Woensdag, 17 februari, 2016

Geschreven door: Bel, Jacqueline
Artikel door: Verplancke, Marnix

Bloed en rozen

Jacqueline Bel schreef een imposante geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de eerste helft van de twintigste eeuw. ‘Een verrassend geëngageerde periode,’ aldus de neerlandica die blij opveert wanneer we opmerken dat ze in tegenstelling tot veel van haar voorgangers Nederland en Vlaanderen op gelijke voet behandelt: ‘Al die jaren dat ik aan het boek werkte, heb ik ernaar gestreefd aan beide gebieden evenveel aandacht te schenken.’

Voor het geschreven woord was de eerste helft van de vorige eeuw een glorieperiode. De leerplicht had ervoor gezorgd dat meer mensen dan ooit konden lezen en schrijven. Er was nog geen tv en amper radio. Mensen zochten vertier en grepen naar een boek. Rond 1900 ontstond er een drukwerkexplosie omdat de persen sneller en goedkoper werden en papier bijna niets meer kostte. Tegelijkertijd zag je een democratisering van het schrijverschap, met de detective en de damesroman die steeds populairder werden. ‘Het was het walhalla van de lezer,’ aldus Jacqueline Bel, auteur van Bloed en rozen, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900 – 1945. ‘Maar menigeen zat toen wel te klagen over het moderne leven. De telefoon werd door Louis Couperus gezien als een bedreiging van de gezelligheid omdat hij het einde van het vriendenbezoek zou inluiden. En fietsers waren voor voetgangers levensgevaarlijk, waarschuwde Herman Teirlinck. Ze reden wel vijftien kilometer per uur. “Zulke dodelijke jachten werden dan ook verboden”, aldus de auteur. En Martinus Nijhoff constateerde weer dat men geen tijd meer had om romans te lezen en zich daarom beperkte tot de uit Amerika overgewaaide short stories. Een deel van de schrijvers zette zich af tegen de democratisering van de letteren. ‘Ik merkte dat verschillende bekende dichters hun werk in eigen beheer uitgaven. Die hadden dus geen uitgever gevonden, dacht ik, tot ik doorkreeg dat dit een bewuste strategie was. Zij gaven heel chique en kostbare edities uit die alleen voor de elite bedoeld waren. Daarmee wilden ze zich distantiëren van vaak vrouwelijke bestsellerauteurs of populaire genres. Cyriel Buysse, een van mijn favorieten, hield juist van zijn tijd en de nieuwe mogelijkheden die deze bracht. Zijn beschrijving hoe hij met Maurice Maeterlinck ging racen in de auto en helemaal onder de modder raakte is nog steeds hilarisch.’

Wat trof je het meest bij je onderzoek?

Bel: ‘Dat die periode literair gezien zo geëngageerd was. We denken nogal makkelijk dat er na de Tachtigers en Van Nu en Straks-ers vooral een esthetisering en autonomisering van de literatuur optrad, toch zeker in Nederland. De grote dichters Paul Van Ostaijen en Martinus Nijhoff hebben zich inderdaad ingezet voor de autonomisering van de poëzie, waarbij deze los werd geweekt van auteur en werkelijkheid. Dat is waar. Maar wat ik ook zag, was toch vooral heel veel engagement vanaf 1900. In Vlaanderen liep de Vlaamse Beweging als een rode draad door de literatuur. Ook zij die zich daar van afkeerden waren er indirect mee bezig. In Nederland had je dan weer de enorme belangstelling voor de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog rond 1900 die een gigantische nationalistische golf veroorzaakte. Het leek alsof echt iedereen plots gedichten ging schrijven over de verre ‘achterneven’ in Zuid-Afrika. Wat waren zij dapper in vergelijking met de versuikerde en gedegenereerde slappelingen in Europa, was de gedachte. En die poëzie was vaak echt veel meer dan alleen maar propaganda. De complexe, symbolistische P.C. Boutens schreef bijvoorbeeld een loflied op Paul Kruger, de leider van de Zuid-Afrikaanse Boeren. Dat was een uit de klei getrokken figuur die je toch niet meteen in het gezelschap van een van de meest verfijnde symbolisten zou verwachten. De eerste helft van de twintigste eeuw was een periode van veel oorlogen die aandacht kregen in de literatuur – de Eerste Wereldoorlog, de Tweede en ertussenin de Spaanse Burgeroorlog in de jaren dertig; het was de tijd van de opkomst van grote ideologieën als het socialisme en het fascisme, die veel schrijvers in kampen verdeelden. Het was vooral een tijd die niet alleen heel veel bloed deed vloeien maar ook mooie rozen voortbracht in de vorm van gedichten, verhalen, romans en kampdagboeken.’

Archeologie Magazine

Liepen Nederland en Vlaanderen op literair vlak parallelle parcours?

Bel: ‘Ja en nee. Een groot verschil was natuurlijk de Vlaamse Beweging die heel belangrijk was in de literatuur van het zuiden. De meeste Nederlandse schrijvers hadden daar geen belangstelling voor. En doordat Vlaanderen een deel is van België, was de invloed van de Franse literatuur daar een stuk groter. En vooral uit die hoek kwam in het begin de vernieuwing. Maar er was wel een intense wisselwerking tussen noord en zuid. Zo was Van de Woestijne een groot voorbeeld voor veel Nederlandse dichters, terwijl vaak is aangenomen dat alleen de Tachtigers – Willem Kloos, Albert Verwey en Herman Gorter – de vernieuwing hadden gebracht. Van de Woestijne liet Nederland kennismaken met het Franse symbolisme. En ook Cyriel Buysse had enorm veel succes in Nederland. Hij debuteerde er en werd er ook daarna uitgegeven. Met zijn kritische toon, die hij meer dan eens tegen de kerk en de Vlaamse Beweging richtte, was hij lange tijd niet zo welkom in Vlaanderen. Hij trouwde met een Nederlandse en woonde de helft van het jaar in Den Haag, de andere helft in Afsnee bij Gent. Walschap werd ook gewaardeerd in het noorden, misschien wel om zijn scherpe en aparte formuleringen. Zo schreef hij over een brute koloniaal die uit Congo terugkeerde naar België in Celibaat: “Het eerste dat hij kocht was een auto en het eerste dat hij overreed een kind.”’

Er waren in de eerste helft van de twintigste eeuw veel meer Nederlandse vrouwelijke auteurs dan Vlaamse. Is daar een verklaring voor?

Bel: ‘Het vrouwenkiesrecht is in België pas na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd, terwijl dat in Nederland al in 1919 gebeurde. Het is moeilijk om over dergelijke zaken keiharde uitspraken te doen, maar dat verschillende tijdstip waarop het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd zegt toch wel iets over de maatschappelijke positie van de vrouw in beide landen in die tijd. Dat betekent overigens niet dat er geen goede Vlaamse schrijfsters waren. Virginie Loveling hoorde bij de top en Alice Nahon kon ook heel wat harten bekoren, al zei Martinus Nijhoff over haar werk: ‘Men zakt weg in een donzen weeheid, in een kwijnend matrasje van fijnstemmigheid’.”

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal. Vlaanderen werd meegesleurd in de strijd. Leverde dat andere literatuur op?

Bel: ‘Nederland merkte niets van die oorlog, zo dacht men lange tijd, maar dat is natuurlijk onzin. Nederland kreeg in 1914 een miljoen Belgische vluchtelingen te verwerken, waarvan er honderdduizend de hele oorlog bleven. En het land raakte als neutrale natie geïsoleerd. Couperus vond het bijvoorbeeld vreselijk dat hij niet kon reizen, wat uiteraard toch een luxeprobleem was in vergelijking met hetgeen men in België meemaakte. In Nederland werden wel veel gedichten over de oorlog geschreven maar in de Vlaamse literatuur heeft de oorlog veel meer sporen nagelaten, ook bijzondere oorlogspoëzie, zoals de twee bundels loopgraafsonnetten van Daan Boens. En Van Ostaijens Bezette stad verscheen weliswaar na de oorlog, maar het was een heel nieuwe manier om naar die oorlog te kijken. Bovendien was er natuurlijk het activisme. “De bezetting houdt op / De bezetting begint”, schreef Van Ostaijen, waarmee hij doelde op de repressie die na de Grote Oorlog volgde op het activisme. Hij was op eenzame hoogte de grote avant-gardist van zijn tijd die telkens wanneer hij literaire volgelingen kreeg weer een nieuwe stap zette en iedereen zo voor bleef. In Nederland was er ook een avant-garde, maar die was minder geprononceerd. Theo van Doesburg vormde een uitzondering maar hij was weer zo radicaal dat hij uiteindelijk de betekenis overboord zette. Heel veel poëzie heeft hij ook niet geschreven, ook al is hij internationaal wel van belang geweest, zeker met het tijdschrift De Stijl.’

Hoe verteerden de Vlamingen en de Nederlanders de opkomst van het fascisme?

Bel: ‘In Vlaanderen werd dat fascisme – vaak spreekt men van rechts-radicalisme – gekoppeld aan de Vlaamse strijd, terwijl die in Nederland natuurlijk niet speelde. Daar kon Mussolini aanvankelijk op heel wat sympathie rekenen. Veel schrijvers wilden iets nieuws en verlangden naar snelheid. Er moest een nieuwe wereld komen, zoals Filippo Marinetti die in zijn futuristisch manifest schreef. “Misschien sterf ik ooit wel aan een fascistisch front”, zei Hendrik Marsman in een interview uit 1928. En nadat uitgever Stols Italië had bezocht in 1934 schreef E. du Perron hem: “Heeft de Duce je in zijn bronzen armen gedrukt?”. Jan Greshoff vroeg op zijn beurt: “Heeft Moes je aan zijn ruige mannenborst gedrukt?”’

Eén belangrijk tijdschrift had een redactie die zowel uit Nederlanders als uit Vlamingen bestond: Forum. Waarom was het zo’n kort leven beschoren?

Bel: ‘Forum is inderdaad jammerlijk mislukt. Het heeft van 1932 tot 1935 bestaan en was buitengewoon belangrijk. Het probleem was dat dit tijdschrift niet uit een Vlaams-Nederlandse vriendengroep was gegroeid, maar dat de redacteuren door een uitgever bij elkaar waren gezocht. En die redactie was indrukwekkend: E. du Perron, Menno ter Braak, Victor van Vriesland en later ook Simon Vestdijk aan Nederlandse kant; Gerard Walschap, Maurice Roelants, Raymond Herreman en Marnix Gijsen aan Vlaamse zijde. De scheidslijn tussen katholiek en neutraal bleek uiteindelijk het breekpunt. Er waren al snel spanningen. Na twee jaar werden er gescheiden redacties opgezet. Marnix Gijsen gaf het blad de finale doodsteek door zijn veto uit te spreken tegen een verhaal waarin volgens hem ironisch geschreven werd over de maagdelijkheid. Voor de Nederlandse redactie hoefde het toen ook niet meer.’

Speelde religie in Vlaanderen sowieso geen veel grotere rol dan in Nederland?

Bel: ‘Zeker, maar in de eerste helft van de twintigste eeuw zag je zowel in noord en zuid een katholieke vernieuwingsbeweging. In Nederland waren de katholieken lange tijd onderdrukt geweest. Zo duurde het bijvoorbeeld tot halfweg de negentiende eeuw voor er weer bisschoppen mochten worden aangesteld. Vanaf de jaren 1920 ontstond er onder jonge katholieken een moderne beweging die zich tegen de “rozenkransliteratuur” keerde. Veel kunstenaars voelden zich aangetrokken tot dit nieuwe geloof. Hendrik Marsman flirtte bijvoorbeeld een hele tijd met het katholicisme, zonder zich overigens te bekeren. Katholieken waren succesvol, ze richtten het ene nieuwe tijdschrift na het andere op, maar bij de Nederlandse protestanten was er weinig letterkundige vernieuwing te vinden. Wel brachten de protestantse schrijvers gezellige weekendjes met elkaar door, maar grote literaire meesterwerken zijn daar nooit uit voortgekomen. De Tachtigers hadden dan weer een profaan godsbeeld. “Ik ben een god in’t diepst van mijn gedachten”, schreef Kloos, maar dat was eerder beeldspraak natuurlijk.’

Religie was dus gewoon geen item in Nederland?

Bel: ‘Religie speelde op een andere manier een rol. Je had in ieder geval veel meer neutrale schrijvers, die dan soms gingen ‘geloven’ in het socialisme, zoals Gorter of Roland Holst.’

Vorig jaar zat u in de jury van de Libris. Heeft u na het lezen van 180 Nederlandse en Vlaamse romans de indruk dat er nog steeds sprake is van twee literaturen?

Bel: ‘Daar valt moeilijk over te generaliseren. Maar er zijn misschien wel wat verschillen. Sommige Vlamingen schrijven wellicht wat barokker, zoals Dimitri Verhulst of Tom Lanoye, al geldt dat natuurlijk niet voor iedereen. Wat dat betreft zou Peter Terrin net zo goed een Nederlander kunnen zijn. Dit jaar zijn Nederland en Vlaanderen gastland op de Frankfurter Buchmesse. Ik denk dat de Nederlandstalige literatuur daar als een geheel gezien zal worden. Het werk van Stefan Brijs, Stefan Hertmans of Annelies Verbeke is toch net zo populair in het noorden als in het zuiden? Het Nederlandse taalgebied is te klein om daar nog eens een scheiding in aan te brengen.’

Verschenen in Knack

  • Bloed en rozen

  • Ster(ren)

    (5)
  • Auteur(s)

    Bel, Jacqueline
  • Vertaler(s)

    Onbekend
  • Recensent(en)

    Verplancke, Marnix
  • Aantal Pagina's

    1141
  • Publicatiejaar

    2015
  • Uitgever(s)

    Bert Bakker
  • ISBN

    9035130470, 9789035130470
  • ISBN E-Book

    Onbekend
  • Categorie(ën)

    Onbekend
  • Genre(s)

    Literatuur

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *