Shawkat, lange tijd hoofd van de geheime dienst, was inmiddels lid geworden van de generale staf.

Bij de demonstraties was zo nu en dan de kreet ‘Allahu akbar’ te horen, maar de roep om vrijheid en het prijzen van een God gaan niet goed samen. Je kunt óf naar vrijheid streven óf je aan een God onderwerpen. Allebei tegelijk is lastig. En zo eindigde de vrijheid ook onder de opstandelingen. De stem van degenen die voor werkelijke vrijheid en democratie streden, verstomde na een tijdje. De ware strijders voor een doorbraak verdwenen uit beeld. De huidige oppositie in Syrië bestaat allang niet meer uit ontevreden burgers en studenten. Wat in Europa en de Verenigde Staten nu de ‘oppositie’ heet, waarmee men gezamenlijk tegen Assad optrekt, omvat ook radicale islamistische elementen.

De oorlog van Assad tegen zijn eigen bevolking heeft het land in een chaos gestort. Hij is de oorzaak, de jihadisten zijn enkel het symptoom. Zij hebben van de chaos geprofiteerd en konden hun invloedssfeer uitbreiden van Irak naar Syrië. Zo kreeg IS al snel de controle over de rebellerende bevolking en de gebieden in het oosten van Syrië, waaruit het regeringsleger zich steeds verder terugtrok om zich in de alawitische regio’s en de vruchtbare streken van het land te concentreren. De Verenigde Staten, op wie niet alleen ik mijn hoop had gevestigd, legden de handen in de schoot en keken werkeloos toe. Het leek zelfs of ze de dictator liever aan de macht lieten. Bashar al-Assad kon zijn terreur tegen de eigen bevolking voortzetten, platgebombardeerde steden innemen en Arabieren, Koerden, Assyriërs, Armeniërs, christenen en moslims – die ooit vreedzaam hadden samengeleefd – tegen elkaar opzetten.

Pas toen IS steeds grotere delen van het land in handen kreeg, begon de wereldgemeenschap langzaam wakker te worden. Dat die macht zich zo snel uitbreidde, is een verdere oorzaak van de vernietiging van hele steden, de dood van honderdduizenden mensen en de vlucht van meer dan vijf miljoen Syriërs.

Dat is te wijten aan Qatar, Saoedi-Arabië en Turkije, die direct en indirect organisaties steunden die niet naar vrijheid streefden maar een islamistische staat wilden vestigen waarin de wet van de sharia geldt en vrouwen zich onder lagen textiel moeten verbergen. De Verenigde Staten zijn niet geheel onschuldig aan het ontstaan van dergelijke terreurorganisaties zoals IS of Al-Qaida. Door hun invasie in maart 2011 werd in Irak een meer dan veertien eeuwen oud evenwicht verstoord. Natuurlijk was het bewind van Saddam Hoessein een dictatuur, en natuurlijk trad Hoessein net als Assad vooral tegen de Koerden op. In 1988 had hij zelfs bevel gegeven tot de inzet van chemische wapens in Noord-Irak. Toch leefden in die tijd de verschillende etnische en religieuze groepen nog enigszins vreedzaam met elkaar samen, voor zover de mensen het regime in principe accepteerden.

De situatie in Irak was toen veel vriendelijker dan wat zich na 2003 voltrok. De oorlog en de bezetting door de Amerikanen en hun bondgenoten tot 2011 kostten niet alleen honderdduizenden mensen het leven, het daaropvolgende ‘herstel’ van de orde zette de machtsverhoudingen in Irak volledig op hun kop. Even min als in andere landen – vanaf Korea en Vietnam, via Somalië en Afghanistan tot aan de gevolgen van de ‘Arabische lente’ in Libië en Jemen – had het Amerikaanse ingrijpen de  verhoudingen echt verbeterd.

In Irak verzuimde de westerse coalitie om de minderheden, met name de tot dan toe regerende soennieten, blijvend bij de politiek te betrekken. De Amerikaanse civiele gezaghebber Paul Bremer verbood de Arabisch-socialistische Baath-partij, en de sjiitische meerderheid in het land kreeg de politieke macht, waardoor de balans in het gebied doorsloeg naar Iran en de sjiitische islam. De sjiitische minister-president Nuri al-Maliki, die van 2006 tot 2014 in functie was, liet soennitische en seculiere politici vervolgen en trad hard op tegen alle andere tegenstanders van zijn bewind. Bovendien ontbonden de Amerikanen het leger, waardoor vooral soennieten hun baan verloren en talloze voormalige generaals, o…cieren en soldaten zich aansloten bij het verzet tegen de bezetters.

Ook het uit Afghanistan verdreven Al-Qaida (‘de Basis’) vond in Irak een nieuw werkterrein. De organisatie was ooit ontstaan met hulp van de Verenigde Staten. Amerika had jihadstrijders gerekruteerd om in stelling te brengen tegen de Sovjetsoldaten en de gekozen regering van Afghanistan. In Irak begon de jihad in augustus 2003 met een aanslag op de VN-vertegenwoordiging in Bagdad. Daarna volgden de explosies bij de Imam Ali-moskee. Mensen werden gekidnapt en weggevoerd.

In mei 2004 werd de leider van de Iraakse afdeling van Al-Qaida, Abu Musab al-Zarqawi, op slag over de hele wereld bekend toen er op internet een video opdook waarin de onthoofding van de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg te zien was. Berg droeg een oranje overall, die deed denken aan de gevangeniskleding van Guantánamo Bay. Titel van de video: ‘Abu Musab al-Zarqawi slacht eigenhandig een Amerikaan.’

Tegelijkertijd wakkerde Al-Qaida het conflict tussen soennieten en sjiieten nog verder aan. De nieuwe machtsverhoudingen tussen de bezettingsmacht, het civiel gezag en de Iraakse regeringsraad waren nog niet echt duidelijk, en toen bij de parlementsverkiezingen van 2005 het politieke verbond van de sjiitische Ibrahim al-Jaafari de meerderheid behaalde, riep Al-Zarqawi op tot de ‘totale oorlog’ tegen de sjiieten. In februari 2006 escaleerde het geweld na een aanslag op de sjiitische Askariya-moskee in Samarra, honderd kilometer ten noorden van Bagdad. Een paar maanden later, op 15 oktober 2006, werd door Al-Qaida de ‘Islamitische Staat in Irak’ uitgeroepen.

De Amerikanen en hun bondgenoten hadden met hun ingrijpen weliswaar de dictatuur van Saddam Hoessein verdreven, maar het ontstane vacuüm niet met een beter regime ingevuld. Daarbij kwam dat de willekeur en de mishandeling van gevangenen in Amerikaanse gevangenissen zoals Abu Ghraib en Camp Cropper bij Bagdad de weerstand tegen de bezetters nog meer aanwakkerde. Camp Bucca, een gevangenis in het zuiden, ontwikkelde zich onbedoeld tot een soort opleiding voor extremisten. Veel latere IS-leiders zaten hier gevangen, onder wie de huidige ‘kalief ’ Abu Bakr al-Baghdadi.

Toen de Amerikanen eindelijk afscheid namen van het ogenschijnlijk stabiele land, brak de anarchie weer uit. Talloze soennieten – onder wie, zoals gezegd, goed opgeleide soldaten en officieren – sloten zich aan bij de radicale rebellen, die het best georganiseerd waren en over voldoende financiële middelen beschikten. Deze afgedankte militairen haatten de nieuwe Iraakse staat nog meer dan IS, dat zonder de bemoeienis van de Verenigde Staten nooit zou zijn ontstaan.

In Irak bleek weer eens een oude waarheid. Zolang de ene groep gelovigen de andere groep bleef haten, zou er in het Midden-Oosten geen vrede komen. En juist dat conflict werd door de Verenigde Staten in Irak nog extra gevoed. En natuurlijk ging het niet alleen om de verdrijving van een dictatuur, maar ook om het zwarte goud.

Vanaf het eerste begin konden de radicale islamistische groeperingen in Irak rekenen op de steun van Bashar al-Assad. Na de Amerikaanse intocht van 2003 vertrokken honderden bussen met jihadisten vanuit Damascus en Aleppo naar Irak. Een van onze buren in Damascus behoorde tot de eerste strijders die daar sneuvelden. Zijn familie organiseerde een grootse begrafenis.

Nadat op 15 oktober 2006 de ‘Islamitische Staat Irak’ was uitgeroepen, liet Assad voormalige gevangenen naar het buurland vertrekken. Deze mensen waren tijdens hun gevangenschap – de ‘academie’ van het jihadisme – gevormd en geradicaliseerd.

Bovendien hadden ze in de gevangenis het smerige vak van marteling en moord geleerd. Assad wilde zich op deze manier niet alleen van de radicalen ontdoen, maar gaf hun de opdracht mee de islamisten in Irak te ondersteunen en het Amerikaanse leger in het nauw te drijven.

Maar vanaf 2011 keerden deze radicalen weer naar Syrië terug. Onder hen was ook Abu Mohammad al-Julani (eigenlijk Ahmed Husain al-Sha’ra), die in januari 2012 emir van de soennitische Jabhat al-Nusra – de Syrische afdeling van Al-Qaida – was geworden. Aan het begin van de opstand liet Assad opnieuw honderden gevaarlijke terroristen vrij. Iedereen, ook Assad zelf, wist wat deze mannen gingen doen. Ze zouden militante groepen vormen om zich in de opstand te mengen en de chaos in Syrië en Irak in stand te houden of nog groter te maken, met behulp van terreur. De islamisten zouden hun tegenstanders martelen met dezelfde methoden waarmee zijzelf ooit door Assads beulen waren gefolterd.

Deze mannen kregen niet alleen wapens geleverd vanuit Saoedi-Arabië, maar ook Assad hoopte op die manier een wig tussen de oppositiepartijen te drijven en de chaos nog te vergroten. Als dat eenmaal gebeurde, kon hij zich opwerpen als de grote redder van het land, de vredestichter, en ook zijn tegenstanders in het Westen ervan overtuigen dat hij onmisbaar was.

Hij rekende erop onder de dekmantel van de strijd tegen het terrorisme iedere maatregel te kunnen rechtvaardigen, ook zijn harde optreden tegen de demonstranten. Maar in dat geval ging het niet om een oorlog tegen terroristen maar het neerslaan van een opstand tegen zijn eigen totalitaire dictatuur, het bewind van zijn eigen clan. Dat hij daartoe de positie van de terroristen versterkte, nam hij niet alleen op de koop toe, nee, hij deed dat bewust.

Inmiddels heeft de Syrische burgeroorlog zich ontwikkeld tot een plaatsvervangende oorlog tussen internationale machten. Iran wil zijn invloed in de regio na het con…ict in Irak nog verder uitbreiden. Het grotendeels soennitische Saoedi-Arabië probeert dat juist te verhinderen. Turkije droomt van meer macht en heeft het daarom ook op Syrië voorzien. En omdat de Verenigde Staten zich in eerste instantie hadden teruggetrokken, kon ook Rusland zich als regionale macht profileren.

Toen de Verenigde Staten eindelijk wakker werden, konden ze eerst niet beslissen wie ze nu eigenlijk moesten steunen. Tenslotte voorzagen ze de ‘gematigde islamisten’ van wapens, wat al in Irak een verkeerde tactiek gebleken was. Die wapens raakten vaak in handen van strijders van Al-Nusra, IS of andere islamistische groepen. Zij profiteerden in 2014 ook van de zogenaamd ongecoördineerde terugtocht van het Iraakse leger uit Mosul. Dertigduizend soldaten lieten aan een klein groepje van een paar honderd jihadisten al hun wapens achter, alsof ze tegenover een onoverwinnelijke oorlogsmachine hadden gestaan.

De moslimstrijders zagen waarschijnlijk de tekst van soera 8:65 bevestigd, die luidt: ‘O, profeet, spoor de gelovigen aan tot de strijd! Als er onder u twintig standvastigen zijn, zullen zij er tweehonderd verslaan. En als er onder u honderd zijn, zullen zij er duizend overwinnen van hen die ongelovig zijn, daar zij mensen zijn die niets begrijpen.’

Nee, het was niet Allah die de jihadisten de overwinning had geschonken. En de bevolking van Mosul zou zich zeker niet zo makkelijk hebben geschikt als het Iraakse leger maar enige tegenstand had geboden. Maar de regeringstroepen lieten alles achter zoals ze het gevonden hadden. Had iemand hun dat bevolen?

We weten allemaal van wie het Iraakse leger zijn instructies kreeg. Minister-president Nuri al-Maliki had bevel gegeven tot de terugtocht om Mosul aan IS over te laten, compleet met alle wapens en pantserwagens van het Iraakse leger. Ik ben ervan overtuigd dat hij IS snel wilde laten groeien om de Koerden te kunnen aanvallen.

Een jaar later wist ook in Ramadi een groepje van vermoedelijk een paar honderd IS-strijders zesduizend Iraakse soldaten te ‘verdrijven’, die de moslimstrijders hun wapens en munitie op een presenteerblaadje aanboden. Later veroverden ze de stad wel terug, maar niet nadat de islamisten de wapens en munitie hadden ingepikt, afkomstig van hun zogenaamde vijanden.

En Europa? Europa had geen antwoord op de gewelddadige excessen van Assad of de veroveringen van IS sinds 2013. Daarom nam Assad Europa ook niet serieus. Vanuit regeringskringen was bij iedere gelegenheid te horen dat Europa geen invloedrijke macht was, maar een zwakke speler die geen rol had op de politieke landkaart. Daarom verraste het ook niemand dat een onbeschaafd regime als dat van Assad geen woord van dank aan Europa richtte omdat het honderdduizenden van zijn landgenoten als vluchtelingen opnam. In plaats daarvan stelde Assad Europa ervoor verantwoordelijk dat zich in zijn land een jihadistische organisatie als IS had kunnen ontwikkelen. Terwijl het juist Assad was geweest die deze strijders de ruimte gaf, in de hoop dat alle Syriërs en de rest van de wereld zich achter hem zouden scharen om deze meedogenloze terreurbende uit te roeien.

Assad is een manipulator en bedrieger. Misschien geloofde Barack Obama werkelijk dat Assad al zijn chemische wapens had laten vernietigen, de wapens waarmee hij duizenden van zijn landgenoten had gedood, zoals Saddam Hoessein dat in 1988 had gedaan toen hij gifgas – overigens voor een aanzienlijk deel met de hulp van Duitse bedrijven geproduceerd – inzette tegen de Koerden van Halabdja. Maar net als tegenover Hoessein bleef het na de gifgasaanvallen op Ghouta in augustus 2013 tegenover Assad slechts bij lippendienst. En van Assads kant bij valse beloften. Van de chemische wapens die zogenaamd allemaal zouden zijn vernietigd, zijn er nog genoeg over, verborgen op plekken niet ver van de westkust die nog door Assad wordt gecontroleerd. En zo staarde de wereld, bij de neus genomen, in april 2017 ongelovig naar beelden van de gif gasaanval op Khan Shaykhun. De Syrische regering is een listige slang. Niemand zou een woord moeten geloven van haar beweringen.

Als Europa zich er eerder mee had bemoeid, zoals Rusland later deed, had dat misschien nog enig effect gehad op Assad. Maar nu zitten we nog altijd met de dictator, en met die terreurbende erbij. Ook zij haten het Westen. En dat ze in staat zijn buiten hun eigen gebied toe te slaan, hebben ze inmiddels wel bewezen.

Omdat iedereen dat weet en er bang voor is, slaagde Assads tactiek. Nadat de Verenigde Staten het hele gebied in chaos hadden gedompeld, gingen in 2014 in Amerika en Europa de eerste stemmen op om met Assad te gaan praten, omdat alleen samen met hem weer enige rust in Syrië kon worden geschapen.

Nu weten we wel zeker dat dictators niet met geweld kunnen worden verdreven,’ schreef CIA-man Graham E. Fuller. ‘Dat leidt zelden tot vrede en een aantoonbaar beter regime.’ Het leek hem verstandiger Assad te omarmen. Geen enkele westerse geheime dienst zou alle feiten en gevoeligheden kunnen verzamelen die nodig waren ‘om het conflict met succes in de door ons gewenste richting te manipuleren’.

Vanwaar die omslag? Intussen had Abu Bakr al-Baghdadi de machtsstrijd met Al-Nusra gewonnen. Veel leden waren overgelopen nadat in april 2014 de ‘Islamitische Staat in Irak en Syrië’ (ISIS) en op 29 juni 2014 de ‘Islamitische Staat in Irak en de Levant’ (ISIL) waren uitgeroepen. Een week later hield Al-Baghdadi een toespraak bij het vrijdagsgebed in de Al-Nuri-moskee in het Noord-Iraakse Mosul, officieel als ‘kalief ’, hoogste onder de moslims, erfgenaam van Osama bin Laden en opvolger van Mohammed. Hij riep alle ware moslims op om naar zijn land te komen en ongelovigen te strijden. Die exodus naar het ‘Huis van de Islam’ was hun plicht.

Moslims vanuit de hele wereld reageerden op zijn oproep. En wij, de Koerden in het noorden van Syrië en Irak, behoorden tot degenen die Al-Baghdadi het eerst wilde verdrijven van hun land, waarop hij nu aanspraak maakte. Aleppo is tegenwoordig het symbool van Syrië als failed state. In deze dodenstad, want dat begint het steeds meer te worden, heb ik misschien wel de mooiste tijd van mijn leven gehad.

Vier jaar later, in 2016 zat ik in Duitsland voor de televisie en staarde ontzet naar de beelden van ontredderde mensen die als spoken door de puinhopen van Aleppo dwaalden, en vroeg ik me af hoe lang deze nachtmerrie nog moest duren, hoeveel burgers nog slachtoffer moesten worden van de bommen. En of ik mijn Koerdische vaderland ooit nog terug zou zien.

We hadden een goed leven in Qamishlo in het noordoosten van Syrië, aan de grens met Turkije. Hier was ik in 1993 ter wereld gekomen. In 1996 verhuisden we naar Damascus, waar ik eerst de basisschool en later de middelbare school bezocht.

Mijn ouders deden alles om hun vijf zonen en twee dochters tot verstandige en fatsoenlijke mensen op te voeden en hen naar goede scholen en de universiteit te sturen. Nadat mijn broers en zussen na hun afstuderen naar het buitenland waren vertrokken – twee van hen naar Duitsland – waren we thuis nog met ons drieën over. In 2010 keerden we naar Qamishlo terug. Mijn vader had een transportbedrijf en we bezaten nog wat grond buiten de stad.

Na mijn eindexamen moest ik beslissen wat ik nu verder wilde. Als kind had ik er altijd van gedroomd brandweerman te worden omdat ik mensen in nood wilde helpen. Maar tenslotte besloot ik toch maar te gaan studeren, niet in Damascus maar in Aleppo. Ik wilde nieuwe ervaringen opdoen. In 2011 schreef ik me daar in aan de faculteit voor kunst en geesteswetenschappen, met als hoofdvak Engelse literatuur. Aleppo was in die tijd een echte toeristenstad. Overdag las ik Shakespeare en Faulkner, ’s avonds ging ik met mijn twee beste vrienden naar het park, waar we op het gras zaten, naar klassieke muziek luisterden, Syrische gerechten aten in onze favoriete eettentjes, goede cijfers vierden en samen door de oude stad zwierven. Ik had het helemaal voor elkaar en alles voelde goed.

Ik was nog niet zo lang in Aleppo toen de protesten tegen het Assad-regime begonnen. Vanaf het voorjaar van 2012 demonstreerden ook de studenten in Aleppo, in het gebouw van de universiteit. Ik vond dat niet goed. Demonstraties hoorden op straat, in het centrum van de stad, niet aan een universiteit. Dat zou schade opleveren voor de universiteit, dat wist ik zeker. Het was slechts een kwestie van tijd.

In die tijd had het Syrische leger nog het grootste deel van de stad in handen, ook het westen van de oude stad met de universiteit, en de luchthaven in het oosten. Rebellen van verschillende signatuur beheersten enkele wijken in het zuiden en noordoosten. Vanaf juli 2012 kwam het in Aleppo tot hevige gevechten, die ook de volgende jaren zouden voortduren.

Assad liet zijn soldaten oprukken tegen de demonstrerende studenten. Ze gebruikten traangas en schoten om zich heen. Ze bestormden zelfs de campus, sloegen studenten neer, ontruimden de studentenflats en arresteerden tientallen jongelui, ook als ze helemaal niet aan de demonstraties hadden deelgenomen.

Zulke dingen gebeuren in de chaos. Oorlog kent geen regels. Ik had het geluk dat ik vijf kilometer ten oosten van de universiteit woonde en vertrok na afloop van het semester naar Qamishlo. Toen ik aan het begin van het wintersemester in november terugkwam, was de situatie aanmerkelijk verslechterd. Niet alle studenten hadden zich opnieuw ingeschreven, en sommige hadden Aleppo niet eens kunnen bereiken omdat de wegen waren versperd. Ettelijke professoren waren in hun eigen dorp of stad gebleven uit angst onderweg te worden ontvoerd – een geliefde methode om losgeld te kunnen eisen.

Er patrouilleerden steeds meer militairen door de stad, die de papieren van willekeurige  voorbijgangers inspecteerden en mensen arresteerden. Er vielen bommen. Bewoners ontvluchtten hun huizen om beschutting te zoeken op plekken die al of niet veilig waren. Andersom vluchtten veel inwoners van de buitenwijken, waar de rebellen door Assads leger werden gebombardeerd, nu naar de binnenstad. De huren rezen de pan uit, en een steeds groter deel van de vluchtelingenfamilies namen hun intrek op de campus.

De ochtend van 15 januari 2012 was ik op weg naar de universiteit toen ik in de verte drie gedempte knallen hoorde: plop, plop, plop. Een paar seconden later scheurden drie raketten het wolkendek open en sloegen in op een centraal plein van de universiteit.

Internationale kranten en tv-stations maakten melding van tachtig tot honderd doden, Syrische media spraken over driehonderd. Wij zeggen altijd dat de Syrische media tien kilometer bezijden de waarheid zijn. In dit geval leek het hoge aantal slachtoffers dat door de nationale pers en de regering werd genoemd een concreet doel te dienen. Assad gaf namelijk de terroristen de schuld van de aanval.

Wij hadden tot dan toe nog niets over de terreurgroepen gehoord. Ze waren er nog niet. Het Vrije Syrische Leger beschikte alleen over kalasjnikovs, niet over TNT of raketten. Qatar, Saoedi-Arabië en Turkije leverden die toen nog niet. Maar honderden mensen waren getuige geweest van de  waarheid. Ze hadden omhoog gekeken en de raketten gezien, net als ik. Het was wel duidelijk van wie ze kwamen. Assad had een plein verwoest dat onder zijn controle stond, alleen om de wereld een rad voor ogen te draaien.

Pas na deze propagandacoup mengden radicale jihadisten zich werkelijk in de strijd in Aleppo. Al-Nusra veroverde stadsdelen tussen de luchthaven en het centrum, waardoor het gevaar dreigde dat de oude stad zou worden ingesloten. De angst van de bevolking was overal voelbaar, ook gevoed door Arabische media zoals Al Jazeera en Al Arabiya. We gingen ’s nachts niet meer naar buiten en het openbare leven kwam langzaam tot stilstand. Van regelmatige colleges aan de universiteit was geen sprake meer, en bovendien kon ik me nauwelijks concentreren op mijn studie. Daarom besloot ik, zoals veel medestudenten, om voorlopig maar even te stoppen. Ik stapte op de bus, terug naar Qamishlo – de rit waarop ik voor het eerst een jihadist tegenkwam. Thuisgekomen kon ik niet vermoeden dat de volgende ontmoeting heel wat dramatischer zou verlopen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

 

Titel

  • De jongen die tegen IS strijdt

Auteurs

Vertaling van

Genre

ISBN

  • 9789402700497

Uitgeverij & Jaar

  • HarperCollins 2018

Aantal Pagina's

  • 320

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Buigend bamboe
Argentijnse avonden
Pierre Bourdieu

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles