Zondag, 15 september, 2019

Geschreven door: Harari, Yuval Noah
Artikel door: Sels, Nadia

21 lessen voor de 21e eeuw

Yuval Harari’s posthumane toekomst

Vergeet de robotapocalyps in 2100. Het einde van de mens is zich al volop aan het voltrekken op subtielere wijze, zo stelt Israëlisch filosoof Yuval Harari. Algoritmes zullen de rol van onze vrije wil overnemen, terwijl onze humanistische concepten van individualiteit en democratie eigenlijk nu al door de feiten achterhaald zijn. Maar heeft Harari wel een alternatief op zak? Waar staat hij zelf voor?

[Essay] Zeventig likes. Meer heeft het algoritme van Facebook niet nodig om je persoonlijkheid en voorkeuren beter te kunnen inschatten dan je vrienden. Op vele vlakken kan Facebook nu zelfs al je culturele, politieke en amoureuze voorkeuren beter inschatten dan jijzelf. Tel daar nog eens de zich ontplooiende mogelijkheden van de biotech bij om menselijk gedrag zowel te voorspellen als te beïnvloeden, en je komt in een wereld terecht waar onze zelfanalyses en zelfbeschikkingsrecht hopeloos gedateerde en inefficiënte methodes zijn geworden om ons leven vorm te geven: algoritmes doen het beter.

Het recente Cambridge Analytics-schandaal was al een voorproefje van hoe big data-algoritmes ons klassieke model van de liberale, democratische samenleving danig op de helling kunnen zetten. Zowel ons politieke als economische bestel (kiezer en klant zijn koning) zijn immers gebouwd op de veronderstelling dat jij, en jij alleen, je ware innerlijk kent, en beter dan wie ook inzicht hebt in je drijfveren. We stevenen echter af op een wereld waar humanistische begrippen als individualiteit en vrije wil niet alleen door de wetenschap, maar ook door de technologische feiten achterhaald zijn. Dat is alleszins de stelling van Yuval Noah Harari, auteur van de wereldwijde non-fictie bestsellers Sapiens en Homo Deus.

Onlangs kwam de Nederlandse vertaling uit van Harari’s derde boek, 21 lessen voor de 21e eeuw. Waar Sapiens en Homo Deus respectievelijk het verleden en de verre toekomst van het mensenras probeerden te overschouwen, richt 21 lessen zich op de problemen die vandaag in het verschiet liggen: banenverlies door de ontwikkeling van artificiële intelligentie, culturele en politieke globalisering, de dreiging van terrorisme en oorlog, het probleem van zingeving in een seculiere wereld… In eenentwintig essays, vaak op lezingen gebaseerd, schetst Harari de samenhang tussen dat alles, en suggereert hij welke wegen we zouden kunnen inslaan.

Boekenkrant

Leugens die werken

Met fans als Bill Gates, Barack Obama en Marc Zuckerberg is de 42-jarige Israëlische historicus meer dan slechts een observator van de geschiedenis: zijn ideeën hebben een brede en diepe impact. Zijn troeven zijn nochtans tegelijk de punten waarop hij in recensies meestal kritiek moet incasseren. Ten eerste durft Harari het grotere plaatje te schetsen: zo maar even de complete geschiedenis en de verre toekomst van de mensheid. Daarbij snijdt hij noodzakelijkerwijs voortdurend bochten af, en dat doe je niet zonder over de tenen van een heel leger vakspecialisten te rijden. Veel van hun kritieken zijn ook terecht, maar ze ondermijnen toch allerminst Harari’s rijzende ster. Als een van de weinige intellectuelen komt hij tegemoet aan onze prangende behoefte aan overzicht in deze chaotische tijden.

Een tweede kritiek op Harari is fundamenteler. Zijn simpele nuchtere schrijfstijl – weliswaar doorspekt met poignante en sappige anekdotes – krijgt vaak het verwijt dat hij ook tot een simplistisch denken leidt. Zo werd 21 lessen in New Statesman afgedaan als een ”banaal en lachwekkend zelfhulpboek” vol platitudes van gelukskoekjes-kwaliteit, “met een weifelende, divergerende en middelmatige schrijfstijl die wijst op een verarmde argumentatie of analyse”. Dat is wel een erg brute veeg uit de pan, maar deze recensent raakt wel degelijk iets belangrijks aan: Harari gaat soms iets te vlot over zijn eigen woordkeuze heen.

Harari belicht ‘mythes’ – de uiteenlopende centrale ficties die gemeenschappen een zin en een identiteit geven en organiseren. Zeus, maar evengoed het bedrijf Peugeot. De goddelijkheid van de Egyptische farao, maar evengoed de waarde van geld. Ook dat laatste is in wezen een fictie, want papier kan je niet eten, maar het gedeelde geloof in de waarde ervan – of accurater: het geloof dat anderen geloven in de waarde ervan – doet de economie wereldwijd draaien.

