, Artikel door:
Auteur(s) boek:

Tegen de decadentie

De democratische rechtstaat in verval volgens Paul Cliteur

In zijn boek Tegen de decadentie. De democratische rechtstaat in verval verdedigt Paul Cliteur iets waar ik het mee eens ben: de democratische rechtstaat als hét kader voor een multiculturele samenleving. Daarvoor is integratie van de nieuwkomers (lees: het onderschrijven van de beginselen van die rechtstaat) een noodzakelijke voorwaarde.

Helemaal akkoord. Cliteur breekt verder een lans voor de scheiding van kerk en staat en voor een seculiere publieke cultuur. Ook geen probleem. En toch heb ik zijn boek met stijgende verbazing en toenemende ergernis gelezen. Hoe komt dat? Hoe lukt het Cliteur om een meer dan potentiële medestander zo tegen zich in het harnas te jagen?

Het begint al met de titel. Via de gemeenplaats ‘decadentie’ levert Cliteur zich bij voorbaat uit aan een geijkt cultuurkritisch schema, dat klakkeloos wordt gevolgd. De democratische rechtstaat is in verval omdat haar beginselen worden verwaarloosd en daarom moeten we terug naar “de zuivere grondslagen van het systeem”. Die grondslagen liggen in de Verlichting, waarvan Cliteur de oorsprong in het oude Griekenland ontwaart. Dus terug naar de Grieken!

Ook dat is een gemeenplaats, maar om die Grieken acceptabel te maken voor zijn eigen liberale doeleinden blijkt enige geschiedvervalsing onontkoombaar. Zo ‘verlicht’ bedoelt, maar dat het christendom niets heeft bijgedragen aan de vorming van de democratische rechtstaat lijkt me op historische gronden moeilijk te verdedigen. En dat het niet met de Griekse cultuur zou kunnen samengaan is zelfs klinkklare nonsens. Het christendom is een combinatie van Griekse en joodse elementen, en heeft als zodanig een langer en vitaler leven achter de rug dan de kennelijk nu al in verval geraakte rechtstaat, die Cliteur van christelijke smetten vrij wil pleiten en houden.

Wandelmagazine

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk om het verleden niet vanuit een hedendaags perspectief te bezien, maar je hoeft het niet zo bont te maken als Cliteur, die aan zijn voorkeur voor de seculiere staat al zijn historische scrupules (voor zover aanwezig) heeft opgeofferd. En dat terwijl het hem eigenlijk niet eens om het christendom te doen is, maar om de islam. Het grote probleem is alleen dat de rechtstaat die Cliteur verdedigt discrimineren verbiedt, en dus moet ook het christendom eraan geloven, hoewel dat tegenwoordig in Nederland geen enkel gevaar voor de rechtsorde vertegenwoordigt. De islam – misschien of waarschijnlijk – wèl. Vervelend is het in elk geval, die injectie van religieuze orthodoxie met alle daarbij horende kleinzieligheid in een goeddeels geseculariseerde samenleving. Al was het alleen maar omdat nu allerlei 18e en 19e-eeuwse discussies met slaapverwekkende voorspelbaarheid worden herhaald, waarbij het ressentiment van de ongelovige scherpslijpers nauwelijks onderdoet voor de verontwaardiging van de gekrenkte gelovigen.

In hoeverre Paul Cliteur door ressentiment wordt gedreven, weet ik niet. Maar een scherpslijper is hij beslist. Naar aanleiding van de voorstellen van Job Cohen en Margreeth de Boer om te bekijken of de islam misschien ook als middel tot integratie kan worden aangewend (volgens het beproefde verzuilingsmodel) haalt hij zijn neus op voor zoveel ‘strategie’. Volgens hem zou het om de ‘principes’ moeten gaan. Die principes, de beginselen en idealen van de democratische rechtstaat, zijn immers ‘universeel’ en ‘superieur’, en als het aan Cliteur ligt worden ze voortaan strijdlustig uitgedragen.

Zijn bête noir is, evenals in zijn vorige boek Moderne Papoea’s (2002), het verderfelijke cultuurrelativisme. Maar wat betekent dat? In wezen (of au fond) niets anders dan dat er geen bovencultureel principe bestaat waarmee je kunt vaststellen welke cultuur beter of slechter is. Dus zul je zelf voor je eigen waarden moeten gaan staan, zonder beroep op een metafysisch universalisme. In zo’n universalisme kun je alleen maar geloven. Dat wil Cliteur dan ook, hij is zelfs à la Rousseau niet afkerig van een ‘burgerlijke religie’. Maar als ik hem de superioriteit van de westerse politieke beginselen (bijvoorbeeld de mensenrechten) zie verdedigen, dan kom ik eerlijk gezegd niet zoveel moed of strijdlust tegen. Eerder angst, zoals wel vaker bij gelovigen. Want zonder die superioriteit, schrijft Cliteur benauwd, zou elk mensenrechtenbeleid ‘op zand’ zijn gebaseerd.

Zou het echt? Misschien kan ik hem geruststellen: voor zover het mensenrechtenbeleid succes heeft en zo een bepaalde superioriteit bewijst, komt dat door de macht waardoor het gedragen wordt. Politieke macht, economische macht (mensenrechten en kapitalisme zijn twee zijden van dezelfde medaille, werd onlangs nog door Cliteurs geestverwant Frits Bolkestein betoogd), en zelfs historische macht.

Alleen dat laatste geeft Cliteur impliciet toe, door Fukuyama’s van Hegel afgekeken ‘einde van de geschiedenis’ te omarmen – de triomf van de democratische rechtstaat omdat niemand vooralsnog iets beters heeft kunnen bedenken. Voor het overige is macht een woord dat Cliteur zelden uit de pen vloeit.

Vreemd voor een politiek denker. Maar welbeschouwd is Cliteur eerder een rechtsfilosoof, iemand die alles bij voorkeur in een abstract juridisch licht beziet. Dat maakt de werkelijkheid meteen een stuk hanteerbaarder. Opvallend is zijn koestering van wat je zou kunnen noemen: een geloof in juridische maakbaarheid, dat herinnert aan het vroegere linkse maakbaarheidsidealisme. Via de wetgever zijn alle problemen op te lossen en de samenleving heeft zich daaraan maar aan te passen. Niet dat Cliteur idiote voorstellen doet. Hij wil een nieuwe, duidelijker grondwet, zodat nieuwkomers beter weten waarin ze moeten integreren. Hij pleit, met een beroep op Webers ‘onpartijdige ambtenaar’, voor meer gezagsgetrouwheid bij het overheidspersoneel, zonder in te gaan op andere – eveneens door Weber gesignaleerde – bezwaren van de bureaucratie, die naar mijn idee zwaarwegender zijn dan die paar loslippige ambtenaren. Hij hekelt de wildgroei van grondrechten en vergeet voor het gemak zijn eigen pleidooi voor ‘dierenrechten’. Hij is voor het toetsingsrecht aan de grondwet, maar tegen een zelfstandig Openbaar Ministerie.

Als ik probeer in deze voor een deel allang gerealiseerde voorstellen een lijn te ontdekken, dan zie ik een versterking van de staat. Dat vloekt met Cliteurs liberalisme, maar niet met zijn maakbaarheidsidealisme; zonder sterke overheid ontbreekt het instrument om de maatschappij te ‘maken’. Het enige wat er een beetje buiten valt is het toetsingsrecht. Dat moet kennelijk voor het liberale tegenwicht zorgen, of zou het alleen maar zijn opgenomen omdat ze het in Amerika ook hebben? Met zijn hele benadering komt Cliteur immers dicht in de buurt van het Amerikaanse neo-conservatisme, inclusief de partijdige omgang met geschiedenis en erfgoed.

In de Verenigde Staten is dat laatste tot daaraan toe, omdat er nu eenmaal weinig geschiedenis voorhanden is (pas bij buitenlandse operaties kan het negeren van de historische zwaartekracht een probleem worden), maar in Europa ligt dat anders.

Hoe lastig het ook mag zijn, met die – rijke, complexe, tegenstrijdige – geschiedenis kun je maar beter rekening houden. Dat komt het realisme van de politiek ten goede, zoals iedere traditionele conservatief zal beamen. Maar helaas, juist dat inzicht lijkt te ontbreken bij de zichzelf ‘conservatief’ noemende Cliteur, die het verleden naar believen herschrijft en de toekomst losjes in elkaar knutselt op het lege papier van zijn juridische tekentafel.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op Arnold Heumakers

Titel

  • Tegen de decadentie

Auteurs

Vertaling van

Vertaler

Genre

ISBN

  • 9789029509787

ISBN E-Book

  • 9789029576499

Uitgeverij & Jaar

  • De Arbeiderspers 2011

Aantal Pagina's

  • 233

Boek aanschaffen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente artikelen:

Het negende gebod
Troost in filosofie
De sjamaan en ik

Bestellen

Op zoek naar een boek? Bestel het hier.
Zo steun je De Leesclub van Alles