Donderdag, 5 november, 2020

Geschreven door: Karmel, Pepe
Artikel door: Stoel, Jan

Abstracte kunst, een wereldgeschiedenis

Abstracte kunst is een vorm van figuratieve kunst

[Recensie] Wanneer je de term abstracte kunst opzoekt in een woordenboek dan lees je dat die kunst geen verband houdt met de zichtbare werkelijkheid. Een abstract kunstenaar geeft dus niet de werkelijkheid weer maar probeert met vormen, lijnen, kleuren, met speciale materialen wat hem beweegt uit te drukken. “Ervaringen in de echte wereld liggen bijna altijd ten grondslag aan abstracte uitingen,” schrijft Pepe Karmel in zijn boek Abstracte kunst een wereldgeschiedenis. Karmel is kunsthistoricus, kunstcriticus en tentoonstellingsmaker en als docent verbonden aan de faculteit Kunstgeschiedenis van de New York University.

Het is een origineel, verrassend en rijk geïllustreerd, mooi vormgegeven boek, met afbeeldingen op groot formaat, dat nu niet eens allerlei stromingen/bewegingen in de abstracte kunst chronologisch op een rijtje zet. Karmel kiest voor een sociale geschiedenis. Hij laat zien hoe kunstenaars van over de hele wereld abstracte beelden hebben gebruikt om hun ervaringen uit te drukken. Hij werkt met de volgende thema’s: lichamen, landschappen, kosmologie, architectuur en tekens en patronen. Karmel laat zien hoe kunstenaars abstracte beelden hebben gebruikt om hun sociale, culturele en spirituele ervaringen vorm te geven.

Karmel is een verhalenverteller en de thema’s vormen ieder op zich een meeslepend verhaal en samen een groter verhaal. Hij vertrekt steeds vanuit een figuratief gegeven om dit verhaal te vertellen, werkt dat verder uit, en illustreert het met kenmerkende kunstwerken.  Op die manier legt hij het verband tussen de ‘echte’ wereld en de abstractie. Elk thematisch deel is weer verdeeld in verhaallijnen waarmee het thema en de ontwikkeling ervan in een historische context worden geplaatst. Hij vertelt zijn verhalen in een heldere taal en de toelichtingen die hij bij de werken schrijft die hij gekozen heeft om zijn verhaal te onderbouwen zijn verhelderend. Karmel laat ons op een totaal nieuwe manier naar abstracte kunst kijken. Hij betrekt in zijn verhaal ook de kunstenaars uit de hele wereld: van Nederland tot China, van Ghana tot de Verenigde Staten, van EthiopiĂ« en Soedan tot Cambodja. Hoewel Nederlandse kunstenaars/stromingen ook wel aan bod komen is er nauwelijks aandacht voor Cobra en de NUL-beweging. Maar er valt genoeg te genieten, meer dan genoeg te ontdekken om je horizon te verbreden.

In de inleiding met als subtitel ‘verdwijntrucs en afbeeldingen die weer tevoorschijn komen’ licht Karmel zijn visie toe. Hij begint met Compositie VIII (De Koe; 1918) van Theo van Doesburg. Het werk toont geen gelijkenis met een koe, maar als men de voorstudies van Van Doesburg bekijkt kan men de stappen die de kunstenaar heeft doorlopen om tot de abstractie van de koe te komen nauwgezet volgen. Karmel:

Wordt Vervolgd

“Van Doesburg was er zich van bewust dat een schilder op een andere manier naar een koe kijkt dan een slager of een boer. De schilder ziet de koe in samenhang met de open ruimte, het lichtspel op haar flanken, hij ervaart de holten en uitsteeksels als sculptuur, hij ziet de delen van het lichaam als spanning en de grond als een vlak.”

Dit voorbeeld laat zien hoe abstracte kunst nog altijd verwijst naar de echte wereld. Bij Kandinsky, Mondriaan en Malevich, bij wie abstracte kunst begint, zien we dat ze begonnen als figuratieve schilders maar eindigden als abstracte.

“Abstracte kunst is een vorm van figuratieve kunst. Abstracte kunstenaars beginnen altijd met een visueel onderwerp en combineren dat met betekenissen die ontstaan door associaties met de echte wereld. Kunstenaars hebben een ervaring in de echte wereld nodig om een abstract kunstwerk te maken.”

Daarom beweert Karmel ook dat de geschiedenis van de abstracte kunst gewoon een ontstaansgeschiedenis is. Hij stelt dat:

“figuratieve beeldspraak meer uitdrukkingskracht heeft als hij abstract is en dat abstract beeldspraak zijn betekenis ontleent aan figuratieve associaties.”

Rothko zei bijvoorbeeld dat hij geen abstract schilder was, maar alleen basale menselijke emoties wilde uitdrukken als tragiek, onheil en extase.

Het thema landschappen begint met Claude Monet die in 1896-1897 op een tot atelier verbouwde boot verschillende doeken schilderde met als onderwerp de rivier en haar oevers. Eigenlijk zijn deze impressionistische werken abstract met de blauwe en groene vlakken. Het past helemaal in de tijd waarin het natuurlijke landschap symbool werd voor een betere puurdere wereld en geplaatst werd tegenover de industrialisatie. Karmel puurt het thema verder uit met verwijzingen naar draaikolken en windstoten, rotswanden, watervallen en mistflarden, golven, open vensters en vibraties. Zo verbindt Karmel de draaikolkcomposities van Kandinsky bijvoorbeeld met het werk van Turner. Turner gebruikte draaikolken om de toorn van God in beeld te brengen en in de twintigste eeuw werd de beeldtaal van storm en draaikolken gezien als een allegorie van de maatschappelijke veranderingen. Golven geven de kwetsbaarheid van de mens weer. Het golfpatroon kwam in de abstracte kunst terecht door Mondriaan, denk aan Pier en Oceaan, waarin de pier als een toren omhoog steekt en horizontale lijnen het zeeoppervlak verbeelden. Laforgue schreef over hoe de impressionist de natuur ziet: “Hij geeft de natuur weer zoals ze is, namelijk geheel in de vibratie van kleur.” Karmel legt de verbinding naar de kinetische kunst, zoals het werk van Guenther Uecker van de ZERO-beweging die composities met spijkers maakte die de suggestie van beweging hadden. En Bridget Riley die in 1961 ontdekte dat ze rasters van smalle lijnen on vervormen tot gekromde vormen en een belangrijk vertegenwoordigster was van de Op-art.

Abstracte kunst een wereldgeschiedenis neemt je mee op een ontdekkingstocht in de abstracte kunst, legt prachtige verbindingen door de schitterende verhalen die Pepe Karmel vertelt. En steeds is er die verwondering, die je een nieuw inzicht biedt, een ander perspectief geeft. Bijvoorbeeld BlĂŒtenstaub van Haselnuss (1992) van Wolfgang Laib, een rechthoekig veld – een landschap –  met stuifmeel van de hazelnoot dat Laib verzameld heeft. Het stuifmeel is een soort van verf en door de gele kleur gaat het zinderen. Het is voor Laib een verwijzing naar het spirituele.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles