Woensdag, 25 maart, 2020

Geschreven door: Witte, Els
Artikel door: Verplancke, Marnix

Belgische republikeinen, Radicalen tussen twee revoluties

Naast de katholieken en de liberalen speelden ook de republikeins-radicalen een politieke rol van betekenis in het prille België. “De wie?,” horen we u al denken. Els Witte weet er alles van.

[Interview] Het is een boutade, maar boutades durven wel eens waar te zijn: de geschiedenis wordt door de overwinnaars geschreven. Dat geldt ook voor de Belgische geschiedenis en dan meer bepaald voor het verhaal over het ontstaan van ons land. Traditioneel gaat daarbij alle aandacht naar de rol van de katholieken en de liberalen en worden degenen die de revolutionaire wagen echt in gang zetten netjes verzwegen, de republikeins-radicalen dus. Els Witte, emeritus hoogleraar hedendaagse geschiedenis en voormalig rector van de VUB heeft als eerste een boek aan hen gewijd: Belgische republikeinen, radicalen tussen twee revoluties (1830 – 1850). “We moeten er geen doekjes om winden,” aldus Witte, “Zij zijn gewoon de voorvechters geweest van de opstand tegen de Nederlandse koning Willem I. Alles wat te maken had met de gewelddadige actie kwam van hen. Er zaten een aantal militairen en oud-militairen bij en die wisten hoe je het vuur aan de lont moest steken. Het is trouwens een steeds weerkerend patroon bij revoluties. De radicalen nemen het heft in handen, zorgen voor een omwenteling en moeten na verloop van tijd vaststellen dat de storm is gaan liggen en de realpolitiekers aan zet komen die hen vervolgens hardhandig opzij zetten. En zo ging het ook in België. Twintig jaar na de onafhankelijkheid was er van de Belgische republikeins-radicalen geen spoor meer.”

Waar streden die radicalen voor?

“Voor een republiek gebaseerd op het Jakobijnse gedachtengoed van de Franse Revolutie, teruggaand op Robespierre dus. Maar ze combineerden dat met ideeën van recentere datum. Zo hadden ze ook iets met het sociale katholicisme van Félicité de Lamennais en het vroege socialisme van Claude Henri de Saint-Simon, Charles Fourier en Louis Blanc. Centraal stond het radicale verlichtingsdenken dat vrijheid en gelijkheid eiste voor iedereen, en dus ook voor arbeiders en boeren en niet alleen voor de bourgeoisie. Eigendom wilden ze niet afschaffen, maar wel de concentratie ervan tegengaan door het heffen van progressieve belastingen. Vandaar ook hun initiële verzet tegen het regime van Willem I trouwens, dat volgens hen onrechtvaardige belastingen hief die de kleinverdieners lieten betalen voor de geneugten van de grootverdieners. In zekere zin waren ze de grondleggers van de verzorgingsstaat. Zo eisten zij het recht op arbeid, wat toch een heel modern begrip is, wilden zij een gemeentelijke en betere armenzorg en kwamen zij op voor sociale woningbouw. Zij wensen een overheid die een betere en rechtvaardigere maatschappij creëerde, net op het moment dat het kapitalisme zijn eerste lelijke gezicht toonde.’

Sociologie Magazine

En net op het moment ook dat Karl Marx in het land was, want die woonde toch van 1845 tot 1848 in Brussel?

“Met Marx hadden de republikeins-radicalen wel contact, maar zijn idee van de klassenstrijd en het staatscollectivisme vonden zij veel te ver gaan. Zij hingen het harmoniemodel aan en zagen niets in een klassenstrijd en een revolutie waarna het proletariaat de macht zou grijpen. Zij wilden hervormingen in het politieke systeem doorvoeren met als ultieme doel veranderingen in het sociale systeem. Ik denk dat ze bang waren van het geweld dat uitging van het proletariaat van Marx. Je zou hen kunnen zien als de voorlopers van de sociaal-democraten en dat zijn ook niet allemaal overtuigde marxisten geweest.”

Waarom is de republiek waarvoor zij vochten er niet gekomen?

“Vooral omdat de grote Europese mogendheden dat niet zagen zitten. Het piepjonge België besliste uiteindelijk niet zelf over zijn toekomst, maar wel Pruisen, Oostenrijk, Rusland en Engeland, allemaal konink- of keizerrijken dus. Dat België een koninkrijk zou worden was dan ook de enige realistische optie, beseften de realo’s in het Nationaal Congres dat over de toekomst van het land zou beslissen. Daar kwam nog bij dat de Franse Revolutie, de terreur en de annexatie van onze streken nog fris in het geheugen lagen. Alles wat te maken had met het woordje republiek was niet echt populair, en Willem I had die weerzin alleen nog maar aangewakkerd. In het Nationaal Congres probeerden de republikeinen er hun agenda door te duwen, maar zij konden absoluut niet op tegen de gematigde realo’s. Van een verandering van het kiesstelsel was er bijvoorbeeld geen sprake. Het bestaande, ingevoerd onder Willem I, werd praktisch volledig overgenomen, waardoor de republikeinen moeilijk verkozen geraakten.”

En toch hadden ze invloed, schrijft u.

“Er werd een grondwetcommissie opgericht waarin welgeteld één republikein zat die er meteen ook weer uitstapte omdat hij zag dat hij toch niets kon doen. Het concept dat door de Commissie opgesteld werd en dat naar het Nationaal Congres ging was in sommige opzichten nog conservatiever dan de grondwet van Willem I. Het Congres heeft dat concept nadien een meer liberale richting uitgestuurd. Daar hadden de republikeinen deels de hand in, ondermeer doordat ze bondgenootschappen aangingen met linkse liberalen. Zo wenste de Commissie bijvoorbeeld een senaat die door de koning benoemd werd en waarin de adel de hoofdrol speelde. Samen met de linkse liberalen hebben de republikeinen dat kunnen verhinderen. Net zoals de leden van het parlement zouden ook die van de senaat verkozen worden. Al moest er wel meteen een toegeving gedaan worden. Degenen die verkozen konden worden moesten minstens een cijns – of belasting – van duizend gulden betaald hebben, waardoor het natuurlijk alweer dezelfden waren die in de senaat terechtkwamen: de top van de bourgeoisie en de adel. Maar het principe van de verkozen senaat hadden ze er wel doorgekregen. En dat de Belgische koning van bij de aanvang beperkt was in zijn bevoegdheden en het parlement meer macht had, hebben we ook aan hen te danken, wat bij Leopold I, die pas in het land arriveerde toen de grondwet al van kracht was, trouwens op heel wat tegenstand stuitte.”

1848 was het jaar van de waarheid voor de republikeinen, niet alleen in België trouwens. Opnieuw hing er revolutie in de lucht. Waar kwam die opeens vandaan?

“De crisis van midden de jaren veertig. In Oost- en West-Vlaanderen heerste een werkloosheid van 60%. De traditionele vlasnijverheid stuikte in elkaar onder druk van het Engelse en ook wel binnenlandse katoen dat door de mechanisatie goedkoper was. Daar kwam nog de aardappelschimmel bovenop die mensen regelrecht de hongerdood injoeg. In de steden ontstond daardoor een draagvlak voor de republikeins-radicalen. De revoluties van 1848 begonnen in Sicilië en deinden daarna uit over het hele continent. Op school is ons altijd geleerd dat het vooral in Frankrijk kantje boordje was en dat de Franse koning op de loop moest voor de opstandelingen. Hier zou het slechts een rimpeling op het politieke wateroppervlak geweest zijn, maar dat klopt niet. Ik ontdekte dat de republikeins-radicalen er bijna in geslaagd zijn om ook hier een revolutie te beginnen. Het was vooral een zaak van Brussel en Wallonië. In Gent heeft men geprobeerd, maar dat bleek al na korte tijd onhaalbaar. De liberale regering Rogier-Frère Orban heeft meteen hard gereageerd en kreeg van de katholieken steun voor een repressieve anti-republikeinse aanpak. Er werd hardhandig opgetreden, er vielen talrijke slachtoffers en enkele tientallen republikeinen werden ter dood veroordeeld, een straf die uiteindelijk niet werd uitgevoerd omdat de publieke opinie het er niet mee eens was. In plaats daarvan zijn ze opgesloten in het onherbergzame fort van Hoei. Een aantal anderen werd verbannen en opruiende buitenlanders, waaronder Marx, werden de grens over gezet.”

En stopte daarmee ook hun politieke activisme?

“Voor velen onder hen wel. De ouderen zeiden de politiek vaarwel en legden zich toe op hun professionele carrière. Anderen sloten zich aan bij minder gevaarlijke bewegingen zoals het antiklerikalisme of de Vlaamse beweging die ook een progressief-liberale vleugel had met Vlamingen Vooruit!. Dat de republikeinen die zich daarbij aansloten zelf Franstalig waren, maakte voor hen trouwens niets uit. Binnen de radicale republikeinse beweging waren er van meet af aan mensen die het absurd vonden dat de taal en de cultuur van de helft van de bevolking volstrekt genegeerd werden en die dit wilden veranderen vanuit een democratisch gelijkheidsdenken.”

Over Els Witte (°1941, Borgerhout)

  • Studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en werd in 1974 hoogleraar aan de VUB.
  • Was van 1994 tot 2000 ook rector van die universiteit.
  • Kreeg in 1998 de titel barones.
  • Publiceert hoofdzakelijk over de politieke geschiedenis van België.

Eerder verschenen in De Morgen