Maandag, 9 december, 2013

Geschreven door: Grunberg, Arnon
Artikel door: Zeller, Claudia

Apocalyps

Huis-, tuin- en keuken-apocalyps

In veel opzichten is Arnon Grunberg een unicum in het hedendaagse literaire landschap van Nederland. Hij is een vat vol tegenstrijdigheden, alomtegenwoordig en toch ongrijpbaar, maar vooral een goed geoliede schrijfmachine: zijn oeuvre groeit gestaag met om het jaar een nieuwe roman, daarnaast is hij present als publieke intellectueel, huisspook, mensendokter en ‘embedded’ journalist in Afghanistan, vinexwijken en tijdens je gezinsvakantie. De meeste verhalen van Apocalyps spelen dan ook in die huiselijke sfeer die Grunberg zo nauwkeurig weet te vangen. Helaas bevat de bundel behalve ‘Apocalyps’, het titelverhaal, geen nieuw werk. Wel is het twintigtal verhalen door de auteur herzien. Blijkbaar heeft Grunberg het zo druk met het maken van opinies dat hij niet meer aan het schrijven van romans toekomt. Dan maar een verzamelbundel van eerder en elders gepubliceerde verhalen. Want Grunberg is een veredelde broodschrijver, zijn personages zijn variaties op elkaar, steeds gestoken in een ander jasje.

Toch is Apocalyps geen slechte bundel. De verhalen zitten aardig in elkaar en zijn goed geselecteerd; de ontsporing, soms vanuit het ik-perspectief, soms vanuit de meedogenloze blik van de onpersoonlijke verteller, is in alle verhalen present. De focus ligt daarbij steeds op het individu dat verstrengeld raakt in de krankzinnige structuren van de moderne maatschappij. Dat is knap gedaan, geheel volgens het adagium show, don’t tell. Grunberg geeft een stem, maar die stem is veelal dezelfde. De dialogen zijn wrang en komisch, en bewegen zich altijd net op het randje van een normaal gesprek. Want zoals de personages van Grunberg praten, zo praat geen mens maar een personage. En dat we stiekem allemaal slechts personages zijn, figurerend in een script dat niet voor ons is geschreven, dat beseft de schrijver maar al te goed.

Nonchalance en absurditeit

Opvallend genoeg zijn de ruimtes waarin de verhalen zich afspelen alledaags en inwisselbaar. In de nachtelijke straten van New York of Amsterdam, op de fauteuil bij de psychiater, in hotel- of slaapkamers, overal is de ontregeling voelbaar. En elke keer pakt Grunberg de realiteit en draait haar nonchalant de nek om:

‘In een limousine rijden ze van het Okura naar snackbar Barbarella in de Van Woustraat, waar Popov in hoog tempo zes kroketten naar binnen werkt en terwijl Sanders nog maar halverwege zijn patatje met is, wordt hij alweer door Popov in de limousine geduwd.’

Bazarow

Dit stukje over Ebel Sanders, hoofdredacteur van de landelijke krant De Ochtend die door zijn Bulgaarse baas op het matje wordt geroepen, is zo’n geval waarin Grunberg met slechts enkele streken een alledaagse situatie voorziet van een absurdistische noot. Maar dit verhaal, ‘De Bulgaren’, leest ook als een sneer naar Peter Vandermeersch. De nonchalance komt ook terug in de structuur van de verhalen en in de nuchtere toon die Grunberg beheerst als geen ander. Tussen de regels door worden heel wat moorden gepleegd of geïnsinueerd, en in bijna elk verhaal staat het falen van menselijke relaties centraal, het onvermogen om te (over)leven in een wereld die niet alleen door maar vooral ook voor iemand anders ontworpen lijkt. Een voor een zien we de personages bezwijken aan hun streven naar volmaaktheid en controle: ‘Ze wordt boos, op de lantaarnpalen, op de universiteit, op Kim, op haar vader, die zo nodig een vrouw uit moest zoeken die net zo oud is als zij.’

Geen verrassingen

Een van de interessantste en tegelijkertijd langste verhalen uit de bundel is ‘Welkom thuis’, waarin Grunberg het verhaal van een oud-militair die terugkeert uit Afghanistan vanuit vijf verschillende perspectieven vertelt. Voor de rest kent de bundel weinig hoogte- maar ook weinig dieptepunten. Door bijna alle verhalen lopen dezelfde typetjes, mannen van een zekere leeftijd die iets naars gaan doen. Het leest gemakkelijk, zo gemakkelijk dat je bijna Grunbergs vingers over het toetsenbord hoort ratelen, en dat is jammer.

Een verhalenbundel biedt immers bij uitstek de mogelijkheid tot veelzijdigheid. Spelen met vorm en genre, de rafelranden van de literatuur verkennen, dat soort dingen. In dat opzicht lijkt Apocalyps niet meer dan een vingeroefening. Ik acht Grunberg in staat tot beters, maar dat gevoel heb ik al sinds Blauwe Maandagen. Want Grunberg lezen is als een winterjas kopen in de Kalverstraat. Het is verschrikkelijk, maar je doet het toch, omdat het november is. Maar je raakt er niet aan gehecht.


Eerder verschenen op Recensieweb

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *