Donderdag, 1 oktober, 2020

Geschreven door: Diverse Auteurs
Artikel door: Veen, Evert van der

Buitenplaatsen in de Gouden Eeuw

De rijkdom van het buitenleven in de republiek

[Recensie] “Het aanzienlijk buitenleven van de zeventiende en achttiende eeuw mag inmiddels opgenomen zijn in de canon van de Nederlandse geschiedenis, heel bekend bij het in ons verleden geïnteresseerde publiek is het fenomeen niet”, aldus de auteurs, die de bijdragen in dit boek redigeerden, in hun voorwoord. Dit boek Buitenplaatsen in de Gouden Eeuw laat de lezer uitgebreid kennismaken met de rijkdom aan buitenhuizen die ons land nog altijd telt.

Johan Huizinga, bekend van Herfsttij der middeleeuwen beschreef het fenomeen van buitenhuizen in een bundel in 1941:

“De algemene welvaart scheen aan de gezeten burger evengoed als aan de regenten het genot ervan voorgoed te verzekeren. Ganse streken des lands waren bedekt met buitenhuizen, dicht bij de stad, waar men het beste jaargetij sleet, gevarieerd van het kasteel en het grote landgoed der aanzienlijksten en rijksten, met hun heerlijkheden, titels en wapenborden, tot de koepels aan de vaart van de voorspoedige neringdoende toe. Het was een levenswijze die in geen ander land op die schaal mogelijk ware geweest; een hoge graad van openbare veiligheid en de kleine afstanden waren gewichtige voorwaarden. De vreemde reiziger moest dit land wel voorkomen als een soort burgerlijke Hof van Eden”, pagina 12.

Zó bloemrijk is de beschrijving in het boek Buitenleven in de Gouden Eeuw uiteraard niet; nieuwe inzichten zorgen voor een integrale, cultuurhistorische benadering waarin veel informatie wordt aangereikt. In tien bijdragen worden diverse gewesten van ons land belicht waaruit de grote variatie in het buitenleven blijkt. Dit werd economisch gezien mogelijk gemaakt door beleggingen in grond en succes in de handel. Mensen die het zich konden veroorloven wilden de zomertijd op het platteland doorbrengen, dichter bij de natuur. Tevens was een buitenhuis een manier om status uit te drukken. Het was “het vermakelijkste, voordeligste, gezondste, ja menigmaal ook wel het zaligste” leven zoals Jan van de Groen dat in 1669 omschreef.

Wordt Vervolgd

Vandaag zijn de buitenhuizen aan de Amstel, Oude Rijn, Vliet en met name aan de Vecht nog altijd indrukwekkend om te zien. Maar ook in voormalige droogmakerijen in Holland en in de kuststreek achter de duinen werden buitenhuizen gebouwd.

In 1664 verscheen van Bernardus Schotanus in opdracht van de Gedeputeerde Staten de “Beschryvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt tusschen ’t Flie end de Lauwers”. Hij komt tot 167 staten en hofsteden, een andere telling zelfs tot 326 buitenhuizen. Het waren de politiek-juridische elite en de gegoede burgerij die zich dit konden permitteren. Vanaf het midden van de 17e eeuw werd het Hollands-classisistische buitenhuis populair. Vele afbeeldingen laten daar fraaie voorbeelden van zien.

Het boek Buitenplaatsen in de Gouden Eeuw besteedt ook aandacht aan politieke en economische achtergronden in deze periode zodat de lezer zicht krijgt op de historische context waarbinnen de buitenhuizen zijn ontstaan. Vaak werden kastelen verbouwd tot buitenhuis; burgers wilden op deze manier het ridderschap verwerven en tot de ridderstand toetreden.

In andere bijdragen is er aandacht voor buitenhuizen in bijvoorbeeld Utrecht waar behalve aan de Vecht ook zomerverblijven rond Zeist en Amersfoort zijn gebouwd. Op de Veluwe, in de Achterhoek en Betuwe heeft de adel een rol gespeeld in de bouw van buitenplaatsen. Alle delen van ons land komen in deze bundel ter sprake en daaruit blijkt de grote verspreiding van buitenhuizen.

Dit boek is een goede rondleiding door ons land en een waardevolle kennismaking met vele van deze buitenhuizen die in al hun verscheidenheid ook veel gemeenschappelijk hebben zoals in de aanleg van vaak royale tuinen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles