Woensdag, 17 maart, 2010

Geschreven door: Zwagerman, Joost
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Chaos en rumoer

De grens tussen fictie en fictie

Lex ter Braak zei over Duel dat ‘herkenning en ontmaskering een substantieel deel van het leesplezier uit[maken]’ – datzelfde mag gezegd worden over Chaos en Rumoer, Zwagermans vijfde roman, alleen diept hij dat concept hier verder uit: een schrijver met writer’s block, herkent zich in de sleutelroman die een succesvolle vakgenoot – en rivaal in de liefde – heeft geschreven en begint zich te begeven op de grens tussen fictie en fictie. En verdiept de ellende alleen maar.

Otto Vallei, onze hoofdpersoon, krijgt al zes maanden geen zin op papier, en dat is voor een romancier toch bedroevend lang. Ondanks de steun van zijn echtgenote Karin, zijn aan draagbare telefonie verslaafde sterrenuitgever (Otto zelf verwijt de telefoon zijn writer’s block) en zijn immer enthousiaste redacteur, besluit hij het bijltje erbij neer te gooien. Hij heeft nog wel een idee – een roman over een schrijver met een writer’s block – maar ook daar lukt het niet mee. Gelukkig doet zich een gelegenheid voor om het schrijverschap in de wacht te zetten: hij wordt gevraagd als co-presentator van het roemruchte radioprogramma Chaos en Rumoer. Hij grijpt zijn kans, onder twee voorwaarden: geen toneel als gespreksonderwerp, én geen Ed Waterland.

Want Ed Waterland, dat is die rivaal in de liefde, de man met wie zijn echtgenote vreemdging, de man wiens romans steevast op de shortlist van de Eurobank Prijs staan en die favoriet is bij de redactie van Chaos en Rumoer. Tót de nieuwe roman van successchrijver verschijnt, en niet alleen Otto zijn eigen blokkade herkent, maar ook de redactie zichzelf in al haar kneuterigheid, want in Waterlands Het hart aan de rand van de stad wordt de hoofdpersoon radiopresentator. Ze zijn voor gek gezet, en iemand moet al die specifieke eigenschappen hebben doorgespeeld. Otto wordt direct beschuldigd. Er wordt gestemd of Otto ondanks deze verdenkingen mag blijven, en hij krijgt een nipte meerderheid – net als in Waterlands roman.

Het tempo ligt, toegegeven, niet zo hoog als deze samenvatting suggereert. Chaos en Rumoer heeft niet de maatschappelijke urgentie van Vals licht en De buitenvrouw en evenmin de snelheid, de dwingende plot van die laatste roman, maar dat heeft in het eerste deel van deze roman een functie: Otto’s vruchteloze aanwezigheid krijgt er een diepe leegte door. Én het maakt de plotselinge omslag van clichésleutelroman over vastgelopen schrijver naar postmoderne actie des te verrassender. Want vanaf dat moment poogt Otto spastisch en zonder veel succes om níet te doen wat in zijn sleutelroman voorspeld wordt. Het gaat dan allang niet meer om de herkenning en ontmaskering van Theo Sontrop en Martin Ros, om het VARA-programma Ophef & Vertier, om het oude meisje van de bestsellers Connie Palmen – het gaat om fictie die in conflict is met fictie, om verschuivende tonelen.

Trouw

Alle personages in Chaos en Rumoer herkennen zich bijvoorbeeld ook in de personages van Het hart aan de rand van de stad (een draak van een titel, daar kunnen we het moeilijk met Otto in oneens zijn). Dat is de analyse, maar tijdens het lezen betrap je jezelf al snel op de vraag ‘hoe die Waterland in godsnaam dat nu weer heeft kunnen voorspellen’. Een van de aardigste voorbeelden daarvan is het moment dat Otto de deur uitloopt bij een meisje dat hij ook volgens de sleutelroman-in-de-roman net niet had moeten verleiden:

‘Hij was nog niet buiten of hij baadde in het licht. Meteen wendde hij zijn gezicht af, zijn ene hand als een zonneklep voor zijn ogen. Waarschijnlijk een auto in de straat die groot licht voerde. Hij vloekte binnensmonds.
Hij hoorde iemand vragen stellen.
Hoe hij zich voelde. Wat hij nu ging doen.
Wie wilde dat van wie weten? Otto zag nog steeds niets, het licht was verblindend als een vuistslag tussen de ogen. Met zijn hand half voor zijn gezicht liep hij haastig weg in de tegengestelde richting van de lichtbron. Er werd nog iets geroepen, maar dat kon hij niet verstaan.’

Bij thuiskomst vertelt Karin over het journaalitem waarin de Eurobank-genomineerden geïnterviewd werden:

‘“… het was wel grappig,” antwoordde Karin op al te losse toon. “Die vier anderen lieten zich braaf feliciteren. Maar Eddy hield z’n hand voor z’n gezicht en rende weg voor de camera’s.”
Eddy? Otto trok zijn wenkbrauwen op. Het taboe mocht doorbroken zijn, maar dat betekende niet dat Karin meteen maar die voornaam door het huis kon slingeren.’

Het is zo’n passage waarbij je de auteur hoort grinniken. Niet alleen voorspelt Waterland voortreffelijk wat Otto gaat doen, Otto wordt zelfs voor hem aangezien – al heeft hij dat dan weer zelf niet door. Het gaat niet meer om de werkelijkheid van de sleutelroman, het gaat misschien zelfs niet meer om het realisme van de fictieve opstelling, het gaat om het spel. En dat speelt Zwagerman virtuoos. Tot op het einde weet hij de sleutelelementen (na een valse bommelding wordt de Eurobank Prijs op straat uitgereikt, zoals de AKO in 1996) én de verdubbelingen vol te houden. Het komt tot een ontmoeting tussen de fictieschrijver en zijn vermeende hoofdpersoon, waarin Waterland Otto voorstelt dan maar een roman te schrijven over deze geschiedenis van herkenning en vlucht voor herkenning. Terwijl Waterland, die natuurlijk de literaire prijs gewonnen heeft, de felicitaties voor de camera’s in ontvangst neemt, bedenkt Otto hoe:

‘Maar als zijn held zijn naam zou dragen, dan moest er een ándere schrijversnaam worden bedacht. Een schrijver en hoofdpersoon met een en dezelfde naam, dat gaf maar verwarring. Nee, hij moest op zoek naar een onvergetelijk pseudoniem. Wég met zijn eigennaam. Schrijver Vallei mocht dan verkommeren in helse dumpcatacomben, romanheld Vallei nam een voorschot op onsterfelijkheid.
Dat onvergetelijke pseudoniem bestond natuurlijk al. Hij zou de naam stelen, precies zoals hij zelf was bestolen. Waterland zou paf staan.’