Vrijdag, 14 februari, 2020

Geschreven door: Boochani, Behrouz
Artikel door: Nooij, Marjon

Alleen de bergen zijn mijn vrienden

Odyssee van een vluchteling

[Recensie] Behrouz Boochani (1983), een Iraans-Koerdische dichter, auteur, politicoloog en journalist, besluit in 2013 om zijn land te ontvluchten. Na zich drie maanden verborgen gehouden te hebben in Kalibata, IndonesiĆ« – getergd door honger, stress en angst – rijden mensensmokkelaars hem en andere ontheemde vluchtelingen met vrachtwagens naar de oceaan, waar ze worden opgepikt door een boot. Zes uur lang denderen ze door de jungle. De voortzetting per boot verloopt desastreus. Uitgeput als iedereen is, wordt er gevochten en geschreeuwd om een plekje te bemachtigen. Tot overmaat van ramp loopt de boot averij op en ze worden opgepikt door een Brits vrachtschip. Maar… ze zijn onderweg naar AustraliĆ«.

“Ik ben als een soldaat die een mijnenveld moet oversteken, of anders zal eindigen als krijgsgevangene. Je moet kiezen. Er is geen weg terug; ik kan niet meer omkeren.”

Op Kersteiland worden ze opgesloten, in afwachting van het vliegtuig naar Manus, een eiland ver van de bewoonde wereld. Wat ze niet weten is dat ze daar – zonder aanklacht of veroordeling – in gevangenschap gehouden zullen worden in het Manus Island Regional Offshore Processing Centre, want de grens van AustraliĆ« zit sinds kort potdicht en de overheid hanteert een genadeloos asielbeleid; geen vluchtelingen wordt meer toegelaten.

“Er is een eiland, verafgelegen in de stille oceaan waar mensen opgesloten zitten. Die mensen krijgen niets van de wereld buiten dit eiland mee. Ze zien niets van de gemeenschap die buiten de gevangenis leeft, en weten al helemaal niets van wat er in andere delen van de wereld gebeurt. Ze zien alleen elkaar en horen alleen de verhalen die ze elkaar vertellen. Dit is hun werkelijkheid: ze zijn gefrustreerd door hun isolement en opsluiting, maar ze hebben ook geleerd hun lot te aanvaarden.”

Wandelmagazine

Beroofd van hun schamele spullen en eigennaam – ze kregen een nummer -, gefouilleerd en gevisiteerd, zitten vierhonderd mannen jarenlang in een kooi opgesloten. Zestienhonderd man verdeeld over vier gevangenissen, worden er successievelijk getreiterd, murw gemaakt. Gedwongen moeten ze uren, onder een brandende zon, in een strakke rij staan om aan eten te komen. Wie achter in de rij staat kan de hond in de pot vinden, er is nooit voldoende voor iedereen. Het is ook niet te voorspellen wannĆ©Ć©r ze aan moeten treden, vandaag kan een heel andere tijd zijn dan gisteren of morgen. “[…] op Manus worden alleen martelingen stipt volgens planning uitgevoerd.” Sommigen staan al uren tevoren op wacht, in de hoop dat ze de eersten zullen zijn. Uitgehongerd, onderdrukt, constant geobserveerd door het bewakingssysteem en systematisch gefolterd. Zelfs een bezoek aan het toilet geeft het gevoel dat de bewakers door de wanden heen kunnen kijken. Normen en waarden vervagen door de deplorabele omstandigheden. Spelletjes spelen is ten strengste verboden. Het enige wat ze hebben is een stinkend bed en een plastic stoel.

Het Kyriarchale systeem staat garant voor totale onderdrukking van de vluchtelingen en sommige gevangenen zien geen andere uitweg dan de hand aan zichzelf te slaan.

Boochani overziet alles, distantieert zich veelal en weet met een clandestiene telefoon duizenden berichten te versturen. Vanuit zijn netwerk buiten de gevangenis ontstaat een heel team, ieder met een eigen specialisme, die ervoor zorgen dat zijn getuigenissen worden vertaald en op schrift worden gesteld om uiteindelijk uitgegeven en verspreid te worden over vele landen. De manier om een aanklacht vorm te geven is door het enige in te zetten dat hem niet kon worden ontnomen; zijn gedachten, zijn hoop, zijn woorden.

Vanuit deze gevangenis nam hij de kans om de wereld op de hoogte te stellen van de misstanden die hij dagelijks, wekelijks en zelfs jarenlang om zich heen en aan den lijve heeft meegemaakt. De combinatie van vele literaire vormen en de gedichten die tussen de tekst zijn geplaatst, maken dit een onvergetelijke leeservaring en geeft stof tot nadenken.

Uiteindelijk weten de gevangen een opstand te forceren. Represaillemaatregelen, zoals een stroomonderbreking waardoor de ventilatoren uitvallen en op de gevangen inhakken met stokken voorzien van spijkers, zorgen ervoor de het eindigt in een bloedige afloop.

“Elke nacht waait de geur van verhongering van de ene kant van de gevangenis naar de andere en weer terug. En met de geur van verhongering bedoel ik precies wat ik zeg. Ik ben ervan overtuigd dat verhongering een geur heeft. Een geur die we in ons instinct met ons meedragen. Mensen gaan zich gedragen als wolven in het wild. Wanneer ze bijna verhongeren zijn ze in staat om hun paardentanden in de buik van een medemens te zetten en heftig te gaan schrokken, als een dier.”

Omid Tofighian, de vertaler van de oorspronkelijke versie die Boochani hem aanleverde, heeft een indrukwekkend nawoord geschreven over hoe dit boek tot stand is gekomen en wie eraan mee hebben gewerkt om dit te realiseren. Heel verhelderend is het gedeelte waarin hij uitleg geeft over de literaire technieken die Boochani heeft gebruikt.

“Vertalen is voor mij […] een plicht jegens de geschiedenis, en een strategie om de kwestie van de oneindige gevangenschap van vluchtelingen diep in het collectieve geheugen van AustraliĆ« te verankeren.”

De laatste bladzijde is gelezen, het uiterst beklemmende en schokkende boek nu dichtgeslagen. Ik blijf volkomen onthutst achter. Volledig van mijn sokken geblazen, aangeslagen en beduusd, met voortdurend dezelfde vragen in gedachten; hoe kan een mens in dergelijk erbarmelijke omstandigheden de kracht vinden om op zo’n prachtige en filosofische manier te verwoorden hoe hij het daar al die jaren heeft doorstaan? Hoe kan een boek over zo’n mensonterende situatie zo mooi zijn? Wie zal de onderdrukker – lees; de Australische overheid – ter verantwoording roepen?

Papoea-Nieuw-Guinea verklaarde de Manus-gevangenis illegaal in 2016. Boochani heeft echter gevangen gezeten tot eind 2017, waarna hij overgebracht werd naar Port Moresby. In december 2019 werd hem een visum verleend om naar Nieuw Zeeland te gaan.

Is het ironisch of kunnen we het zien als een overwinning voor de auteur, dat hij verschillende belangrijke Australische prijzen heeft gekregen met zijn boek dat een aanklacht is tegen het onmenselijke vreemdelingenbeleid van datzelfde land?

Eerder verschenen op Metdeneusindeboeken