Dinsdag, 17 augustus, 2021

Geschreven door: Friedman, Carl
Recensie door: Waanders, Liliane

Verzameld werk

“Carl, Carl Friedman en haar verzameld werk”

[Column] Ik was er bij toen Carl in een winkeltje in de Jordaan dat curieuze cassettebandje kocht, ‘Cowes a capella, gemaakt door een zekere Cornelia Hoedeman’ – ze kocht overigens ook nog een trommeltje met ingeblikt koeiengeloei, maar daarover rept zij niet in haar column Zittende koe. 
Terwijl ik me daar in dat winkeltje afvroeg wat Carl met haar aankopen van plan was, nestelde zich in haar hoofd vermoedelijk al een verhaal. Een verhaal waarin ze haar liefde voor koeien kan belijden. Want dat is precies wat ze in Zittende koe doet.

Een paar weken na de aanschaf van het cassettebandje haalde haar koe(ien) de krant – of eigenlijk het weekblad waarvoor Carl Friedman toen haar columns schreef – en een jaar later werd de zittende koe uitgelicht op de achterflap van een verzameling gebundelde columns. En nu kom ik haar opnieuw tegen in Verzameld werk. 
Las ik de column de eerste keer nog met het bezoek aan dat winkeltje in de Jordaan in mijn achterhoofd, later voegde het verhaal zich naadloos in een oeuvre waarvan ik stilletjes bleef hopen dat er achter de schermen hard aan gewerkt werd. Want niet alleen voor het grote publiek bleef het angstvallig stil. 
Hoe relevant én goed geschreven de columns ook zijn, het wachten was toch op een nieuwe roman of een vers verhaal. Dat het stil bleef begreep ik – nee, díe oude koe ga ik hier niet uit de sloot halen – maar betreuren deed ik het zeer.

Wachtend op Verzameld werk herlas ik de afgelopen weken wat ik van Carl Friedman in de kast heb staan: een novelle, een roman en een verhalenbundel, verzamelde columns, gedichten, wat brieven en een verdwaald verhaal. En weer kon ik niet anders dan constateren dat wat Carl Friedman schreef allemaal heel erg bij elkaar hoort en soms behoorlijk scherp, maar altijd uitermate zorgvuldig geformuleerd is. Carl stond ergens voor en nam ook in haar werk geen blad voor de mond, en dan heb ik het niet alleen over stukken waarin stelling genomen moest worden.

Wat Carl Friedman naar aanleiding van het verschijnen van Dagboek van een galeislaaf over de afzonderlijke titels en de te onderscheiden genres die samen het oeuvre van Nobelprijswinnaar Imre Kertész vormen, schrijft: ‘Het werk van Kertész hangt ten nauwste samen. Het bestaat in feite uit één lang verhaal, dat welhaast toevallig verdeeld is geraakt over afzonderlijke boeken’, gaat in zekere zin, maar op een andere manier ook voor haar eigen oeuvre op.

Trouw

In haar fictie krijgen haar antihelden – mensen én dieren – het aanzien dat zij volgens haar verdienen. Het zijn stuk voor stuk personages die moeten zien te overleven. De omstandigheden zijn hen verre van gunstig gezind (geweest), en dat is in de meeste gevallen nog een understatement
De ideeën en opvattingen die het denken en doen van die personages schragen, liggen besloten in de non-fictie; uit de columns, de beschouwende stukken en de brieven is een wereldbeeld te reconstrueren.

Verzameld werk heb ik inmiddels bijna uit. Er resten mij alleen nog honderd bladzijden van de onvoltooid gebleven roman Zwemmers in de nacht. Daarna is en komt er niets meer. Dat stemt weemoedig. Dan is niet alleen Carl, maar ook de schrijfster Carl Friedman definitief dood.

Lang hing Carls laatste column voor de krant – voordat ze columns voor een weekblad ging schrijven, schreef ze columns voor een krant – op het prikbord naast mijn schrijftafel. Ik wilde haar niet loslaten en in barre tijden zeker niet uit het oog verliezen. Aan haar Vaarwel weigerde ik gehoor te geven. Ik wilde dat aan haar wuiven geen einde kwam. 
Ook toen ze elders als columniste onderdak vond en ik haar spoor weer kon volgens, liet ik de tekst hangen. Tot ik ging verhuizen. Maar nog steeds bevindt het vergeelde knipsel zich binnen handbereik. Net zoals de rest van haar werk. Want dat blijft.

Eerder verschenen in Bazarow Magazine