Harari’s analyse van dergelijke ‘mythes’ is dus dubbel: het zijn leugens die werken in de realiteit. Zo bezit de Egyptische farao misschien niet letterlijk de magische kracht om de grond vruchtbaar te maken, maar als denkbeeld stimuleert hij zijn maatschappij wel om grootschalige irrigatiewerken uit te voeren en droogte te overwinnen.

Al in Sapiens hechtte Harari een groot belang aan die ficties: zij zorgen er immers voor dat niet onze individuele intelligentie ons als diersoort werkelijk uitzonderlijk maakt, maar wel onze capaciteit om als soort samen te werken en een cultuur op te bouwen. In de toekomst zullen ficties machtiger worden dan ooit, stelt Harari, want “dankzij computers en biowetenschappen zullen mensen de realiteit steeds meer aanpassen aan hun favoriete verzinsels en zal het verschil tussen fictie en realiteit vervagen.”

Des te belangrijker dus dat wij als homo deus voor onszelf bepalen wat we willen. Want – zo vraagt Harari afsluitend in Sapiens – “bestaat er iets gevaarlijkers dan ontevreden, onverantwoordelijke goden die niet weten wat ze willen?”

Weg met onze wil

Precies die vrije wil, de finale toetssteen van onze liberale en democratische ideologie, vindt Harari zelf een mythe die op het punt staat om door de wetenschap ontmaskerd te worden. In de laatste eeuwen waren wetenschap en humanisme bondgenoten in het ondergraven van oude geloofssystemen: niet een of andere goddelijke macht, maar onze persoonlijke wil was de basis voor een zinvol leven, via de processen van verkiezingen en vrije markt.

Die alliantie loopt nu ten einde, stelt Harari: “de laatste decennia zijn biologen tot de onomstotelijke conclusie gekomen dat de man die knopjes indrukt en de thee opdrinkt zelf ook een algoritme is.” Dat betekent dat mensen dus ook door algoritmes in kaart te brengen zijn. Paradoxaal genoeg poneert Harari het perspectief van de exacte wetenschappen vaak als een soort ultieme waarheid, terwijl hij tegelijk benadrukt dat mensen de wereld slechts kunnen ordenen via ‘intersubjectieve ficties’. Maar laten we hem eerst verder volgen in zijn redenering.

“Volgens onze meest actuele wetenschappelijke kennis hebben determinisme en toeval de hele taart onder elkaar verdeeld en is er letterlijk geen kruimeltje over voor ‘vrijheid’,” stelt Harari. “Mijn illusies over vrije wil zullen vermoedelijk verdwijnen als ik dagelijks geconfronteerd word met instellingen, grote bedrijven en overheidsinstanties die wat altijd mijn ontoegankelijke binnenwereld was, helemaal doorgronden en manipuleren.” We leven, stelt Harari, dus steeds meer in een tijd van mensenhacken. Maar een nog veel groter probleem vindt hij het eigendomsrecht op de data die dat mogelijk maken.

Harari dialogeert met zichzelf: nu eens leiden zijn constataties hem tot uiterst sombere toekomstbeelden, dan weer vraagt hij zich af of we niet beter af zouden zijn zonder de noties van vrije wil en het authentieke zelf. Misschien, zo suggereert hij ergens in 21 lessen, is het juist de “tirannie van de wil” waar we ons van moeten bevrijden.

Ter illustratie van dat dilemma haalde hij in Homo Deus onder meer het verhaal aan van Sally Adee, die als journaliste voor de New Scientist deelnam aan een proefproject van het Human Effectiveness Directorate van het Amerikaanse leger. Sally mocht in een simulator voor sluipschutter spelen, terwijl simulatoren haar brein van buitenaf manipuleerden. Niet alleen maakte de elektrodenhelm haar tot de perfecte koele en methodische schutter, ze ervaarde de rust in haar hoofd ook als een “bijna spirituele ervaring”. Ontnam de helm Sally haar persoonlijkheid, of kreeg ze juist toegang tot een diepere kern van haar zelf?

Het punt, zo stelt Harari, is net dat er geen kern of zelf is: wat we onze geest noemen, is slechts een samenspel van allerhande culturele en biologische patronen. Ons ‘zelf’ is een vertekenend verhaal dat onze hersenen voortdurend herschrijven vanuit onze chaotische ervaring – met vaak heel wat lijden en ongemak vandien. En is de cultureel bepaalde afkeer die we hebben van dit soort experimenten, niet zelf een vorm van ‘programmering’?

Recht op overbodigheid

Wat ons filosofische standpunt over dit soort denkoefeningen ook is, feit blijft dat we de weg naar het afgeven van onze vrije wil al ingeslagen zijn, zo zegt Harari. Nu al maken we dagelijks talloze keuzes waarvan de optelsom ons uiteindelijk zal doen eindigen in een “digitale dictatuur”. In ruil voor mailboxen en kattenfilmpjes – de kraaltjes en spiegeltjes waarmee kolonisatoren de oorspronkelijke bevolking paaiden – geven we met z’n allen gedachteloos onze persoonlijke gegevens weg, volgens Harari de kostbaarste grondstof van deze tijd. Tegelijk zijn we nu al meer dan bereid om bepaalde beslissingen stukje bij beetje uit handen te geven als ons dat voordeel oplevert – denk aan Google als informatieverzamelaar, of aan beursalgoritmes waarvan zelfs experts de werking niet meer doorgronden.

Ook op persoonlijk niveau zullen we steeds meer beslissingen uitbesteden aan algoritmes. Niet omdat we daartoe gedwongen worden, maar omdat het waanzinnig zou zijn om het niét te doen. Wie niet meegaat in al die ontwikkelingen, zal immers onvermijdelijk als inefficiënt en onaangepast uitgerangeerd worden. Wie er wel in meegaat, trouwens ook: algoritmes zullen steeds meer menselijke beroepen overnemen – ook die waarvoor creativiteit of empathie vereist zijn. Voor het eerst in de geschiedenis zal dat een ‘overbodige’ klasse mensen creëren, die dus geen enkel drukkingsmiddel meer zullen hebben om hun rechten af te dwingen.

Die ‘mensenrechten’ zullen overigens sowieso moeilijk houdbaar worden, zo schrijft Harari in 21 lessen: “Als we voor recht op vrijheid zijn, moeten we dan macht geven aan algoritmen die onze verborgen verlangens vervullen? Als alle mensen evenveel mensenrechten hebben, hebben supermensen dan superrechten? Secularisten zullen moeite met dat soort vragen blijven houden (sic) zolang ze bij hun dogmatisch geloof in ‘mensenrechten’ blijven.”

Meezwemmen in de datastroom

Niet eender welke auteur zet zomaar even de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op de helling. De vraag dringt zich dan ook op waar Harari zelf ideologisch staat. Het antwoord is moeilijker, temeer omdat hij luidop onderzoekend in verschillende stemmen spreekt: nu eens pro, dan weer contra, nu eens twijfelend, dan weer stellig en prescriptief.

In de inleiding van 21 lessen noemt hij het liberale systeem “het succesvolste en meest bruikbare politieke model dat mensen tot dusver hebben ontwikkeld”, en nodigt hij zijn lezers uit om mee te denken over hoe dat model verbeterd kan worden vóór de technologische ontwikkelingen ons voor voldongen feiten stellen. Op andere momenten lijkt hij ons net te willen verzoenen met wat hij als onoverkomelijke evoluties lijkt te zien.

Wil Harari de toekomst nu voorspellen of inmasseren, beschrijft hij of schrijft hij voor? Net zoals polls ons kiesgedrag zowel voorspellen als tegelijk beïnvloeden, is de lijn soms nauwelijks te trekken. Wijzen de voorspellingen te sterk in één richting, dan kunnen ze zichzelf waarmaken doordat ze tot fatalisme inspireren.

En die fatalistische stem is zeker ook bij Harari aanwezig. Ze klinkt vooral door in het vijfde en laatste deel van 21 lessen, dat ‘Veerkracht’ heet. Op de vraag hoe we onze kinderen kunnen voorbereiden op de toekomst, benadrukt Harari dat flexibiliteit de grote zaligmakende en misschien wel enige deugd zal zijn. “In de eenentwintigste eeuw kun je je nauwelijks stabiliteit veroorloven”, zo klinkt het. “Als je probeert vast te houden aan een stabiele identiteit, baan of wereldbeeld, loop je het risico dat je hopeloos achterblijft.” En met een understatement van jewelste voegt hij daar nog aan toe: “Dit zal hoogstwaarschijnlijk enorm veel stress met zich meebrengen.”

Als Harari zo stellig flexibiliteit aanraadt, kan je dat bezwaarlijk een neutraal standpunt noemen: het is ook het argument waarmee werkgevers van hun werknemers vragen om zelfs hun privéleven en persoonlijkheid in het teken van hun werk te stellen.

Op dezelfde toon stelt Harari: “Het zou heel goed kunnen dat ontsnappen aan onze beperkte definitie van het begrip ‘zelf’ een noodzakelijke overlevingstechniek wordt in de eenentwintigste eeuw.” Enkel als je bereid bent zo fluïde te worden als de datastroom zelf, maak je nog een kans om in de toekomst nog van waarde te blijven. Maar van waarde voor wie? En waarom pleit hij dan niet eerder voor weerbarstigheid in plaats van flexibiliteit – op zijn minst genoeg om niet willens nillens meegesleurd te worden in een dynamiek van technologische vooruitgang die elke menselijke intentie opzij schuift?

Harari lijkt zelf nog niet helemaal in het reine met zijn eigen impliciete ideologie. Hij mag ons in zijn inleiding dan wel aanmanen om zelf mee vorm te geven aan onze cultuur, maar hoe moet dat als onze wensen daarna toch maar lukrake spelingen van algoritmen blijken? Al even dubbelzinnig is zijn verzet tegen elk narratief dat betekenis en richting zou kunnen creëren. Hij maakt er zelfs een van zijn lessen van: “Als je naar de zin van het leven vraagt en als antwoord een verhaal krijgt, dan is dit het verkeerde antwoord… Alle verhalen zijn het verkeerde antwoord, al was het maar omdat het verhalen zijn.”

Net die verdediging van een illusievrije, objectieve wereldbeschouwing is in feite een sterk beladen ideologische keuze die de status quo ondersteunt. Zonder verhaal over zelf of zin blijft er immers nog weinig intersubjectieve fictie over waarrond je een verzet zou kunnen opbouwen. En dan is flexibiliteit – complete overgave aan de stroom van verandering – inderdaad de enige optie.

Doe niets, helemaal niets

Daarmee is de paradox van Harari geschetst: het uiteenvallen van alle menselijke zingevingsstructuren is iets waarvoor hij expliciet waarschuwt, maar impliciet propageert hij die zelf als de enige ‘morele’ optie. Aan het einde van Homo Deus had hij al het dataïsme naar voor geschoven als de religie van de toekomst: een denkstroming die zich niet richt op de bevrijding van mensen, maar op de bevrijding van data. Voor dataïsten ligt de finale verlossing dan in een complete mystieke eenwording van het hele universum met een eindeloos uitbreidende datastroom.

Harari verklaarde zichzelf dan wel niet zomaar tot dataïst, maar in 21 lessen lijkt hij daar toch weer dichtbij, zeker wanneer hij als fervent adept van meditatie een link maakt tussen de ‘wetenschappelijke’ ingesteldheid en het spirituele ideaal van het boeddhisme. Ook het boedhisme wijst betekenis en ‘zelf’ immers af als teleurstellende illusies, en vraagt ons mee op te gaan in de stroom der dingen: “Mensen vragen: ‘Wat moet ik doen?’ en Boeddha adviseert: ‘Doe niets. Helemaal niets’.”

Zo verschijnen Harari’s analyses plots niet meer louter als objectieve analyses, maar als spiegels van een spirituele, persoonlijke voorkeur. Die voorkeur valt natuurlijk wel te begrijpen: wie wil soms niet verlost worden van dat vervelende zelf, dat eeuwige gedoe met die schurende zingeving? Het opgaan in algoritmes is dan de logische wens van het onzekere kind in ons, dat niets liever wil dan een almachtige ouder die de zaakjes voor ons komt oplossen.

Maar omgekeerd is het vreemd dat Harari wel de ‘rationaliteit’ van de mythe van de farao kan inzien, maar nergens het denkspoor exploreert dat ‘vrije wil’ en het ‘authentieke zelf’ ook als ficties een rationeel nut kunnen hebben. Ze helpen ons bijvoorbeeld in onze eindeloze evenwichtsoefening tussen interne en externe krachten. Hetzelfde geldt voor nog een andere fictie: de menselijke waardigheid. Geen autopsie heeft er ooit maar een greintje van kunnen terugvinden in ons lichaam, maar precies daarom hebben we die fictie zo hard nodig.

Wat Harari’s 21 lessen voor de 21ste eeuw in elk geval wel duidelijk maakt, is dat die ficties de nabije toekomst niet zullen overleven als we ze niet grondig herdenken – ook maatschappelijk. Op zijn best schopt Harari je luie illusoire zelf wakker om die prangende denkoefening mee aan te vatten – en daarin ligt de grote relevantie van dit boek vol paradoxen en vraagtekens. Het is hoog tijd om met z’n allen aan onze ficties te schaven. Anders zullen we het misschien met de feiten moeten doen.

Nadia Sels is classica en cultuurwetenschapster. Ze doceert kunstgeschiedenis aan PXL-MAD School of Arts in Hasselt en mythologie aan Universiteit Gent.

Eerder verschenen op recto-verso