Donderdag, 14 april, 2011

Geschreven door: Boose, Johan de
Artikel door: Hopman, Bob

Bloedgetuigen

Het gewetenloze kreng dat eeuw heet

Het is met 724 pagina’s ongetwijfeld de omvangrijkste Nederlandstalige roman van 2011, Johan de Booses Bloedgetuigen. En dat blijkt nog tekort, met een verhaal dat de aanloop tot de Eerste Wereldoorlog, de Russische revolutie, het interbellum, de Tweede Wereldoorlog en het verval van de naoorlogse Sovjet-Unie bevat. Alles wordt getoond vanuit minimaal drie perspectieven: het Russische, het Joods Oost-Europese en het West-Vlaamse. En dan duikt tussendoor steeds nog de slettebak op die zich ‘de twintigste eeuw’ noemt, om alles met weinig verbloemend taalgebruik te voorzien van een lekker tegendraads en cynisch metacommentaar.

Als cynische ‘kroniek van de twintigste eeuw’ wordt de roman bij de opening gepresenteerd. In de ‘Proloog tot de essays van de slettebak over het climaxorgasme’ – het climaxorgasme is een sierlijke benaming die de eeuw aan haar eigen geschiedenis toekent – introduceert zich de gewetenloze, politiek uiterst incorrecte verteller, de del, het ‘twintigste Post Christum’ en kondigt een verhaal van honderd jaren aan vol zinloos bloedvergieten van de ‘Haakneuzenneuker’ genaamd Hitler tegenover de ‘Kakkerlak’ genaamd Stalin, van verraad en antisemitisme: ‘ik steek mijn vinger in mijn mond en trakteer u op mijn ziel.’

De kotsbui wordt vervolgens maar gedeeltelijk waargemaakt. Dat is vooral omdat de drie verschillende verhaallijnen niet dezelfde politieke incorrectheid en verrassende wereldvisie bevatten die de ‘essays van de slettebak’ wel hebben. Ze worden achter elkaar gezet door een neutrale vertelstem, zijn nogal moraliserend en tonen de oorlogen en idealen vanuit een vooral Westers correcte en daarom voor de historisch onderlegde lezer al bekende optiek.

Het eerste van de drie vertellingen is dat van de familie Martin, conservatieve, germanistische Vlamingen die hun kinderen zodanig indoctrineren dat deze aan het Oostfront tegen het rode gevaar willen vechten. Het is de jonge Jean die uiteindelijk ten strijde trekt, onder de valse belofte van een leger met een Vlaamse leeuw.

Wordt Vervolgd

Het tweede verhaal is politiek neutraler van aard, en speelt zich af in het eerst (vóór de Russische revolutie) rijke, maar later uitgezogen en vernederde Petersburg/Leningrad. Centraal staat hier de schijnbaar onsterfelijke Kamila Darkin, via wie, op haar jonge jaren als gegoede burger na, alleen de misère van het leven in Rusland aan het licht komt.

De derde en meest schijnende vertelling is die van een Joodse gemeenschap uit het huidige Oekraïne, waarvan enkelen zich aansluiten bij het Stalinistische leger en de overigen naar onder andere Auschwitz worden gedeporteerd. Efraïm hoort bij de laatste groep, Ljev die het meest wordt gevolgd, bij de eerste.

De climax van de twintigste eeuw, zo zal niemand verwonderen, vindt plaats rond het jaar 1943, als hele volkeren worden geslacht, uitgehongerd en de overwinnaar zijn buit mag misbruiken en verkrachten. Op dit punt in het boek bevinden Ljev, Jean en Kamila zich – zonder van elkanders bestaan te weten overigens – dicht bij elkaar, in de slag om Leningrad. Hier wordt elke handeling tot in detail beschreven, op momenten tot op het misselijkmakende af. De Boose doet er goed aan zijn personages niet te sparen: onder hen zijn er die deel uitmaken van de 26 miljoen slachtoffers, er zijn er die het slachtoffer worden van verkrachting en sodomie, van plunderingen en uithongering, en er zijn er die zich hier schuldig aan maken, zoals Ljev, die met het Rode leger Oost-Duitsland mag binnentrekken.

‘Opeens gaf Rust hem een enorme duw in de rug, zodat hij voorover viel. Vlak bij hem lag een huilend meisje. Hoe oud ze was, durfde hij niet te raden. Haar kleine borsten zagen vuurrood en op haar onbehaarde buik liep een bloedspoor. Ze lag half neer en was niet in staat om op te staan. […]
“Denk aan de reus met de bezemsteel”, zei Rust en hij drukte zijn pistool in Ljevs kont.’

Het venijn van deze scène (Ljev verkracht het meisje) zit hem in het waargebeurde. De Boose, doctor in de Slavistiek, heeft, zo word je je al vroeg in het boek bewust, een grote feitenkennis en toont ‘zijn’ versie van historische gebeurtenissen. Door Ljevs ogen wordt de lezer deelgenoot van een van de zwartste pagina’s uit de Europese geschiedenis.

Maar in de manier waarop dit gebeurt wordt de plank gedeeltelijk misgeslagen. Ljev wordt bedreigd, en handelt alleen omdat hem een pistool in het achterwerk wordt gestoken. Hij blijft ‘goed’ en hier wringt hem de schoen. Was het personage meer als ‘de slettebak’ zelf geweest, gewetenlozer, dan had hij deel uit kunnen maken van de geschiedenis zoals deze nog niet is getoond in de Nederlandstalige literatuur en had hij mij kunnen verrassen. Nu overkomt hem de geschiedenis: het ‘gebeurt’, zoals de gehele roman een (haast eindeloze) opeenvolging van gebeurtenissen is. En dat is niet zo vreemd: er gebeurt nogal wat in een eeuw, te veel, zelfs als dit uitgespreid wordt over een zo groot boek.

Als de Tweede Wereldoorlog de climax van het boek vormt, is de nasleep en het naar huis keren van alle overlevende karakters het denouement. Een van ruim honderd pagina’s, vervuld van triestheid, doelloosheid en een onmogelijkheid van mensen om zich nog aan de wereld aan te passen. En vreemd genoeg is dit, in al zijn neerslachtigheid, het deel dat bij mij het meest beklijft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *