Maandag, 28 april, 2008

Geschreven door: Vuijsje, Robert
Artikel door: Bergman, Henk

Alleen maar nette mensen

Een bij voorbaat vergeefse zoektocht

Als jongen woonde ik in Amsterdam-West, maar het Spinoza-lyceum – mijn middelbare school – stond in Amsterdam-Zuid. Vanzelfsprekend waren veel van mijn klasgenoten uit dat stadsdeel afkomstig. Weer een aantal daarvan woonde in wat bekend staat als Oud-Zuid – zeg maar de buurt rondom het Concertgebouw. Op een of andere manier trokken juist die medeleerlingen me speciaal aan. Hun vaders hadden aansprekende beroepen als advocaat, arts, journalist of dirigent en het leek wel of ze vrijer en brutaler in het leven stonden dan wij die onze opvoeding in het westelijk stadsdeel – Slotervaart in mijn geval – genoten. Ongetwijfeld projectie of iets dergelijks, maar hoe dan ook: Oud-Zuid intrigeerde me. Ik sloot vriendschap met de zoon van een huisarts en kwam er vaak.

Oud-Zuid is ook de buurt waar David, de hoofdpersoon in Alleen maar nette mensen, is opgegroeid. Zijn ouders wonen in de Van Breestraat, zo ongeveer het epicentrum van de wijk. Davids jeugd voltrekt zich een dikke twintig jaar na de mijne. Aan de ene kant is er weinig veranderd in Oud-Zuid. De bewoners hebben nog steeds dezelfde aansprekende beroepen als indertijd – met dit verschil dat nu ook de moeders advocaat zijn. Hun kinderen gaan naar het Barlaeus Gymnasium en daarna naar de universiteit. De vrienden en vriendinnen van de kinderen wonen allemaal in dezelfde buurt. Een buurt voor nette mensen, zoals de bewoners graag benadrukken. Maar ‘nette mensen’ is in Oud-Zuid ook codetaal. Insiders begrijpen direct wat je bedoelt: geen mensen die ze allochtonen noemen en vooral geen Marokkanen. Pikant daarbij is dat de joodse David door zijn uiterlijk vaak voor Marokkaan wordt versleten, terwijl hij toch gewoon ‘kaas’ is.

David heeft tot nu toe voldaan aan de verwachtingen van Oud-Zuid. Hij heeft het Barlaeus afgemaakt en hij gaat al sinds z’n twaalfde met Naomi – een ambitieus meisje van vergelijkbare komaf. Alles wijst erop dat zij de Oud-Zuidtraditie zullen voortzetten. Maar David is spelbreker. Hij gaat – anders dan Naomi en zijn vrienden – na het gymnasium niet naar de universiteit, maar neemt een tijdje vrijaf om zich op zijn studiekeuze te beraden. Pa en ma betalen zolang voor hem. Hij mag op hun kosten ook naar dokter Bornstein, een vriend van de familie, om over zijn onzekerheden te praten. Het is de ouders er alles aan gelegen dat hij zich weer in het Oud-Zuidgelid voegt.

Maar dat is David niet van plan. Hij heeft andere interesses: zwarte vrouwen. Citaat: ‘“Ik wil een echte negerin,” zei ik. “Een die nog nooit met een blanke man heeft gepraat. De bounty moet ik niet.”’ (Een bounty is iemand die zwart is van buiten, maar wit van binnen.) En hij voegt de daad bij het woord. Via-via betreedt hij het zwarte Amsterdamse stadsdeel bij uitstek: de Bijlmer. Daar maakt hij kennis met jonge, alleenstaande moeders. Met één van hen, Rowanda, begint hij iets. Hij komt bij haar thuis, ontmoet haar familie en vrienden. Het is een confronterende en verbijsterende ontdekkingsreis, want zwarte vrouwen zijn compleet anders dan witte. Ze houden bijvoorbeeld graag hun hand op, waarvoor ze als tegenprestatie op elk moment dat hun zwarte mannen dat willen hun benen uit elkaar moeten doen.

C2W

Davids ambities gaan verder. Hij wil weliswaar een pikzwarte vrouw, zo dik als een oervenus – maar ze moet ook intellectueel zijn. Onnodig te zeggen dat hij die in het Bijlmermilieu niet vindt. Hij besluit zijn zoektocht voort te zetten in Memphis, Tennessee – een stad die hem vanwege haar muzikale traditie altijd heeft geïntrigeerd. Pa en ma betalen opnieuw. Ook in Elvis’ woon- en sterfplaats ontmoet hij weer zwarte vrouwen – en zowaar is er een intellectuele bij. Maar dan dringt de natuurlijk al lang te voorziene waarheid tot hem door: de intellectuele negerin bestaat niet. De kwaliteiten die zorgen dat een negerin een echte negerin is verdwijnen zodra ze een intellectueel wordt. De intellectuele negerin is net zo saai als de intellectuele witte vrouw. Terug in Amsterdam moet David nog een klap verwerken: Naomi heeft het aangelegd met zijn beste vriend. Een periode van terugtrekking en zelfverwaarlozing volgt. Of en zo ja hoe David zichzelf herpakt blijft in het midden.

Mijn eerste criterium voor de vraag of ik een boek goed vind is nogal banaal: heeft het me geboeid? Voor dat examen slaagt Vuijsje met vlag en wimpel. Zijn verhaal heeft vaart, is goed geschreven en geeft een inkijkje in een wereld waarvan je het bestaan wel kent maar die tegelijkertijd erg ver weg is als je je tot het autochtone deel van de bevolking mag rekenen.

Of het een roman is – zoals zo duidelijk op de cover staat vermeld? Dat geloof ik nou weer niet. Daarbij doet het er voor mij niet toe of Vuijsje alles wat hij hier in al die ultra korte hoofdstukjes beschrijft ook werkelijk heeft meegemaakt. Misschien wel, misschien niet. Maar een roman is (voor mij in elk geval) meer dan louter een beschrijving van gebeurtenissen – hoe kundig ook gedaan. Tekenend voor Vuijsje is dat hij zinnen waar het moeilijk dreigt te worden – als hij gedachten moet verwoorden – voortijdig afbreekt met een streepje, gevolgd door het woordje ‘stop’. Kennelijk weet hij het dan gewoon niet meer. Niets om je voor te schamen, maar het is de verdienste van de romanschrijver dat hij de elementaire descriptie nu juist wel kan ontstijgen. Ondanks de rijkelijk aanwezige dialogen vind ik Alleen maar nette mensen dus meer journalistiek. Goeie journalistiek, dat wel. Het boek zou een fantastisch krantenfeuilleton zijn geweest – eeuwig jammer dat die niet meer bestaan.


Eerder verschenen op Recensieweb

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *