Dinsdag, 29 oktober, 2019

Geschreven door: Smith, Adam
Artikel door: Janssen Groesbeek, Marleen

De welvaart van landen

Zonder mensen geen welvaart van landen

Het pleidooi van de Schotse Verlichtingsfilosoof Adam Smith voor maximale economische vrijheid in zijn standaardwerk An Inquiry into the
Nature and Causes of the Wealth of Nations uit 1776, is géén pleidooi voor een minimale overheid. Als er al zoiets bestaat als een ‘onzichtbare hand’ moet die zorgen voor economische voorspoed voor iedereen, en niet alleen voor de elite. Het boek is voor het eerst in het Nederlands vertaald.

De afgelopen eeuwen hebben economen selectief gewinkeld in het omvangrijke werk van Adam  Smith. Iedere generatie economen heeft er wel een citaat uitgehaald om haar ideeën te onderbouwen. Een aantal citaten is de basis geworden van het hedendaagse denken over economisch handelen en onderdeel van het economie-onderwijs. De economische mens is rationeel en streeft zijn eigenbelang na. “Wij danken onze maaltijd niet aan de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker, maar aan het feit dat ze hun eigen belang voor ogen hebben,” is een van de veelgeciteerde uitspraken van Smith.

In zijn Ten geleide bij de Nederlandse uitgave laat vertaler Jabik Veenbaas zien dat ‘eigenbelang’ bij Smith een heel eigen betekenis heeft. Geen mens is een eiland, zoals de Schotse John Donne dichtte in 1624, en Smith was zich daar terdege van bewust. Volgens Smith leidt niet ons streven naar puur eigenbelang tot meer welvaart, maar de manier waarop mensen activiteiten ontplooien en daar gezamenlijk beter van worden.

Archeologie Magazine

Smith wil dan ook laten zien dat een maatschappij zich ontwikkelt als de mens de ‘eigenliefde’, het zelfbewustzijn heeft om zichzelf en zijn omstandigheden te verbeteren – wat iets anders is dan eigenbelang. Hij observeert dat mensen “de neiging hebben om te onderhandelen, te marchanderen en het een tegen het ander te ruilen.” Dit vermogen om er economisch op vooruit te gaan, leidt tot het efficiënt inrichten van werk en handel via arbeidsdeling waardoor mensen zich een inkomen kunnen verwerven. Dat inkomen kan dan weer gebruikt worden om te consumeren en te sparen, om zo een grotere welvaart voor zichzelf te creëren. En als iedereen dat doet, zonder het verdienvermogen van de medemens in de weg te zitten, komt daar voor de samenleving als geheel het beste resultaat uit.

Een vak hebben, boer of ondernemer zijn en daarmee een inkomen verdienen wordt door Smith hoger aangeslagen dan het bezitten van land of rentenieren. Door het boek heen maakt de filosoof, die zelf zijn geld verdiende als (hoog)leraar en spreker, denigrerende opmerkingen over de grootgrondbezitters. Eén daarvan  staat op pagina 459: “Een koopman is gewend om zijn geld vooral in winstgevende projecten te steken, terwijl een landedelman vooral gewend is om het uit te geven.”

Onzichtbare hand

Een van de bekendste begrippen uit het werk van Smith is de metafoor van de ‘onzichtbare hand’. Omdat Smith zo vaag is over dit begrip is het begrijpelijk dat generaties economen na hem naarstig zijn blijven zoeken naar de ware betekenis (of er een eigen draai aan gaven). De onzichtbare hand komt voor het eerst voor in een essay dat Smith schreef over astronomie toen hij 17 jaar was, en het duikt op in The Theory of Moral Sentiments uit 1759 waar het meer gezien moet worden als de ‘Voorzienigheid’. Veenbaas geeft in zijn inleiding een mooie invulling aan het begrip: “Waar de zwaartekracht van Newton ervoor zorgt dat de planeten netjes om de zon draaien, zorgt de onzichtbare hand bij Smith ervoor dat de economie in evenwicht blijft en optimaal functioneert.”

De onzichtbare hand van Smith moet dus zorgen voor economische voorspoed voor iederéén, en niet zoals in de praktijk doorgaans gebeurt voor de kleine elite die de economische en politieke macht heeft. In Smiths redenering zorgt iemand die zijn best doet om een zo hoog mogelijk inkomen te verwerven daarmee ook voor een stijging van het totale inkomen van het land – en dus voor een grotere welvaart van iedereen.

Voorwaarde daarbij is wél dat iedereen zich aan de natuurwetten van het vrije economische verkeer houdt. Dat betekent: geen handelsbeperkingen, geen sectoren beschermen en ervoor zorgen dat  grote bedrijven niet te veel macht krijgen. En daar gaat het doorgaans mis, wist Smith. Hij geeft in zijn boek dan ook meerdere redenen waarom de onzichtbare hand juist níet goed werkt. Smith verkeerde vaak genoeg in het gezelschap van de economische elite van Schotland om te weten dat handelaren, als ze daarin niet gehinderd worden, de neiging hebben om de markt samen te  verdelen en zo de vrijhandel in de weg te zitten: “Mensen uit dezelfde bedrijfstak komen maar zelden bij elkaar, zelfs als er sprake is van feesten of vermaak, zonder dat de gesprekken uitlopen op een samenzwering tegen het publiek of de een of andere machinatie om de prijzen te verhogen. Daar zit een belangrijke rol voor de overheid: zorgen dat er economische vrijheid en daarmee voorspoed is voor iedereen.”

Bescherming van burgers

Smiths pleidooi voor maximale economische vrijheid is dus géén pleidooi voor een minimale overheid. Integendeel. In Boek IV en V schetst Smith de contouren van de instituties die een land zou moeten hebben om de welvaart tot bloei te laten komen. En die zijn heel helder: een staat moet zorgen voor defensie en bescherming van burgers; er moet een onafhankelijk rechtssysteem zijn; en de staat moet zorgen voor zaken die niet door de markt geregeld kunnen worden zoals een goede infrastructuur van wegen om de handel te bevorderen. Ook pleit Smith voor staatsonderwijs voor de armen en onderwijsinstellingen voor mensen van alle leeftijden. Dat is goed voor het individu en de stabiliteit van het land. Smith leefde aan de vooravond van de industriële en de Franse revoluties. In zijn tijd was een rijke elite aan de macht. De handel met het buitenland werd flink ingeperkt. Regeringen wilden graag veel exporteren – want dat bracht goud en zilver in de schatkist – en niet importeren. De welvaart van landen laat zien dat een land niet rijk wordt door zoveel mogelijk goud op de balans, maar door het handelend vermogen, de activiteiten en de talenten van de inwoners.

Het zou mooi zijn als dit boek (opnieuw) zijn weg zou kunnen vinden naar het huidige economie-onderwijs of, nog beter, dat het vak ‘geschiedenis van het economisch denken’ in ere wordt hersteld. Want wat de scholieren en studenten nu leren, is een versie van de vrijemarkteconomie die mijlenver afstaat van wat Smith voor ogen had. Hij geloofde niet in de onzichtbare hand; hij geloofde in de gemeenschappelijke kracht mensen.

Eerder verschenen in De Helling

Marleen Janssen Groesbeek is Lector Sustainable Finance and Accounting aan De Avans Hogeschool Breda