Vrijdag, 27 maart, 2020

Geschreven door: Brouwers, Jeroen
Artikel door: Voskamp, Nico

Cliƫnt E. Busken

Hendrik Groen met een Kalasjnikov

[Recensie] Het is lastig te pinpointen waar de charme van dit door cliƫnt E. Busken op papier geslingerde schotschrift precies in schuilt. Zit het in de compromisloze opzet: een oude man die rolstoelgebonden zijn laatste dagen in een sterfhuis slijt en dat op papier zet? Of in de taal: een eruptionele stroom om zich heen bijtende woorden, geregen tot snerpende zinnen, achter elkaar gezet tot een achtbaanverhaal? Of de allesdoorrijgende woede over het hulpbehoevende bestaan als kwijlende seniel-in-een-rolstoel? Of gewoon de kracht van woorden, uitermate welgekozen woorden?

Dat zou de stille kracht hier weleens kunnen zijn: de woorden. De mysterieuze Busken spant de taal bruusk voor zijn chariot om zijn punten te maken. Dat doet hij in barokke zinnen, half af soms, vol elkaar verdringende woorden, associatieve lettergroepen, onomatopeeĆ«n of soms alleen klanken. Het zijn uitstootsels van taal die de tekst iets rococoā€™s meegeven, iets ongrijpbaars maar tegelijk in Ć©Ć©n oogopslag de bedoeling van de schrijver weergevend.

Die bedoeling varieert sterk per zin maar kan getypeerd worden als niet vrolijk. De cliƫnt is ongelukkig met zijn huidige toestand. Hij kan alleen nog zijn zinnen metselen, die soms vermomd zijn als achteloos maar in werkelijkheid dodelijk venijnig uitpakken, zoals wanneer E. vanaf het gazon observeert:

Yoga Magazine

ā€œDaar liep een werkman de vijverborder met gif te vernevelen, de doos met Zyklon B als een bochel op zijn nek, aan de doos zat een slang en aan het eind daarvan een douchesproeier.ā€

Of als E. zit te kijken naar de ingang van het gesticht, zoals hij het zelf noemt:

ā€œDe poort gaat geluidloos open. Als ik mijn lichaam kon gebruiken als in mijn godentijd zou ik nu proberen naar buiten te sprinten, de vrijheid in.ā€

De hele geschiedenis van een afgetakeld lichaam in Ć©Ć©n woord: godentijd. Of de frustratie van het tot onzelfstandige rolstoelonbekwame gemaakt zijn, als E. een voortgangsgesprek heeft met mevrouw Carola:

ā€œDoor haar zit ik hier, in dit zogeheten zorgcentrum of hoe het wordt genoemd, in deze wielstoel, in deze riemen met een fluitje aan de hartkant van mijn overhemd. We houden u een poosje hier, meneer Busken. Het is onverantwoord u weer naar huis te laten gaan. Voor uw eigen welbevinden, uw eigen blaatblaat kokkelkokkel. O ja godverdomme? brulde ik haar in dā€™r gezicht, dat zullen we nog weleens zien. Wat denk jij wel wiewat je bent, geblutste mafklapper, en tegen wie je het hebt. Weet jij wel wie ik ben. Ik ga zelf over mijn welbevinden en daar heb jij met je lurpse blauwe gepenkop geen spleet mee te maken of iemand anders hier lazer op.ā€

De taal die Brouwers uitslaat bij monde van de voornaamloos blijvende E. geeft de helse gedachtewereld van een tegen wil en dank in een verpleegtehuis verblijvende oudere weer. Dat thema is niet bepaald nieuw, denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween of Het dagboek van Hendrik Groen, maar nog maar zelden met zoā€™n vuurspuwende kracht uitgevoerd. De oude meester is het miraculeuze spel met de woorden nog niet verleerd.

Ook gepubliceerd op Nico’s recensies