Vrijdag, 27 januari, 2017

Geschreven door: Noordervliet, Nelleke
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Aan het eind van de dag

(Auto)biografie van een generatie

Op 24 februari bespreekt filosofe Marjan Slob tijdens een nieuwe DLVAlive Utrecht Aan het eind van de dag van Nelleke Noordervliet met psycholoog en schrijver Jaap Bos, docent bij de vakgroep Social and Behavioural Sciences aan de Universiteit Utrecht, tevens hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Biografie.

[Recensie] Een keer heb ik met Nelleke Noordervliet mogen praten. Dat was geen onverdeeld genoegen. Het was voor en tijdens een uitzending van het radioprogramma De tafel van Pam, eind 1992, waar ik naar aanleiding van de start van mijn blad Filosofie Magazine mocht verschijnen. De andere gasten waren Connie Palmen en de Vlaamse filosofe en schrijfster en inmiddels overleden Patricia de Martelaere die kwamen praten over hun respectievelijke romans De wetten en De Staart. Noordervliet vormde samen met Boudewijn BĆ¼ch en (als ik het me goed herinner) Jaap van Heerden, de vaste deelnemers aan het programma die als taak hadden de gasten te ondervragen. Noordervliet was al een gearriveerd schrijver. Ze had enkele romans gepubliceerd en deed van zich horen in columns en tijdens mediaoptredens. Ze was minder zelfbewust dan de heren aan tafel, dat merkte ik wel, maar even meedogenloos. Je moet je per slot van rekening aanpassen aan de wereld die je voedt.

Connie Palmen bleef goed overeind, ze had lovende kritieken gekregen op haar debuut De wetten en had al alles meegekregen over hoe het mediacircus werkt. Voor mij was het als jong broekje van nog net geen dertig mijn eerste radio-optreden en ik was op zijn zachts gezegd niet voorbereid op een kwartiertje grachtengordel cynisme. Ik had het programma nog nooit gehoord en had nauwelijks enig idee wie de mensen aan tafel waren. De teneur van het gesprek was toch wel hoe ik het in mijn hoofd haalde om een publieksblad over filosofie te starten en of ik er wel genoeg verstand van had, want hoe kun je nu als twintiger jezelf tot hoofdredacteur benoemen van zo’n blad? Ze vonden dat er van alles miste in de eerste nummers (er waren er denk ik net twee verschenen): het was allemaal te veel continentale filosofie, te weinig analytisch, of ik Wittgenstein wel kende. Daarnaast was het blad veel te veel gericht op de universiteit in Nederland, want in Nederland waren er geen filosofen van naam, et cetera, et cetera. Ik probeerde te vertellen over het hoe en waarom, maar daar hadden de aasgieren van dienst geen oren naar.

De Martelaere, die al een aantal jaren hoogleraar was in Brussel, bood charmant en zachtmoedig tegenwicht en vertelde waarom ze Filosofie Magazine wel een goed initiatief vond. Omdat de reguliere media in de lage landen nauwelijks over filosofie schreven was een blad voor een breed publiek over dit onderwerp juist hard nodig. Ik heb haar na de uitzending meteen gevraagd als columnist voor Filosofie Magazine en dat is ze toen jaren gebleven.

Wandelmagazine

Ik zat daar als enige twintiger tussen de heren en dames van het gelijk van de wereld, van de macht, de babyboomers. Toen veertigers of bijna veertigers, die alles al hadden gezien, alles al hadden gedaan en over alles wat wisten en vonden. Logisch dat je dan neerkijkt op alles wat jonger is.

Het is nooit meer goed gekomen tussen mij en de babyboomers. Altijd kwam ik ze tegen, altijd waren ze me de baas, ze wisten meer, konden meer, althans ze deden het zo voorkomen dat ze meer wisten en meer konden. Want babyboomers zijn zonder meer ook de meest arrogante generatie van de laatste honderd jaar. En als babyboomers iets goed hebben gedaan, ondanks alle linkse idealen van de jaren zestig, is het voor zichzelf zorgen. Ze behoren nu tot de rijkste generatie van de westerse wereld en zijn nu allemaal met pensioen of gaan nog, heerlijk voor ze. En ze beginnen terug te kijken. Ian McEwans roman Amsterdam is een babyboomer terugkijkboek en zo zijn er veel meer. Gelukkig met de nodige zelfkritiek, want zo langzamerhand krijgt deze generatie wel door dat niet alles wat ze hebben gedaan fantastisch was.

Het nieuwste babyboomer terugkijkboek is dat van Nelleke Noordervliet, Aan het eind van de dag. Ik heb nooit meer aan het programma van Pam gedacht, er zijn in mijn leven wel belangrijkere dingen om te onthouden, ook niet toen ik andere romans van Noordervliet las de afgelopen 25 jaar (dit jaar is het 25 jaar dat Filosofie Magazine bestaat. Feest!). Maar bij het lezen van haar nieuwste roman Aan het eind van de dag, kwam de herinnering meteen terug. Misschien wel omdat ik in de ik-persoon uit deze roman, de charmante politica in ruste, Katharina Mercedes Donker, zonder enige moeite de immer bedachtzame en licht ironisch pratende Noordervliet meen te herkennen, maar vooral omdat het boek te lezen is als een groot excuus van de generatie van de babyboomers.

In de woorden van de ik persoon: “De geboortegolvers waren volgers, geen makers. De motor voor verandering was de generatie net ervoor, geboren in de crisistijd, pubers tijdens de oorlog. De babyboomers sprongen op de trein en reden mee. Ze bezaten de macht van het getal, dat was de basis van hun macht. Het land werd jong, vruchtbaar, overmoedig, de straten lachten. De zon scheen altijd in de jaren zestig. Tot op de dag van vandaag weet ik niet of onze ‘revolte’ een uit de hand gelopen overmoedige grap was of een serieus politiek program. Ik neig tot het eerste. [ā€¦] We zaten in de speeltuin en bliezen door pvc-buizen papieren pijltjes naar de voorbijgangers, gooiden toen steentjes, daarna kinderkopjes, vervolgens bommetjes, en gingen toen moe slapen. We hebben te veel eer gekregen. En wat we wonnen, hebben we totaal verpest, al meteen in de jaren zeventig.”

Aan het eind van de dag is een prachtig boek, alleen al vanwege de liefdevolle beschrijving van de relatie tussen Katharina Donkers en haar vader, vermoedelijk sterk autobiografisch. Net als Noordervliet is haar hoofdpersoon afkomstig uit een arbeidersmilieu, weliswaar uit Amsterdam en niet als bij Noordervliet uit Rotterdam. In het boek beschrijft Noordervliet de lange weg die een jong, zeer intelligent arbeidersmeisje moest gaan om tot de elite van de Nederlandse samenleving te kunnen behoren. Het was in de jaren vijftig en zestig nog zeer ongebruikelijk om als arbeiderskind eerst naar het gymnasium en later naar de universiteit te gaan. Donker snapt in begin niet goed wat de gebruiken en gewoontes zijn van de gegoede burgerij, maar al snel weet ze zich feilloos aan te passen en weet ze in elke situatie te overleven. Dat aanpassen blijkt haar grootste verdienste te worden. Nog niet als ze in een woeste bui naar Parijs vertrekt en zwanger wordt van een Spaanse jongeman, maar wel als ze in de jaren zeventig werkt aan haar wetenschappelijke en politieke carriĆØre. Door haar aanpassingszintuig wordt ze uiteindelijk minister en krijgt ze macht. Maar was ze uit op macht? Of wilde ze alleen maar haar idealen realiseren? Nee, overleven lijkt het enige doel te zijn geweest, en niets anders.

Aan het begin van het boek heeft Donker, de zeventig gepasseerd, de schijnwerpers van het politiek bedrijf verlaten en leeft ze met leeftijdsgenoot Simon. Hun leven is goed. Rustig en bedaard zijn ze op weg naar de laatste fase, naar het einde. Als Donker gevraagd wordt mee te werken aan een biografie over haar leven, komen de herinneringen naar boven en vooral de pijnlijke en lastige momenten in haar leven: haar moeilijke relaties met mannen, de vraag of haar kinderen wel zo gelukkig zijn, haar politieke verleden, haar schimmige dealtjes, de vuile handen die ze maakte, de mensen die ze in de steek liet, haar bemoeienissen met het bewind in Suriname, een affaire in de DDR. Maar sommige zaken blijken helemaal niet politiek ingestoken, dan speelde liefde een rol van betekenis of gewoon naĆÆviteit of een stommiteit. En Donker weet zich weer in elke situatie te redden. In het boek blikt Donker terug op alles waar ze niet trots op is en wat ze zeker niet door een biografie opgerakeld wil zien.

Het boek is knap geconstrueerd en is in feite een biografie buiten de officiƫle biografie om. Noordervliet hekelt met haar boek het stijlmiddel van de biografie, omdat biografieƫn vaak te braaf zijn, de geƫigende paden bewandelen en toch nooit helemaal kunnen doordringen in de ziel en het brein van de hoofdpersoon. Sommige dingen gebeuren nu eenmaal, zijn onlogisch of ontstaan door toeval, liefde of een stommiteit. Een biograaf zoekt oorzaken en redenen; rationaliseert, analyseert en concludeert waar geen ratio, analyse of conclusie mogelijk zijn. Eigenlijk zegt Noordervliet moet je bij elke (auto)biografie nog het echte verhaal kunnen lezen. In (auto)biografieƫn willen mensen zich rechtvaardigen en willen ze zich verdedigen waarom ze toen en toen dat besluit namen of die keuze maakten. In het echte verhaal zou Catharina Donker zich nooit zo naakt en kwetsbaar willen opstellen als ze in haar mijmeringen in Aan het eind van de dag doet, want daar lezen we haar echte verhaal.

Als gezegd leest deze grootste roman als een groot excuus van een generatie, als een excuus voor het opportunisme van de babyboomers die hun idealen verkwanselden voor welvaart en macht, en door stommiteiten. Als het dan zo’n mooie roman oplevert, dan kan ik niet anders zeggen dan: geaccepteerd Mevrouw Noordervliet, excuses geaccepteerd.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles