, Artikel door:
Auteur(s) boek:

Kamermensen

Surrealisme in een kijkdoos

Wie in schrijversland met zijn tijd mee wil gaan, introduceert z’n nieuwe boek in een heuse romantrailer. Zo ook Annemarie de Gee, die haar prozadebuut Kamermensen vatte in het bekende minuutje van flitsende close-ups en donkere shots (bekijk de trailer hier). Die keuze voor een trailer is bij dit boek zo gek nog niet. De Gee schiep een surrealistisch scala aan beelden, scènes, tragedies en komedies dat zich met de snelheid van een pakkende trailer uitvouwt binnen de muren van één en dezelfde hotelkamer. Kamermensen is als een snelle blik in een kijkdoos met daarin een schim van de gekke werkelijkheid buiten die ene kamer.

‘Verhalen,’ prijkt er op de titelpagina, maar al snel blijkt dat Kamermensen geen verzameling losse vertellingen is. Enkele verhalen groeien zelfs uit tot een verhaallijntje, verspreid over twee of drie losstaande hoofdstukken of ‘verhalen’. Een vaste, neutrale hotelkamer vormt het gemeenschappelijke decor van alle scènes. De ruimte is nadrukkelijk blanco. Dit blijkt ook uit de vele scènes die anders geen mens in een hotelkamer zou situeren: een uitgebreid feest, inclusief catering en drank (in het verhaal ‘Feest’), of een verhit spelletje Twister tussen drie volwassen broers (in ‘Familie’). En na vier á vijf verhalen maakt het terugkerende Poolse kamermeisje de ruimte weer schoon en leeg: de troep van de vorige bezoekers verdwijnt in de coulissen, nieuwe personages mogen op, rekwisieten kunnen blijven staan.

De proloog van Kamermensen verklapt de overdrachtelijkheid van de scènes die volgen. In die inleiding ligt ‘de mens’ in bed en worstelt hij met wakker worden, naar buiten gaan, het leven onder ogen zien. De Gee geeft direct blijk van een zekere Campertiaanse fijnzinnigheid:

‘Er was niemand die hem overhaalde de deur uit te gaan en de onbekende stad in te lopen. Daar zou hij geld aan een zigeunerbandje op het marktplein gegeven hebben, hij had kunnen lachen met meisjes op hoge hakken en hij zou geweten hebben hoe een broodje rookworst met mosterd smaakt.’

Wandelmagazine

Maar nee, de mens blijft veilig in bed liggen. Hij beseft ‘dat hij maar beter snel aan deze wereld kan wennen’ en de mens slaapt weer in. Maken de scènes die volgen misschien deel uit van een droomwerkelijkheid? De wereld buiten komt in een surrealistisch concentraat naar binnen, de hotelkamer in. ‘De mens is klein in zijn dromen en gloeit totdat hij ontwaakt’. De metriek klopt, de proloog klopt, de toon is gezet.

Niettemin behoudt die werkelijkheid buiten een zekere aantrekkingskracht voor de vele ‘kamermensen’ die de ruimte betreden. Herhaaldelijk worden de ramen wagenwijd opengezet, de gordijnen weggeschoven, van de roede gehaald, eenmaal zelfs bijna gestolen en andermaal treft het kamermeisje de roede half uit de muur getrokken aan. Het toppunt van deze metaforiek wordt beschreven in ‘Een nacht’, waarin een vrouw ‘s nachts door de hotelkamer hinkelt tot zij zich verschuilt in het grijze gebied tussen gordijn en glas, het niemandsland tussen binnen en buiten.

Tegelijkertijd wordt die grote wereld buiten uitvergroot in de hotelkamer. De ramen van de kijkdoos fungeren als vergrootglas op bekende thema’s in die wereld, zoals liefde, erotiek, afscheid, dood. Mooi is het portret ‘Vader en dochter’, waarin de dochter inziet dat ze behalve de hotelkamer eigenlijk alleen nog een verleden deelt met haar vader. Mooi is ook het huwelijk dat samengevat wordt in slechts twee losstaande verhalen, getiteld ‘Het einde’ en ‘Het begin’ (in die volgorde). Aangrijpend tot slot is het kleine, eerlijke ‘Afscheid’. ‘De kamer is de wereld, ik ben maar een mug’, beseft de ik-figuur gefrustreerd.

Naast dergelijk traditionele thema’s confronteert Kamermensen je voortdurend met rauwe, surrealistische en niet zelden humoristische scènes, en die afwisseling werkt vervreemdend. Van een ander slag zijn bijvoorbeeld de moreelkritische verhalen, waarin een draagmoeder aan de lopende band haar kinderen verkoopt en in een kartonnen doos meegeeft, of waarin een American Psycho-achtige Johnnie inbreekt in de kamer, een vrouw vastbindt, voor haar in alle rust een kopje rooibosthee zet en de vrouw vervolgens ‘verkracht’ met zijn pistool. Tussen aanhalingstekens, want ze vindt het nog fijn ook.

De Gee experimenteert soms te veel met verteltrant of met stijl, waardoor het geheel een veelvormig ratjetoe dreigt te worden. Bovendien is de hotelkamersetting in sommige verhalen wat te gezocht, omdat de ruimte nauwelijks ter sprake komt. Het zijn echter schoonheidsfoutjes op een verder kranig debuut. Kamermensen is een treffende kaleidoscoop (vergeef me het cliché) op de veelkleurige, soms surrealistische wereld achter onze gordijnen. De Gee hanteert een rake stijl waarin ze moeiteloos schakelt van poëtische subtiliteiten naar rauwe, directe beschrijvingen. Met name de zeer eigen metaforiek maakt haar debuut tot een speels en soms ondoorgrondelijk werkje. Ik noem bijvoorbeeld: de vele terloopse verwijzingen naar surrealistische kunstenaars als Dalí en Picasso, de voortdurende kenschets van de man als agressief, primitief monster (gechargeerd), de wonderlijke aaneenschakeling van zinnen in het terugkerende ‘Moment voor de slaap’; de roman reikt je voortdurend de hand, om ‘m meteen daarna weer weg te trekken. En dat – welja, ik zeg het boudweg – dát is kunst.


Eerder verschenen op Recensieweb

Titel

  • Kamermensen

Auteurs

Vertaling van

Genre

ISBN

  • 9789020412154

Uitgeverij & Jaar

  • AtlasContact 2012

Aantal Pagina's

  • 176

Beoordeling:

  • (4)

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Angst. Trump in het Witte Huis
Zwerkbal door de eeuwen heen
Simeliberg

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles