Een mooie jonge vrouw
Auteur(s) boek:

Een mooie jonge vrouw

Pijnlijke gevoelloosheid

Dit is een estafetterecensie. Gaandeweg de Boekenweek verschijnen hieronder bijdragen van andere recensiewebredacteuren. John Hermse begint. Lees daaronder ook de mening van Annette Jenowein, Daan Stoffelsen, Claudia Zeller en Peter Hoffman.

Met Een mooie jonge vrouw gaf Tommy Wieringa zijn boekenweekgeschenk een titel die de lading niet dekt, maar wel goed gekozen is. De lezer staat op het verkeerde been, net als de vertwijfelde oude man die eigenlijk de titelrol speelt in deze soap, pardon: dit pakkende midlife-drama.

Voor Edward Landauer moet er een dikke witte kip aan te pas komen om zijn ogen te openen. Tientallen aidsdoden heeft de microbioloog al aan zich voorbij zien trekken, tien miljoen varkens werden geruimd na uitbraak van de varkenspest en 35 miljoen kippen om de vogelgriep buiten de deur te houden.

Het liet hem allemaal koud. Maar de herinnering aan de kip die hij op zijn zestiende wilde redden van haar ellendig lot in een kippenschuur, die doet hem 35 jaar later beseffen dat hij eens een hart had, en nu niet meer: hij lijdt al jaren aan wat neurologen anesthesia dolorosanoemen: pijnlijke gevoelloosheid.

Kookboeken Nieuws

Wie heeft hem nou al die jaren zand in de ogen gestrooid? Hijzelf natuurlijk, maar wel aan de hand van Ruth Walta, de mooie jonge vrouw die hij op zijn 42ste stormachtig het hof heeft gemaakt. Hij ziet zichzelf als een oude man; een oude man met een vrouw die elke andere man ook wel wil, een sceptische schoonvader en een kinderwens waaraan hij slechts met de grootste moeite kan voldoen omdat zijn zaad halfdood is.

Soapserie

Dát is zijn probleem, maakt hij zichzelf wijs: die mooi jonge vrouw en de steeds oudere man waarin hijzelf verandert, die meent dat hij de ’weeffout’ van zijn huwelijk moet herstellen, ‘de voortdurende krenking die zijn leeftijd was’ teniet moet doen.

Tot zover heeft Tommy Wieringa van zijn boekenweekgeschenk een verhaal gemaakt dat niet meer lijkt te zijn dan een relaas over een man die worstelt met werk, huwelijk en ouderdom. En met een huilbaby op de koop toe, want ook dat krijgt de arme Edward Landauer nog te verstouwen.

Nog een probleem erbij, nog meer zand in de ogen, van Landauer én van de lezer, die alleen maar bevestigd lijkt te worden in zijn idee dat hij middenin een stijlvol beschreven penopauze verzeild is geraakt. Als Landauer dan ook nog eens in de armen belandt van een jongere collega lijkt Een mooie jonge vrouw te verzanden in een soapserie op papier.

Maar tegen die tijd heeft Wieringa de reddingspoging van zijn boekenweekgeschenk al lang ingezet, een poging die naarmate het verhaal vordert steeds geslaagder begint uit te pakken. Wieringa laat de lezer bijtijds weten dat er met zijn hoofdpersoon meer aan de hand is dan de midlifecrisis van een echtgenoot en zijn te jonge en te mooie vrouw.

Maar daar zet hij wel diezelfde mooie jonge vrouw voor in. Landauer mag haar dan blijven zien als een levensgevaarlijke verleidster (‘Een wezen dat ongeluk brengt voor wie haar gezang volgt,’ klinkt het al tijdens hun eerste roeiafspraakje), zij is het ook die hem aan het verstand probeert te peuteren dat hij het zelf is die de ‘bevrijding en triomf’ van hun eerste ontmoeting heeft laten omslaan in ‘angst en verwarring’.

Spiegel

Probeert Landauer in eerste instantie al zijn problemen op haar af te wentelen, gaandeweg de novelle verandert Ruth Walta in een spiegel die Landauer een steeds genadelozer beeld voorschotelt van wie hij echt is. Daar komen ook weer dieren aan te pas, geen dikke witte kip, maar krijsende slachtvarkens. In een Amerikaans skioord vertelt Ruth haar man over een logeerpartij in haar jeugd die de aanzet gaf tot haar vegetarisme:

‘Die nacht was de grens tussen haar en al het andere dat leefde op deze aarde opgeheven, en als dat eenmaal gebeurd was, kon je nooit meer terug. Er was geen afstand tussen het meisje dat verdriet voelde over deze dingen en de vrouw die hem haar herinneringen vertelde in de sneeuw.’

Het staat er daar nog niet zo nadrukkelijk, maar het moge duidelijk zijn: zo zit Edward niet in elkaar, integendeel. Met een stapel vegetarische kookboeken probeert hij nog te ontkennen dat hij uit een heel ander hout is gesneden:

‘Hij deed zijn best om zich in te leven in het zielenleven van een meisje van negen, maar dacht soms met gevoelens van spijt terug aan de dingen die uit zijn keuken verdwenen waren, de scaloppine al limone en de lamskoteletten met een korst van broodkruim en Parmezaanse kaas, gerechten waarmee hij indruk had gemaakt.’

In de spiegel die Ruth hem voorhoudt blijkt Edward een man te zijn die zich aanvankelijk wat neerbuigend opstelt tegenover zijn jonge vriendin (‘Wist ze dat ze een beendroge apremont dronk, perfect voor een gelegenheid als deze?’), maar die er geleidelijk achterkomt dat zij meer een persoon uit een stuk is dan hijzelf. Zijn keuze voor de microbiologie maakte hij ooit nog wel uit idealisme, maar als gearriveerd wetenschapper kiest hij zonder blikken of blozen voor het geld van de farmaceutische industrie. Illustratief is zijn teleurstelling over Ruths weigering ooit nog mee te gaan naar een luxueus medisch congres in de sneeuw.

‘De reizen, de hotels met hun lambrisering en spiegelwanden, ze hoorden thuis in zijn voorstelling van het leven dat ze samen zouden hebben. Nu had het hem verdacht gemaakt.
Ze zag de klem rond zijn kaken, ze wachtte op de uitbarsting, maar toen hij zijn ogen opende had hij zijn woede uit het zicht gewerkt. Langzaam zei hij: “Je neomarxistische vrienden zullen trots op je zijn. Maar ik ben… not amused.”’

De spiegel staat recht voor hem, maar Edward blijft hardnekkig weigeren er in te kijken. En als hij zich al bewust lijkt te worden van de echte kloof tussen hem en zijn vrouw, weet hij niet wat hij daarmee aan moet, zoals blijkt tijdens de bevalling van hun zoon Morris:

‘Daar was zij en hier was hij, machteloos en nutteloos. Hij kon de grens niet oversteken. In haar wereld leek bijna iedereen daartoe in staat, zij en haar vrienden waren principieel verbonden met het lijden van de wereld, uitgesplitst in deelgebieden als onderdrukte vrouwen, politieke gevangenen, proefdieren, consumptiedieren en Tibetanen. Hun leed trof hen direct, emotioneel, hun zenuwstelsel was met dat van anderen verknoopt. De pijn van een ander was een voorwaarde voor een zinvol bestaan.’

Voor de lezer wordt het steeds duidelijker wat er scheelt aan Landauer, want Wieringa is wel een schrijver de ervan houdt de zaak lekker vet aan te zetten, ook in zijn stijl (‘hij verdwaalde in de pelagische leegte van hun zachte ogen.’) Maar het werkt wel: de roeiscène waarin Edward en Ruth elkaar vinden, druipt van romantiek en geilheid, juist door de manier waarop Wieringa het opgeschreven heeft. En de afstand tussen de lezer die steeds beter weet wie Edward Landauer echt is, en diens weigering tot zelfinzicht, geeft Een mooie jonge vrouw een spanning die dit boekenweekgeschenk ver doet uitstijgen boven het melodrama dat het aanvankelijk leek te zijn.

Stoner in de polder

door Annette Jenowein, 10 maart 2014

Het lezen van een novelle heeft al vanaf het begin iets feestelijks; je hoeft geen 800 pagina’s door te worstelen om te weten te komen hoe het met de held afloopt. Aan de andere kant heeft het lezen van een dun boekje iets dwangmatigs; je legt het niet makkelijk weg, want over luttele pagina’s zul je weten hoe het de held vergaat. ’s Avonds voor het slapengaan aan een slechts 96 pagina’s tellend boekje beginnen is als de befaamde bonbondoos van Kees van Kooten: je mag er eentje, nou vooruit twee dan. En een derde om het af te leren. Voor je het weet is de doos leeg en de nacht al een heel eind gevorderd.

Het boekenweekgeschenk van Tommy Wieringa begint met een mierzoete bonbon: het romantische verhaal van de aantrekkingskracht van een mooie jonge vrouw op een rijpe man. Verder is ook al het andere in orde: de man is succesvol en bekend in de tot de verbeelding sprekende wetenschappelijke wereld, de vrouw is een pure en oprechte schoonheid uit de Friese polders. Hun eerste afspraakje is al niet minder oké: in een roeibootje peddelen ze door een irreëel landschap van dromerige weilanden en bossen op vlak water, waarlangs schitterende landhuizen zich loom staan te spiegelen in de kalme rivier. Op een geruite plaid in de late zon genieten ze van de verrukkelijke inhoud van de picknickmand die hij helemaal zelf heeft klaargemaakt. Goeie genade, je zoekt er een paar mooie stockfoto’s bij en het kan zó in de Margriet.

Het meisje – bruine benen, een witkatoenen jurk – de man met nog net niet grijze slapen wijden elkaar in hun levens in. Hij vertelt over zijn boeiende congressen in interessante wereldsteden, zij over haar studie sociologie die maar niet wil vlotten – ik zou het zelf geschreven kunnen hebben. Je kunt aan je klompen aanvoelen dat dit natuurlijk ergens grandioos mis moet gaan.

Ragfijne stukjes poëzie

En dat doet het dan ook. Niet alleen met het benijdenswaardige stel, waarvan niet erg duidelijk wordt wie van de twee nu precies psychotisch gedrag vertoont, maar ook met Wieringa zelf. Met zijn motieven is niks mis; de tegenstelling tussen de twee hoofdpersonen is prachtig uitgewerkt en geeft de lezer alle ruimte om erop los te associëren, identificeren en differentiëren: Man: op leeftijd, beroemd, vleeseter. Vrouw: jeugdig, natuurlijke schoonheid, vegetariër. Zijn heroïsche werkterrein – aidsbestrijding, vogelgriep – roept onontkoombaar associaties op met de dood: duizenden aidsdoden, biljoenen stuks geruimd pluimvee. Haar werk – het adviseren van de overheid inzake bescherming van de kansarmen van deze samenleving – is juist gericht op het redden van bepaalde groeperingen. Ook over Wieringa’s stijl niets dan goeds; hij is een meester in het verzinnen van originele metaforen, de ene keer in de vorm van ragfijne stukjes poëzie die ontroeren,

‘Het zou nooit gebeurd zijn, of zoiets worden als de herinnering aan een boek dat je als kind las, waarvan je de sfeer nog kon oproepen maar waaruit de gebeurtenissen waren vervluchtigd.’

de andere keer als rake typeringen waarbij je in de lach schiet:

‘Woorden die op vlezige plompe vleugels door de kamer flapten.’

Showing en telling zijn perfect in balans, in een goed getimede afwisseling tussen stukken waarin jaren overbrugd worden en situatieschetsen waarin je met je neus op de gebeurtenissen wordt gedrukt.

Waar ik echter een beetje mee zit is de Leon de Winteriaanse wijsgerigheid die uit de pagina’s opstijgt. Wieringa strooit met moeilijke woorden die je eigenlijk in een woordenboek moet opzoeken, voordat je verder kunt lezen. De medische wereld is een intrigerende biotoop met een eigen vertoog en je kunt heus zien dat Wieringa prima research heeft verricht – alsof hij zelf in die glanzende hotels logeerde op kosten van die verwerpelijke farmaceutische industrie –  maar om de lezer nou te epateren met woorden als taxonomie – ja zoekt u het maar even op, zelfs de Dikke Van Dale komt er niet echt uit – nociceptieve keten van zoogdieren en de slaapdeprivatie – ervaar ik toch als een teken dat je je niet echt om je lezers bekommert.

Succesformules

Verder deed het begin van het boek me hinderlijk sterk denken aan Herman Kochs bestseller Het Diner – twee echtparen zitten aan het diner – en leek het verhaal me een slap aftreksel van die andere megahit: Stoner van John Williams. De plot van Een mooie jonge vrouw is een soort Stoner in de polder, want lijkt zelfs geheel gebouwd op het basispatroon van deze geschiedenis van een man die zich laat overspoelen door de gebeurtenissen in zijn leven, maar daartegen niets onderneemt. Er is natuurlijk niks mis met het beproeven van succesformules, maar van een boekenweekgeschenk verwacht je toch iets originelers, bedoeld als het is om op een toegankelijke manier mensen tot de literatuur te verleiden, ook de niet-lezers.

Ik kom er niet uit. Een mooi jonge vrouw is prachtig geschreven en zuigt je vanaf de eerste regels in het verhaal om je 96 pagina’s lang niet meer los te laten. Maar tegelijkertijd bekruipt je de gedachte dat je bij de neus genomen wordt door een virtuoos die het gemak waarmee hij de plot bij elkaar heeft geassembleerd zoetjes toedekt met een dosis intellectueel gezwatel, waardoor je na lezing amechtig in de kussens hangt.

Het is eigenlijk zoals Wieringa het zelf verwoordt op pagina 55:

‘Als hij thuiskwam, wist hij niet of hij Zhuang Zhou was die droomde dat hij een vlinder was of een vlinder die droomde dat hij Zhuang Zhou was (…).’

Dat Wieringa dit citaat ook nog eens opneemt in zijn pleidooi voor de roman in de Volkskrant-bijlage Sir Edmund van 1 maart 2014 maakt mijn vertwijfeling alleen maar groter.

En waar is dat andere echtpaar uit het begin van het verhaal gebleven? Zijn die soms vakkundig geruimd?

Een impotente seksscène en een krachtig stierenbeeld

door Daan Stoffelsen, 12 maart 2014

Het begint als een romantisch verhaal, schrijft Annette Jenowein. De openingsscènes van de liefdesgeschiedenis ‘druipt van romantiek en geilheid’, schrijft John Hermse. Waar en niet waar.

Wie Caesarion (2009) las, stuitte al op pagina één op deze scène: ‘… op de verende bosgrond zag ik haar, ze bereed een bewegingloze oude man. Hij had zijn broek half uit en keek met glazige angst naar haar op, naar haar grote witte borsten die op en neer sprongen, haar vuurrode gezicht.’ Wie de eerste seksscène uit het boekenweekgeschenk met die kennis leest, ziet een bijna volkomen omkering:

‘Ze liggen op het vochtige bed van gras en mos en beminnen elkaar langzaam, met de schroom van lichamen die nog niet vertrouwd zijn met elkaar. Nu al, nu al, klinkt het in hem. Haar bereidheid maakt hem duizelig van geluk. De verrukking in zijn keel om haar jonge lichaam, een lichtvlek op de bosgrond. Er sluipt haast in zijn bewegingen, honger. Hij vergeet zijn ervaring, haastig als een jongen likt hij haar buik, haar zoute geslacht, grenzeloos alsof hij te veel gedronken heeft. Later, als hij in haar binnengedrongen is en op zijn armen steunt, kromt ze zich onder hem. Hij stoot in haar, ze lacht en zegt “ben je daar eindelijk”. Haar ervarenheid verrast hem, hij is vergeten dat mensen van haar leeftijd alles al weten.’

