Dinsdag, 26 oktober, 2021

Geschreven door: Lavrijsen, Jan
Recensie door: Stoel, Jan

Brabbelepoepsie

Adembenemend mooi

[Recensie] Auteur Jan Lavrijsen (1950) laat in zijn debuut Brabbelepoepsie, dat bestaat uit twee verhalen en een novellen, zien over een rijke woordenschat te beschikken. Woorden als ‘schaverdijn’, ‘razzmattaz’ en ‘vedische soma’, om er maar een paar te noemen uit het openingsverhaal De Tovertuin, worden aan de vergetelheid ontrukt. Je maakt de betekenis wel op uit de context, maar wil je zeker zijn dan moet je het even opzoeken. Dan kom je erachter dat ‘piechem’ ‘dwaas’ betekent en een ‘fieteldans’ voor ‘zenuwziekte’ (cfr. Sint vitusdans) staat. Het spelen met taal, het kleuren van verhalen door taal, het gebruikmaken van de klanken van de woorden, het ritme van opeenvolgende woorden zijn kenmerken van de stijl van Lavrijsen. Soms lijkt het wat veel, maar ieder woord blijkt zijn functie te hebben.

“Schoongewassen onder een groen gespikkelde petticoat, borsten geheven in een topje als een tulp, doemde eerder die avond een jongedame op, met wangen als bellefleuren, golvende lokken, een glimlach op de lippen en een wenkbrauw met een vragend sprongetje. Vegen blijheid op haar gezicht, de mooiste make-up. In haar ogen de schemering en een tovertuin. Hemeltje, dit is Brabants welvaren, een gedicht in vlees en bloed, Dante’s Beatrijs”

Bovenstaand citaat komt uit De Tovertuin. Een twaalfjarige jongen bezoekt in 1963 stiekem een openluchtbal. “”Mefisto grijpt me, duwt me over de streep, sleurt me richting…Wat? Plezier hoop ik. En wat nog meer…onthullingen, misschien.” Wat zijn ogen zien is voor hem totaal nieuw: “In een vloek en een zucht vermorzelt Dionysos, de god van vrolijkheid en vrijheid, wees gegroet, de moraliteit.” De jongen wordt geconfronteerd met liederlijkheid, uitspattingen op seksueel gebied, meer dan zijn ogen kunnen verdragen en zijn hersenen kunnen verwerken. Kortom iedereen gaat los op het bal. En zo schrijft Lavrijsen het ook op, in hallucinerende taal, waarin beelden over elkaar heen buitelen. Maar er zit ook een dieper laagje in het verhaal. Niet voor niets is het Mefistofoles, de duivel uit het Faust-verhaal, die de jongen verleid heeft. Het levert een verrassend einde op.

Lavrijsen weet fictie en werkelijkheid met elkaar organisch te verbinden. Is in het eerste verhaal een jaarlijks bal in zijn woonplaats, het Noord-Brabantse Reusel, het onderwerp, onder het tweede verhaal Koning Karel ligt het verhaal van de pastoor in zijn woonplaats ten grondslag. De pastoor volgde zijn eigen ‘enige juiste’ weg en kwam steeds verder van de gelovigen kwam af te staan. Als je dit weet wordt krijgt het verhaal extra reliëf en wordt het een satire waarin op humoristische wijze kritiek wordt uitgeoefend. De pastoor is in dit verhaal een koning geworden die allerlei eenzijdige maatregelen weet te nemen, zoals het plotsklaps herintroduceren van de oude taal van de voorvaderen (lees het Latijn in de Eucharistie). De koning is niet gevoelig voor de opmerkingen van Gazettus (de krant): “Kritiek en verwensingen glijden van mij af als regen op een eend.” Er hangt oorlog in de lucht en het volk richt zich tot de Grootvorst van de Statenbond, Lévèk (de bisschop; die ook niet on speaking terms was met de pastoor) want “een goede herder scheert zijn schapen, vilt ze niet.” De auteur voert uiteindelijk Machias Velli ten tonele, die geheel volgens de traditie van het machiavellisme de zaak zo probeert te manipuleren dat de koning aan de macht blijft. Maar of het hem lukt?

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Het titelverhaal is een juweel en kent twee verhaallijnen. De eerste betreft een jongen die in 1957 bij zijn ‘opa Graard’ logeert. Hij is de oogappel van opa. Graard vertelt hem gaandeweg zijn aangrijpende levensverhaal. Dat is de tweede verhaallijn. Daardoorheen meanderen historische feiten, die teruggaan tot aan de jeugd van opa (het begin van de twintigste eeuw) en verhalen over de emancipatie van het Brabantse platteland, de gebruiken op het platteland, de ontspanning, de sociale cohesie en wat behoren tot een familie inhoudt. Het begint met een boerenbijeenkomst in een café waar de keuterboertjes perspectief geboden wordt: samenwerken in een boerenbond, een leenbank, een nieuwe bemestingsmethode met guano. Ook hier weet Lavrijsen de personages weer karakteristiek uit te tekenen. Zoals de Norbertijner pater (de witheer Gerlaches van den Elsen) “een imposante verschijnen die als een lichtende zon schril afsteekt bij de grauwe massa van de boerenaanwezigen.” En het schrille mannetje dat hem vergezelt: “Hij heeft het voorkomen van een energieke maar spichtige spin met de maat van een graatmagere beer die je in de huid prikt en in je bloed kruipt om je gedachten te sturen of ze lam te leggen.”

Hoe het leven Graard getekend heeft gaat onder je huid zitten, ontroert. Uiteindelijk krijg je zicht op waarom Graard zo blij is met zijn ‘kleinkind’. Dan wordt duidelijk wat Brabbelepoepsie betekent. Dit verhaal is van een grote schoonheid en met liefde en aandacht voor het kleinste detail beschreven.

“Mijn grootvader hield schapen. (..) Op een spinnewiel spon mijn oma van hun wol draden voor kleergoed om je je hele leven met hun adem warm te houden. Beschouw jouw leven als zo’n draad ie door spinster onder de levensboom gesponnen wordt. Maar, let wel, die draad is onvast, jammer genoeg. Hij rafelt nu en dan en kan zelfs breken omdat ze er aan blijven trekken, ongelijkmatig soms, zolang je leeft, tot aan je laatste snik.”

Brabbelepoepsie overtuigt. Lavrijsen weet de spanning in zijn verhalen goed vast te houden en ieder van de verhalen kent een twist aan het eind. De ene keer tovert het een lach op je gezicht, een andere keer raakt het je diep. Lavrijsen is een verteller, houdt van taal, schrijft prachtig, heeft een beeldende stijl. De ondertitel van de bundel is ‘verhalen over kleine mensen.’ Maar de auteur weet het particuliere en lokale te overstijgen. Daardoor wordt het universeel en gaat het over wat mensen bezighoudt. Adembenemend mooi!

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles