Maandag, 17 augustus, 2009

Geschreven door: Launspach, Rik
Artikel door: Winter, Karlijn de

1953

Natuurgeweld in een keurslijf

Voor wie met of na de Deltawerken is opgegroeid zijn droge voeten een vanzelfsprekendheid. De beelden van ondergelopen dorpen en landerijen verschijnen niet meer op tv maar behoren tot een groezelig verleden. Toch is er een verlangen te zien die weer uit het slijk op te halen. Het meest recente voorbeeld is 1953, het romandebuut van acteur Rik Launspach, gebaseerd op het scenario dat hij schreef voor de film De storm, die onder regie van Ben Sombogaart dit najaar uitkomt. Uit de verantwoording valt op te maken dat ‘het belang om de historische gebeurtenissen rond de watersnoodramp toegankelijk te maken voor een nieuwe generatie’ hem dreef bij het schrijven van dit boek. Maar hoe kan een roman zulk nietsontziend natuurgeweld overbrengen?

Het getuigt van lef dat 1953 amper vier jaar verschijnt na een andere grote watersnoodroman, De verdronkene van Magriet de Moor. Daarin raakt een jonge moeder uit Amsterdam in het fatale weekend van 31 januari en 1 februari in Zeeland verzeild, op een plek waar ze eigenlijk niets te zoeken heeft en tussen mensen die ze niet kent, maar met wie ze wel haar laatste angstige uren zal delen. Op meerdere momenten herinnert 1953 aan De Moors rampboek. Behalve de hoofdpersoon Julia (ook een jonge vrouw met kind, zij het een Zeeuwse), zie je er ook de ingenieur van Rijkswaterstaat in terug die zijn ongerustheid uit over de staat van de dijken, evenals de meteoroloog die zaterdagavond laat nog een extra waarschuwingsboodschap op de radio wil uitzenden, maar daarin onoverkomelijk wordt tegengewerkt door het weinig inschikkelijke Hilversum, dat niet van zijn uitzendschema’s wil afwijken.

Beide auteurs hebben zich wellicht van hetzelfde bronnenmateriaal bediend bij hun vertelling van die stormnacht en de mensen die deze doormaakten. Maar Launspach gaat nog verder dan De Moor in de weergave van de ontstellende kracht van het water die duizenden mensenlevens dooreenschudde en waar praktisch niemand echt op voorbereid was. Meer nog dan De verdronkene bevat 1953 sterke beelden die op het netvlies gebrand blijven staan:

‘Ze zag een vuilwitte, bewegende, schuimende muur in de akker achter het woonhuis. Heel even had ze de vreemde gewaarwording als klein meisje op het strand te staan aan de voet van een imposante branding. (…) De aanrollende watermuur in de polder paste merkwaardig genoeg heel goed in dit beeld, alleen was alles omgekeerd. Het was nu geen zomer maar winter. Geen dag maar nacht. Het witte, blikkerende strand was veranderd in een zwarte akker, en de zee, die zwartgroen zou moeten zijn, was nu wit. Een fotonegatief.’

Boekenkrant

De manier waarop Launspach allesverslindende watermassa’s afbeeldt, waarin servieskasten, zelfs hele veestapels drijven, maakt een film overbodig. Zo roept ‘In de Noordzee stond een kerktoren’, de eerste blik op het rampgebied vanuit een helikopter, in enkele woorden de bizarre sensatie op van een land dat ineens zee is geworden.

1953 laat een grote indruk achter van het historische moment dat de watersnoodramp is. De beeldende beschrijvingen helpen daarbij, maar de volle omvang van de dijkdoorbraken en de implicaties voor de Zeeuwen worden vooral inzichtelijk doordat Launspach het stormweekend en de daarop volgende dagen vanuit verschillende waarnemers, vanaf verschillende plekken in en rond het overstroomde land beziet. Terwijl De Moor in haar roman telkens van focus wisselt tussen Amsterdam en Zeeland, en zo de ramp zowel van dichtbij als van een afstand laat zien, blijft de blik in 1953 vrijwel doorlopend op Zeeland gericht. Nu eens is het de blik van de hoofdpersoon, die de boerderij waar ze woont ziet onderlopen en haar ouders en zus ziet verdrinken, dan weer die van een militair die mensen in doodsnood ziet maar niet de redding kan bieden die ze nodig hebben, of de blik van de ingenieur van Rijkswaterstaat die mannen bijeenscharrelt om een doorgebroken dijk te dichten.

Al deze mensen, ieder in zijn eigen situatie geconfronteerd met het dreigende water, zijn in de roman met elkaar verbonden door de plot. Die is samen te vatten als de zoektocht naar een baby: Julia verliest haar pasgeboren zoon uit het oog wanneer ze in het water van haar ondergelopen erf belandt; Rutus, een dienstplichtige die haar uit het water redt, helpt haar met zoeken. Het is een verhaal dat bitter weinig om het lijf heeft, en bovendien over honderden bladzijden wordt uitgesmeerd. Julia is een moedige vrouw, een doorzetter die half Zeeland doorkruist om haar kind terug te vinden. Rutus, gedreven door een schuldgevoel dat veroorzaakt is door een oorlogstrauma uit zijn jeugd, volgt haar onbaatzuchtig op haar weg. De personages komen evenwel schematisch over, en ze lijken niet tot meer te dienen dan de roman vaart geven en de scènes van de watersnoodramp aan elkaar vast te breien.

De plot van de zoektocht naar de baby – hoe dunnetjes ook – is wellicht bedoeld om de roman structuur en richting te geven. Inderdaad mag dat de ‘toegankelijkheid’ in de zin van ‘behapbaarheid’ van deze bijna vijfhonderd pagina’s lange roman verhogen, het oogt tegelijk als een kunstgreep die de weergave van een onbeheersbare natuurramp als die van 1953 te veel beknelt. Het grillige verloop van de historische gebeurtenissen raakt ondergeschikt aan het strakke keurslijf van een spannend avonturenverhaal. Launspach had de watersnoodramp, en in het bijzonder het onoverzichtelijke en uitzichtloze van zulk natuurgeweld, wellicht nog beter kunnen overbrengen als hij de talloze perspectieven die hij biedt niet per se door een verhaallijn had willen samenbrengen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *