Vrijdag, 11 oktober, 2013

Geschreven door: Versteeg, Wytske
Artikel door: Putten, Suzanne van

Boy

Leven na dood: een sterven verwerken

De kunst om mensen op afstand te houden; de hoofdpersoon van Boy is er een ster in. De gedachten die ze ver weg houdt van de buitenwereld, deelt ze wel met de lezer. In haar tweede roman heeft Wytske Versteeg vanuit het perspectief van een rouwende (adoptief-) moeder een overtuigend verhaal neergezet. In de 190 pagina’s die het boek telt komen we dicht genoeg bij haar om haar koele karakter te leren kennen.

[Zie ook de voorpublicatie op Athenaeum.nl]

Gedetailleerd krijg je als lezer mee hoe Boys moeder, die verder naamloos blijft, zich voelt. Gevoel en gevoelloosheid gaan in dit proces samen op. De hoofdpersoon verlangt ernaar ‘dat er iemand net zo om Boy zou rouwen als ik, dat we samen waanzinnig zouden zijn’, maar tegelijk voelt ze zich afwezig, een buitenstaander. In die positie voelt ze zich verbonden met Boy: ook hij was een eenling, op zoek naar mensen om bij te horen. Kan ze, nu ze hem verloren heeft, zich nog wel verbonden voelen met de wereld om haar heen? Die vraag wordt net zozeer onderzocht als de vraag naar de ware omstandigheden rond Boys dood. Evenals in Versteegs debuutroman De wezenlozen speelt het disfunctioneren van de hoofdpersoon in diens omgeving een centrale rol.

Genreontwikkeling

Voor de beantwoording van de laatste vraag verhoort ze een van de jongens uit Boys klas, Timothy. Even lijkt het boek zich te ontpoppen een detectiveroman, als deze Timothy haar vertelt dat de oude drama-docente Hannah verantwoordelijk is voor Boys dood. De moeder neemt zich voor om haar zoon te wreken en gaat op zoek naar deze vrouw, die in Bulgarije is gaan wonen om een nieuw leven op te bouwen. Deze verhaalontwikkeling wordt echter snel weer ingesnoerd door de korte tijdsduur tussen dat moment en de aankomst bij Hannah. Het verhaal is meer dan alleen een mysterie dat opgelost moet worden. Dat is krachtig: niet alleen gaat het verhaal om Boys dood, maar juist ook om het leven daarna.

Sociologie Magazine

Herinneringen

Vanaf deel twee van het boek verschuift de focus van het verhaal. Hoewel de ik-persoon nog steeds een prominente rol speelt, is nu ook Hannah aan het woord. De ik-persoon houdt de ware reden van haar komst geheim; ze zegt dat ze vrijwilligerswerk komt doen. In de loop van dit deel weet Versteeg de spanning op te bouwen: geen van de vrouwen geeft zich helemaal bloot; beiden delen ze niet alle informatie die zij kennen. De ik-persoon heeft daar een duidelijke reden voor – het taalgebruik wordt soms bijna poëtisch – ‘Want deze dingen, herinneringen, gedachten, slijten wanneer je ze deelt. Ze worden valer, raken gemakkelijker besmet, vervuild, één onhandige opmerking en alles raakt vervormd.’ De ik-persoon geeft hier een van de motieven voor haar afstandelijkheid: alleen door mensen op afstand te houden houdt ze de herinneringen en de ervaringen zuiver.

Later voelt ze zich wel vrij om over Boy te vertellen. ‘Langzaam,’ zo zegt ze, ‘woord voor woord en haperend, breng je hem opnieuw tot leven, zet je je dode zoon weer op de wereld’. Volgens de ik-persoon heeft Hannah heel andere motieven om te spreken over haar verleden: ‘Misschien gelooft ze daadwerkelijk dat praten helpt om de herinneringen uit haar lichaam te verwijderen’. Op filosofische wijze worden taal en herinnering hier aan elkaar gekoppeld. De ik-persoon zegt dat woorden nog krachtiger zijn dan de herinnering zelf: ‘Nog nooit was je zo zijn moeder als nu hij er niet meer is, nooit was je zo dichtbij’. Door Boys dood worden herinneringen aan hem (sterker nog: haar relatie met hem in zijn leven zelf) voor de ik-persoon levendiger. Ook in een herinnering aan een eerdere periode, net na de adoptie, merkt de ik-persoon op dat Mark en zij ‘praatten over hem tot we er moe van werden en terwijl we praatten werd Boy echter, meer ons eigen kind’. Taal verandert de werkelijkheid, lijkt de ik-persoon te willen zeggen.

Wraak

Het motief wraak – de reden van de ik-persoon om naar Bulgarije af te reizen – lijkt op het eerste gezicht van de pagina’s te verdwijnen. Niet met grof geweld gaat de moeder Hannah te lijf. Wraak kan ze echter pas nemen als ze ervoor heeft gezorgd dat Hannah zich heeft blootgegeven: ‘Als ik weet (…) wat ze denkt, hoe ze lacht, hoe haar gezicht eruitziet als ze denkt dat ze alleen is, als ik dat allemaal weet zal ik haar doden.’ De ik-persoon voelt zich machtig omdat ze meer weet dan Hannah, en die kennis lijkt ze als een zwaard van Damokles boven Hannah’s hoofd te willen hangen. Als Hannah een ongeluk krijgt, lijkt er echter een nieuwe vorm van macht aan de ik-persoon te zijn toebedeeld. ‘Liever zou ze [Hannah] alleen zijn, liever zou ze de kou in lopen om niet meer terug te komen, liever langzaam wegzakken, maar jij staat dat niet toe. Ze zeggen dat het een rustige dood is, te sterven van kou. (…) Dus houdt je haar in leven, verzorgt haar goed’. De ik-persoon heeft het lot van Hannah’s leven in handen, tegenovergesteld aan hoe ze Boys dood niet kon voorkomen.

Interessante lijnen van verantwoordelijkheid, kwetsbaarheid en zichzelf blootgeven, de waarheid naar boven halen – de waarheid die Hannah heeft ‘(…) begraven onder dikke lagen woorden; wat er echt gebeurd is leeft diep in haar lijf’ – komen op een knappe manier samen in het boek. Niet direct in het einde van het boek, hoewel je als lezer dan wel te weten komt wat er echt is gebeurd. Het zijn veel meer de niet-feitelijkheden, de gedachten en de emoties, juist het verlangen naar en tegelijk het uitstellen van de waarheid, die dit boek voor mij tot een mooi werk maken.