Vrijdag, 20 september, 2019

Geschreven door: Peterson, Jordan
Artikel door: Onbekend

12 regels voor het leven - Een remedie tegen chaos

De ‘ik’ in victim mentality: Over het fenomeen Jordan Peterson

Slachtofferschap: er is een stevig ideologisch debat over gaande, dat veel zegt over de scherpe tegenstellingen van vandaag. YouTube-ster en conservatief icoon Jordan Peterson, ‘’s werelds meest populaire publieke intellectueel’, bekritiseert de aan identiteitspolitiek gekoppelde victim mentality als dé rode draad van het linkse discours. Zelfs felle critici, waaronder cultuurfilosoof Slavoj Žižek, geven hem niet helemaal ongelijk.

[Essay] In een van zijn vele YouTube-video’s beent Jordan Peterson heftig orerend een auditorium door: “Mensen worden boos op me als ik er religieuze thema’s bijhaal, maar ik begrijp het een en ander over mythologie en religie. Het is geen toeval dat het axiomatische westerse individu iemand is die onschuldig gekruisigd en gefolterd werd. It’s like – yes! Right! Exactly! Dus wat doe je daar dan aan? … Wel, er is nog een diep idee van het Westen: neem je verdomde leed op en draag het!” De toespraak, die Peterson in 2017 gaf voor de Canadese Speakers Action Group, is een van zijn grootste succesnummers. Hij verkettert er de slachtoffermentaliteit die volgens hem voortkomt uit een samengaan van postmodernisme, postmarxisme en nihilisme.

In de afgelopen twee jaar heeft de Canadese klinisch psycholoog en hoogleraar in de Psychologie zich razendsnel opgewerkt tot – volgens een opiniestuk in de New York Times van 25 januari 2018 – “de meest invloedrijke publieke intellectueel van de westerse wereld op dit moment”. Hoewel Peterson zelf niet als rechts gelabeld wil worden, wordt hij door alt-right op het schild gehesen als kampioen van het nieuwe conservatisme. Naar eigen zeggen bestaat zijn achterban vooral uit jonge mannen die “ronddrijven in een chaotisch moreel vacuüm, uitgerangeerd en vernederd door vrouwen, achtervolgd door pijn en zelfverachting”.

Angst en beven

Archeologie Magazine

Van kwetsbare groepen die specifieke rechten opeisen, krijgt Peterson dan ook spontaan het zuur. Zo nam zijn bekendheid sterk toe na een controverse over zijn principiële weigering om genderneutrale, nieuwe voornaamwoorden zoals ze of zir te gebruiken. Dat de Canadese wet C-16 hem daar – volgens zijn interpretatie – wettelijk toe verplicht, beschouwt hij als een totalitaire machtsgreep op de taal. Als van tevoren vastligt wie wel en wie niet gekwetst mag worden door iemands spreken, betekent dat een inbreuk op de vrijheid van expressie en van denken. In die lijn klaagt Peterson ook de politieke correctheid van academische instellingen aan, fulmineert hij tegen begrippen als white privilege en trekt hij van leer tegen wat hij beschouwt als extreem feminisme.

Zelf gelooft Peterson in universele morele wetten, die hij meent te herkennen in grote culturele narratieven – van antieke mythes en Bijbelverhalen tot Disneyfilms. Hij analyseert ze scherpzinnig, maar vaak ook ahistorisch en eenzijdig moraliserend. Verontrustend wordt het pas echt als hij die interpretaties ook selectief gaat linken aan statistisch onderzoek en (neuro)biologie, en zo aanstuurt op een biologisch determinisme van traditionele culturele patronen.

Sinds januari 2018 valt het allemaal na te lezen in Petersons populariserende pamflet 12 Rules for Life: An Antidote to Chaos [dit jaar vertaald als 12 lessen voor het leven, Een remedie tegen chaos/red.], een beknopte levensgids voor hoe we als mens betekenis moeten geven aan leven en lijden. Traditionele media namen het boekje veelal op de korrel om zijn simplificaties, denkfouten en nostalgische wereldbeeld – zie bijvoorbeeld het rake opiniestuk van Ariane Bazan in De Standaard (“Jordan Peterson is fout, de mens is geen kreeft”, 28 april 2018). Maar dat soort kritieken deren de verkoopcijfers duidelijk niet: die worden nu al vergeleken met die van Piketty. Op zijn minst als fenomeen valt Peterson dan ook ernstig te nemen. “Wie wilt weten hoe hij zijn leven moet leiden, moet dit boek niet lezen”, zo klonk het over 12 Rules in de Financial Times. “Maar iedereen die geïnteresseerd is in de groeiende aanval op onze liberale waarden moét het lezen, met angst en beven.”

Iedereen slachtoffer

Cruciaal voor een goed begrip van Petersons kritiek op de victim mentality is zijn verzet tegen het postmoderne denken dat hij dominant geworden vindt in academische kringen. Met name Foucault The Reprehensible en Derrida the Trickster zouden begrippen als waarheid en waarden bij het oud vuil gezet hebben. Dat is natuurlijk een ongenuanceerde lezing: beide denkers zijn precies gefascineerd door het ontstaan van betekenis – weliswaar niet als universele waarheid, maar altijd “binnen een gegeven context”.

Maar als een gedeelde waarheid onmogelijk is geworden – zoals Peterson veronderstelt – komen we terecht in een ‘hobbesiaanse nachtmerrie’, een continue machtsstrijd van iedereen tegen iedereen. Er ontstaat een eindeloze versplintering van perspectieven en identiteiten, die zich ten opzichte van elkaar verhouden door overheersing en onderdrukking. Maatschappelijk beleid draait dan ook dol in het uitwerken van steeds specifiekere uitzonderingsmaatregelen op maat van zich steeds verder opsplitsende identiteiten. Dialoog is onmogelijk, want taal is slechts een machtsinstrument waarmee de dominante orde haar denkmodellen oplegt. Vandaar de steeds verregaandere eisen om die taal aan te passen zodat ze niemand kwetst.

Vooral problematisch is het volgens Peterson dat de slachtofferrol – en daarmee het recht om de taal te dicteren – exclusief gekoppeld wordt aan het lidmaatschap van een specifieke groep. Iedereen is op zijn eigen manier immers wel een slachtoffer: mensen zijn niet slechts benadeeld ten opzichte van elkaar door ras en gender, maar door uiterlijk, intelligentie, leeftijd, talent, afkomst… Het is een eindeloos project om al die ongelijkheden recht te trekken. Wat hij daar tegenoverstelt als ideaal, is een visie op lijden en onmacht als universeel menselijke categorieën. “Of course you’re a victim! Jesus, obviously!” Slachtofferschap is niet de uitzondering, maar de default position van het menselijk bestaan.

Voor Peterson verplicht dat inherente lijden iedereen om individuele verantwoordelijkheid op te nemen om zelf verbetering te zoeken. Dat is natuurlijk een dooddoener, en bovendien hypocriet: Peterson veegt al te snel onder de mat dat er wel degelijk verschillen zijn tussen groot en klein, tussen stelselmatig en toevallig onrecht. Daar komt nog bij dat zwelgen in zelfmedelijden bij Peterson vaak wél toegestaan is als je een witte man bent.

Voor of tegen hokjes?

Toch neemt de gebrekkigheid van zijn oplossing niet weg dat hij terecht een probleem aankaart. Dat is alleszins het standpunt van de linkse cultuurfilosoof Slavoj Žižek, die het succes van Peterson in een opiniestuk in The Independent (13 februari 2018) wijt aan het feit dat “links zijn huis niet op orde heeft”. De vraag in welke mate het recht op vrije meningsuiting moet ingeperkt worden om kwetsbare groepen in bescherming te nemen tegen racisme of seksisme, verdeelt links. Dat gebrek aan een coherente visie legt een manco in het denken bloot. Žižek is als neomarxistische, postmodern geïnspireerde popster van de cultuurfilosofie Petersons perfecte tegenpool. Des te opvallender is het dat de twee uitersten elkaar vinden wat betreft het onderwerp van de politieke correctheid.

Als we Žižeks argumentatie tegen de PC Police naast die van Peterson leggen, zijn er frappante gelijkenissen én verschillen. In Intolerantie (de in 2011 uitgekomen Nederlandse vertaling van zijn essay Multiculturalism, Or, The Cultural Logic of Multinational Capitalism uit 1997) onderstreept hij net als Peterson het belang van de individuele en universele dimensie van het slachtofferschap. Politiek in de meest betekenisvolle zin, zo zegt Žižek, is doorheen de geschiedenis steeds bedreven door groepen die geen vaste structuur hadden binnen de gevestigde orde van de maatschappij. Precies doordat ze geen vaste rol of identiteit hadden, konden ze de paradoxale rol opnemen van wat hij – en anderen voor hem – het singulier universel noemt.

Met dit begrip drukt Žižek de idee uit dat rebellie tegen een rigide maatschappelijke structuur altijd voortkomt uit de ervaring dat die structuur je in je singulariteit onrecht aandoet. Idealiter stelt die ervaring je echter niet alleen in staat je te identificeren met personen die in ‘precies dezelfde’ situatie verkeren, maar ook met personen die zich in heel ‘andere situaties’ door de bestaande structuur beklemd voelen.

Tegenover slachtofferschap dat zich linkt aan een specifieke groepsidentiteit staat Žižek wantrouwig, want door te ijveren voor specifieke uitzonderingsmaatregelen verliezen minderheidsgroepen juist de mogelijkheid om als singulier universel te spreken. Hun protest wordt nooit een echte eis tot fundamentele verandering. Wel integendeel: door zich te identificeren en te conformeren aan hun ‘niche’ binnen het systeem bevestigen ze dat systeem net. De transgenders die voor nieuwe voornaamwoorden pleiten zijn een goede illustratie: door een nieuwe categorie voor zichzelf op te eisen, creëren ze ook een nieuwe norm waaraan ze zich conformeren. Daarbij verliezen ze de mogelijkheid om advocaten te worden van het universele recht op abnormaliteit, het recht om niet volledig in hokjes te passen.

Tedere oorlog

Peterson en Žižek benadrukken beiden de existentiële, individuele en universele dimensie van het slachtofferschap, maar om compleet tegenovergestelde redenen. Peterson ziet het als een manier om een samenleving onder één stabiele morele noemer te brengen, terwijl Žižek deze denkwijze juist ziet als een voorwaarde tot continue rebellie. Een dialoog tussen de twee ideologische vlaggenschepen zou dan ook zeer interessant zijn – en het ziet ernaar uit dat die er ook van zal komen. Naar aanleiding van Žižeks kritische stukje in The Independent heeft Peterson een twitterbot die opereert onder Žižeks naam uitgedaagd tot een debat. Bij gebrek aan antwoord van de bot verklaarde Žižek zich onlangs bereid in gesprek te gaan wanneer hij in oktober in New York zal zijn. Het is afwachten wat deze clash der titanen zal opleveren.

Ondertussen is het vooral de vraag of de gelijkenis tussen beiden niet inderdaad een blinde vlek in het denkkader van de identiteitspolitiek blootlegt. Misschien raken ze dezelfde gevoelige snaar wanneer ze benadrukken dat juist de existentiële – eerder dan de socioculturele – dimensie van het lijden de aanzet kan worden voor een betekenisvol persoonlijk én maatschappelijk project. Wat Peterson uitzonderlijk maakt, is vooral het oneigentijdse ‘pathos’ waarmee hij de ervaring van leed radicaal als uitgangspunt neemt. Je lijdt sowieso als mens. Omdat een identiteit altíjd wel klemt. Omdat het leven altíjd kwetsuren meebrengt. Omdat samenleven met anderen altíjd onaangename compromissen vereist.

Dat is een tragische levensvisie die haaks staat op een obligaat optimisme en geloof in de maakbaarheid van mens en maatschappij dat dominant is in het hedendaags politiek discours van zowel links als rechts. De extremere vormen van politiek correct denken weerspiegelen dat blind optimisme. Het gaat immers uit van de veronderstelling dat er een culturele staat denkbaar is waarin niemand wordt gekwetst door een ander. Voor leed en onrecht is er altijd een schuldige aan te duiden. Peterson heeft gelijk als hij wijst op de onhoudbaarheid van die visie: niet alleen is het een recept voor eindeloze verwijten en ressentiment, het houdt paradoxaal genoeg juist een onderschatting in van hoe kwetsbaar en feilbaar we met z’n allen zijn. De vrijheid van de ene partij zal altijd potentieel de gevoeligheid van de ander bruuskeren, en omgekeerd. Democratie is tendre guerre.

Het debat over de actuele relevantie van Petersons gedachtegoed is nog maar pas begonnen. Maar wellicht doen we er goed aan om het fenomeen Peterson niet eenvoudigweg te lezen als een overwinning van een hard, rechts conservatisme. Evengoed kan het gelezen worden als een aanleiding voor links om het thema van menselijke kwetsbaarheid des te centraler te zetten, en des te radicaler door te denken op alle niveaus.

Eerder verschenen op Rekto Verso

Nadia Sels is classica en cultuurwetenschapster. Ze doceert kunstgeschiedenis aan PXL-MAD School of Arts in Hasselt en mythologie aan Universiteit Gent.