Dinsdag, 21 september, 2021

Geschreven door: Barnard, Benno
Verloes, Eddy
Artikel door: Geerlings, Dietske

Buiten zinnen/Losing our minds

‘Vervreemding in woord, beeld en toon’

[Recensie] De bundel Buiten zinnen vormt een bijzondere samenhang tussen foto’s, poëzie en muziek. Het begon met de fotograaf Eddy Verloes, die op een stormachtige dag op een Belgisch strand enkele uitgelaten chassidische Joodse jongens zag. De foto’s die hij van hen maakte, stuk voor stuk haast mystieke eilanden van schoonheid, vormden vervolgens de inspiratie voor de poëzie van Benno Barnard, Buiten zinnen, die tenslotte door Bart Bekker en Jan Vanwinckel in het muzikale project The river curls around the town op muziek is gezet. Het is wonderlijk hoe sterk het werk van deze kunstenaars op elkaar afgestemd is.

De bundel is absoluut een lust voor het oog. De hardcover in oblongformaat toont in zwartwit een stuk strand waarop de jongens met hun wapperende, zwarte kleding de duinen in rennen. Het witte zand met de zwarte figuren vormt een verhaal op zichzelf, een stille wereld van vervreemding. De kleding roept herinneringen aan wetten en religie op, die contrasteren met de uitgelaten houding van de jongens en de plek: een uitgestrekt, ongerept stuk strand waarop het stormt.

Niet alleen de foto op de cover, maar ook de foto’s in de bundel zijn schitterend. Soms zie je een eenzame figuur met schaduw in een bijna leeg landschap, dan meerdere figuren in wisselende samenstelling, steeds met dezelfde wapperende kleding en hoeden, in de verte de branding, of een stuk duin, de ene foto licht, de andere duister. De foto’s spreken allemaal bijzonder tot de verbeelding. Behalve vervreemding roepen zij ook kwetsbaarheid op: de jongens staan op zichzelf, maar vormen ook een gemeenschap en zijn een eenvoudig doelwit, omdat ze zo herkenbaar zijn. Het zwart roept herinneringen op aan de Joodse geschiedenis van vervolging en geweld.

De poëzie van Barnard sluit hier heel mooi op aan. De openingsregels vind ik misschien wel het sterkst van de hele bundel: “Je bent een sleutel/waarvan het huis is weggegooid.” Deze regels verwoorden wat je ziet op de foto’s: het uiterlijk van de jongens is de sleutel naar de Joodse religie, maar in plaats van dat zij in de synagoge zijn, staan zij op een strand, vervreemd van wat zij verbeelden. Het Joodse volk is in de geschiedenis steeds opgejaagd, zonder heimat: “en de straten in onze steden/zijn niet voor de muziek van jouw voetstap geplaveid.”

TijdvoorTijdschriften

Barnard beschrijft de Joodse cultuur als halfvergaan, alsof er alleen nog flarden van over zijn, die een bizar stilleven vormen in de moderne tijd, zoals in ‘Alte Synagoge’, dat begint met:

“Ergens diep in een Donauland, werkloze uithoek
waar de geschiedenis zich op een brommer
zit te vervelen, treffen wij, bezwete dames en heren,

het stoffelijk overschot uit onze moffengids aan:
overwoekerde, brokkelige muren die hulpbehoevend staan
om te vallen, ongecontroleerde bomengroei, afval,

gebruikte condooms, gebroken bierflesjes, stompzinnige
graffiti, die altijd weer kwaadaardiger
klinken dan je wil geloven. Urine en onheil.”

Daarnaast verwijst de dichter naar opvallende elementen uit de Joodse cultuur, zoals het gevoel voor humor, de rabbi’s, de sjoel, maar ook het Jiddisch. Er is een schrijnend gedicht over een jongeman die uit ‘kamp A’ komt en naar zijn ouderlijk huis gaat, waaruit alles gestolen is. Als hij voorwerpen uit zijn ouderlijk huis herkent, zoals de stoel van zijn vergaste vader, zegt het volk: “Van de rommelmarkt”. Hij wijst op “de schroeiplek van zijn vaders sigaret, zijn sjibbolet. Nu vermoedt het volk een schat/en biedt hem vijftig procent van de juwelen of waardepapieren/die zijn ouders vast hebben verborgen.” In ‘De ontkenner’ beschrijft hij de waanzin van holocaustontkenners:

“Een bloedmaan rijst, de wolf huilt het hele woud
bij elkaar en de tijd doet wat hij altijd doet,
verstrijken. Nevel tussen de Germaanse

bomen. Oude herinneringen krijgen het koud.
En het is of een knokige hand
je schedel openzaagt en de hersenen eet

uit het diepe bord van je hoofd. Zo hoor je
bijvoorbeeld deze of gene held van de ayatollahs,
die over Zyklon B kletst of het een snoepje was.”

Regelmatig verwijst Barnard ook naar de foto’s zelf, waarop de fladderende figuren op het zand staan, als een wereldvreemde beweging. Een enkele keer verstoort hij de ingetogen sfeer, die op de foto’s juist intact blijft, door misplaatste beeldspraak, zoals de vergelijking tussen de zwarte figuren en ‘zwarte Pieten’.

Tenslotte wacht achterin de bundel nog een cd met de in het Engels vertaalde gedichten die op muziek zijn gezet door The river curls around the town. De muziek van de verschillende nummers vormt net als de foto’s en meer nog dan de gedichten zelf, een eenheid. Misschien dat foto’s en muziek zich daar ook meer voor lenen. Terwijl de foto’s kunnen volstaan met enkele eenvoudige elementen, de muziek met een ingetogen, wat mysterieuze combinatie van elektronica en luisterpop, gaat de taal algauw alle kanten uit, omdat de dichter, wil het gedicht enige betekenis oproepen, niet buiten ‘zinnen’ kan, terwijl deze poëzie tegelijkertijd ontegenzeggelijk ‘buiten zinnen’ is.

Eerder verschenen op Tzum