Maar eigenlijk volstaat de scène zelf, die niet zo zuiver is als de romantiek, de idealen en de teloorgang die Wieringa schetst in Een mooie jonge vrouw. Er zit herhaling in (‘ervaring’, ‘haast’ – ‘haastig’, ‘jonge – jongen’), ontdekte ik toen ik hem zin voor zin kopieerde. En de frisse frases worden afgewisseld met belegen beelden: op ‘de schroom van lichamen die nog niet vertrouwd zijn met elkaar’ volgt ‘duizelig van geluk’. Op het mooie ‘een lichtvlek op de bosgrond’ volgt haar ‘zoute geslacht’. En er zit een alliteratie in, vooral g-klanken. Schroom, lichamen, geslacht, grenzeloos, gedronken, ze lacht en zegt. En rijm: ‘Hij is vergeten dat mensen van haar leeftijd alles al weten.’

Vieze scènes

Het loopt lekker, te lekker. Het is lyrisch proza dat als poëzie niet zou voldoen. Noem het gemierenneuk, maar juist als Wieringa hoog grijpt, wordt zijn taal algemeen, slordig. Als je echter verder zoekt naar vieze scènes, dan zie je dat het ook strak en hard kan:

‘Ze deden het staand tegen de muur, ze ademde zwaar in zijn hals. Hij neukte haar hard en straffend. Met zijn ejaculatie overwon hij de man met de cowboylaarzen en ook de vader, en voerde haar weg van hier. De stier met het meisje op zijn rug.’

Goed zo. Geen geouwehoer. En die stier: Zeus en Europa. Dat verwijst naar deze foto van Edwards geliefde:

‘Een kampioenskoppel, de stier en het meisje. Het beest was ontzagwekkend, maar Edward kon niet ophouden naar Ruth te kijken. Nauwelijks twaalf, dertien. Hij zou haar toen al radeloos begeerd hebben.’

Maar misschien ook naar een eerdere passage:

‘Ze verstomde hem. De zonneschijf tussen de horens van de kleine, volmaakte apisstier, lang geleden in een museum in Damascus. Iemand had die gemaakt, duizelingwekkend lang geleden, handen als de zijne hadden het brons zo perfect gegoten. Gaandeweg was het hem beginnen te dagen dat ook schoonheid pijn kon toebrengen, juist schoonheid; hoe ze kon snijden met licht.’

Schoonheid en pijn! Duizelingwekkend. Grote, lege woorden: Wieringa vermijdt ze niet, maar als kapstok van de gebeurtenissen zijn ze effectief. En het beeld van die handen maakt veel goed, een Pygmalionmotief. Of een Daedalusmotief? Europa baarde Minos, die trouwde als koning van Kreta met Pasiphaë, die verliefd werd op een stier. Daedalus (die van Icarus) vond iets uit waardoor de stier haar kon bevruchten – en zij de Minotaurus baren zou. Schoonheid, pijn en voortplanting. Want Edward en Ruth willen een kind.

Eigen en andermans pijn

Laatste verwijzing. Edwards minnares trekt zijn horoscoop: ‘Grappig. Dan ben je ouder dan [mijn moeder]… Een stier zeker.’ De fokstier is vervangen door een sterrenbeeld, niet tastbaar en potent als Edward zich had voorgesteld, maar zweverig, zwak. Zo, afdalend van de concrete Ruth en zijn identificatie met de fokstier naar een wankele staat waar pijn voelbaar en invoelbaar is, wordt Edward ook zelf mens. Hij ervaart niet die ‘glazige angst’ uit Caesarion, maar wordt wel overrompeld door de omstandigheden, de kennis achteraf, en eigen en andermans pijn. Die ontwikkeling weet Wieringa heel geloofwaardig en zonder simplificatie te schetsen. ‘Soap’ is in dit verband een uittrekselkwalificatie; er valt meer dan dat in dit boek te lezen.

Op zinsniveau is Wieringa me af en toe te wollig, te veel van grote woorden, zoals in de epische vluchtelingenhoofdstukken van Dit zijn de namen. Maar deze novelle klopt. Wieringa gooit een dozijn ballen in de lucht, vangt ze op, gooit weer – en af en toe verdwijnt er een. Wie niet te veel op zijn handen let, wordt beloond met een literair spektakel.

De kont waarmee alles begint

door Claudia Zeller, 14 maart 2014

Ik kan me heel erg vinden in de typering van Annette Jenowein. Een novelle heeft inderdaad iets feestelijks, en dan niet alleen omdat je een novelle in een ruk kunt uitlezen en alsnog wat uurtjes slaap te pakken krijgt. Het feestelijke karakter van een novelle ligt voor mij ook besloten in Goethes typering ervan als ‘unerhörte Begebenheit’: verontrusting op de vierkante centimeter, een strijd tussen orde en chaos die zich manifesteert in een singuliere gebeurtenis. In die zin begint Een mooie jonge vrouw veelbelovend: twee echtparen die aan tafel zitten, de ideale omstandigheden voor een raamvertelling.

Jenowein geeft al aan dat deze opzet op enkele punten tekortschiet, John Hermse noemt het een literaire soap en Daan Stoffelsen wijst terecht op het soms wollige taalgebruik van Wieringa, zijn hang naar grootse woorden en gebaren. Maar naar mijn idee schiet de novelle ook op een ander punt tekort, namelijk in de manier waarop de verhouding tussen Edward en Ruth vorm krijgt.

Het begin van de Boekenweek viel dit jaar op 8 maart, Internationale Vrouwendag. Misschien was ik er daarom extra gevoelig voor, misschien kwam het door het tenenkrommende stuk van Jamal Ouariachi over vrouwelijk schrijverschap in Vrij Nederland en de prachtige reactie van Lieke Marsman op de blog van Tirade.

Valkuil

Hermse schrijft dat Ruth Edward een spiegel voorhoudt. Dit zou betekenen dat Ruth allesbehalve een autonoom subject is. Ruth is passief; een mooi, onschuldig meisje dat door een man van de wereld versierd wordt. Deze dynamiek speelt op allerlei niveaus: ‘hij werd niet jonger van haar, zij werd ouder van hem.’ De blik van Edward construeert Ruth als de ander, ‘een lichtvoetige, heidense godin’. Wieringa typeert het feminiene op allerlei fronten als iets dat niet te bevatten en daarmee niet te vatten is. Die geconstrueerde kloof tussen het masculiene en het feminiene, gemaskeerd als kloof tussen ouderdom en jeugd, is voor mij de valkuil van de novelle.

Bij vlagen deed Edward Landauer me denken aan een ander notoir personage uit de literaire canon dat op jonge meisjes valt: Nabokovs Humbert Humbert, die in de ban raakt van de pas twaalfjarige Dolores Haze, beter bekend als Lolita. Vergeleken met de eersteklasschurk Humbert Humbert is Edward Landauer slechts een slap aftreksel, worstelend met het ongrijpbare en het onbegrijpelijke: ‘Hij had, dacht hij, nog altijd niet het gevoel dat ze van hem was. Alsof hij haar niet veroverd maar door diefstal verkregen had.’ Wanneer Ruth tekenen van verzet toont en probeert het gesprek op gang te brengen, is het antwoord van Edward vaderlijk, en ook enigszins neerbuigend: ‘Je neomarxistische vrienden zullen trots op je zijn. Maar ik ben… not amused.’

Plaatjesboekleven

Met de geboorte van hun zoon Morris lijkt het verhaal, dat lange tijd voortdobbert en niet echt ergens heen lijkt te gaan, eindelijk aan vaart te winnen. Ook worden de machtsverhoudingen op scherp gezet. Ruth wijst Edward aan als de oorzaak van Morris’ onrust en onophoudelijke huilbuien. Edward vlucht het huis uit, slaapt op kantoor en verzinkt steeds meer in een staat van ontreddering. Het plaatjesboekleven dat hij met Ruth leidde vertoont scheuren, maar over Ruths motivatie en gedachtes komen we nauwelijks iets te weten.

Ook is mij tot op de laatste bladzijde niet duidelijk wat nou precies die ‘unerhörte Begebenheit’ zou moeten zijn: de geboorte van Morris, de uithuisplaatsing van Ruths broer Friso en diens zoontje Hunter, de affaire van Edward met zijn assistente… ik kom er niet uit. Want de onmogelijkheid om je in de ander te verplaatsen – een kernthema van de novelle – lijkt op het einde overkomelijk, maar uiteindelijk blijft Edward op de drempel staan. Dit blijkt ook uit de afsluitende passage, een monoloog die hij voor zijn studenten houdt. Voor even lijkt het alsof Edward het bestaan van de ander in al zijn facetten begrijpt, dat hij de pijn en het ongeluk van andere wezens kan bevatten, dat er een ‘samen in de wereld zijn’ mogelijk is. Maar uiteindelijk slaagt hij er niet in de kloof tussen zichzelf en de wereld daadwerkelijk te overbruggen:

“‘Meneer?’”, zei een meisje. Hij weerde haar af met zijn hand. De zaal stroomde leeg, bij de uitgang stonden nog een paar studenten bij elkaar en staarden naar de huilende man op het podium, tot ook zij de gang op liepen en verdwenen, de zomer tegemoet.’

 

De kip die niet weet hoe je kip moet zijn

door Peter Hoffman, 16 maart 2014

Wat vooral opvalt bij herlezing van Een mooie jonge vrouw (ja, want ook dát is het feestelijke van de beperkte omvang: dat je het geschenk in korte tijd nog eens kunt lezen) is hoezeer het verhaal doortrokken is van superieure ironie. Niet alleen ná dat omslagpunt waaraan hierboven gerefereerd wordt, als Wieringa inderdaad nog eens een tandje bij zet, maar van meet af aan. Laat je je misschien de eerste keer nog in de luren leggen door het soapachtige begin (John Hermse), dat door de zoetige romantiek zó in de Magriet kan (Annette Jenowein), als je gewapend met kennis van het vervolg aan een tweede lezing begint, dan zie je onmiddellijk dat het Arcadia van de twee kersverse gelieven bezaaid ligt met angels en voetklemmen.

Als een zelfbewuste auteur als Wieringa zijn pen doopt in siroop, dan moet je sowieso al op je hoede zijn. Maar de lezer wordt een handje geholpen. Edward en Ruth passeren tijdens hun pastorale boottochtje een waarschuwingsbord:

‘EIGEN TERREIN. NIET AFMEREN.’

Als Ruth vervolgens dan toch van boord stapt, overtreedt ze niet alleen een verbodsbepaling, maar dringt zij ook het gepantserde domein van Edwards leven binnen. Als een sirene lokt ze haar Odysseus mee aan wal:

‘Ze verdwijnt tussen de hoge, gladde stammen, haar witte haren lichtgevend en lokkend. Een wezen dat ongeluk brengt voor wie haar gezang volgt, steeds dieper het woud in.’

‘Ben je daar eindelijk?’ vraagt ze op het moment dat Edward op haar ligt. Een ongeduldige minnares, of een schikgodin die Edward zijn fatum aanzegt?

Noodlottig verband

Een onschuldig lief meisje is zij dus bepaald niet, maar Claudia Zeller heeft helemaal gelijk als zij in Ruth eerder een vrouwelijk archetype ziet dan een personage van vlees en bloed. Ik vind dat niet zo bezwaarlijk, omdat dit zo effectief bijdraagt aan wat Wieringa’s voornaamste bedoeling zal zijn geweest: de tragische val van Edward Landauer in een noodlottig verband plaatsen.

En sterker dan aan Humbert Humbert deed Edward me denken aan twee andere onfortuinlijke maar onvergetelijke heren uit de moderne Nederlandse literatuur: Jörgen Hofmeester uit Tirzaen Siem Sigerius uit Bonita Avenue, die in zekere zin Landauers literaire tweelingbroers zijn. Alle drie zijn het mannen van middelbare leeftijd in bonis, maatschappelijk geslaagd, die op een moment in gevecht raken met zichzelf en de wereld, en uiteindelijk met lege handen komen te staan. Wieringa had aanzienlijk minder ruimte tot zijn beschikking dan Grunberg en Buwalda, maar hij weet elke millimeter van het papier te benutten om van zijn hoofdpersoon een voldragen karakter te maken. Dat dan sommige verhaallijnen wat schetsmatig blijven, neem ik graag op de koop toe.

Alles draait om Edward, zo denkt ook Edward zelf, maar Edward is een statisch middelpunt. Catatoon, noemt de verteller dat ergens (ja, Annette Jenowein, dat moest ik inderdaad even opzoeken). Als viroloog is hij dagelijks in de weer om woekering en mutatie tegen te gaan, maar in zijn eigen leven is alles tot stilstand gekomen. Met zijn halfdode zaad blijkt hij warempel nog in staat om zijn vrouw een kind te schenken, maar dat klusje dat daarvoor nodig is kan hij alleen klaren door in gedachten zijn vinger in de anus van zijn minnares te steken. Een nogal banaal beeld misschien, maar treffender kun je de steriliteit van deze conceptie niet beschrijven. Met de geboorte van huilbaby Morris is intussen Landauers lot bezegeld. ‘Hij was de ziekte van hun kind.’ Hoe unerhört kan een Begebenheit zijn?

Welterusten

Even lijkt het er op dat Edward van de weeromstuit uit zijn harnas breekt en zijn hart hervindt. Hij gaat er zelfs toe over om de proefdieren in zijn laboratorium ‘welterusten’ te wensen. En waarom had hij niet aan die kip gedacht tijdens zijn gesprekken met Ruth, wanneer zij hem weer eens gevoelloosheid verweet? Hij, die zo weinig herinneringen aan zijn jeugd bewaart, deelt de anekdote dan maar tijdens een hoorcollege met zijn studenten:

‘Toen ik haar meenam uit die stal en haar een leven gaf tussen de andere kippen in de achtertuin, kon ik niet weten dat ze onmogelijk kon samenleven met de anderen, die wel gesocialiseerd waren. (…) Ze wist niet hoe ze moest leven tussen haar soortgenoten, die wel wisten hoe dat moest, kip zijn.’

Is het eigenlijk wel zo vreemd dat, zoals Claudia Zeller hierboven constateert, Edward op de drempel blijft staan, en er niet in slaagt de kloof tussen zichzelf en de wereld te overbruggen? De tranen die hij ten overstaan van zijn verbouwereerde studenten vergiet, duiden niet op de hergeboorte van zijn medegevoel. Hij huilt uit zelfmedelijden.

Want die kip, het dier dat niet weet hoe je kip moet zijn, dat is Edward zelf. Van die witte, eens zo viriele stier die Europa op zijn rug ontvoert, resteert nu slechts een witte, inerte kip, ‘nauwelijks tot bewegen bereid’.

Zelfmedelijden, en zelfinzicht op de koop toe. Meer zit er niet in voor Edward Landauer.

Titel

  • Een mooie jonge vrouw

Auteurs

Vertaling van

Vertaler

ISBN

  • 9789059652347

Uitgeverij & Jaar

  • CPNB 2014

Aantal Pagina's

  • 96

Beoordeling:

  • (4)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Het elfde uur
Democratische zelfverdediging
Fields of Battle

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles