Donderdag, 28 mei, 2020

Geschreven door: Stokvis, Willemijn
Artikel door: Stoel, Jan

Cobra in vogelvlucht

Drie jaar Cobra, maar wat een impact!

[Recensie] Over de kunstenaarsgroep Cobra (een acronym voor de namen van de hoofdsteden waar de oprichters vandaan kwamen Copenhague, Brussel, Amsterdam), de belangrijkste avant-gardebeweging in Europa van na de Tweede Wereldoorlog, is veel gepubliceerd. Kunsthistoricus Willemijn Stokvis (1937) mag zich een Cobra-expert noemen. Zij promoveerde in 1973 op de Cobra-beweging en haar proefschrift wordt beschouwd als een standaardwerk.

In deze uitgave, Cobra in Vogelvlucht,  beschrijft ze op uiterst toegankelijke wijze het ontstaan, de idealen, de ontwikkeling, de betekenis en de internationale inbedding van Cobra. Ze gebruikt geen ‘wetenschappelijke’ taal, maar schrijft korte, heldere teksten die de essentie raken. Het is een ideaal boek voor lezers die wat meer over Cobra willen weten, zich willen voorbereiden op bijvoorbeeld een van de Nederlandse musea waar veel Cobra-werk te zien is (het Cobra Museum voor Moderne Kunst te Amstelveen, en de Stedelijke Musea van Amsterdam en Schiedam). Cobra bestond slechts drie jaar, van 1948 tot en met 1951, maar de impact was enorm.

De meerwaarde van dit boek zit hem vooral in het unieke beeldmateriaal zoals de Oprichtingsverklaring van 8 november 1948 (in Parijs ondertekend door Christian Dotremont, Joseph Noiret, Asger Jorn, Karel Appel, Constant en Corneille), foto’s van de Eerste en Tweede Tentoonstelling van Experimentele Kunst (in het Stedelijk van Amsterdam en het Paleis van Schone Kunsten in Luik), de iconische foto van de kunstenaars voor het Stedelijk Museum in 1949, foto’s van de huizen die de kunstenaars samen beschilderden, een aantal bladzijden uit het Cobra-tijdschrift en heel veel afbeeldingen van werk van de kunstenaars die tot de groep behoorden. De energie spat er van af.

Dit alles is samengebracht in een gebonden uitgave, met een harde kaft en smaakvol en speels vormgegeven door Adri Colpaart.

Archeologie Magazine

De oorsprong van Cobra lag in Denemarken waar men in al in de jaren dertig direct, spontaan en vanuit het onderbewuste wilde gaan schilderen. Dat paste daar wel bij de aandacht die er was voor de noordse mythen, bijeengebracht in de Edda. Asger Jorn nam in 1941 het voortouw om te komen tot een blad Helhesten, genoemd naar het paard van Hel, de godin van de onderwereld. Eigenlijk zie je in dat tijdschrift al de onderwerpen terug die later bij Cobra zo belangrijk werden: de kindertekening, etnische kunst, de felle kleurvlakken die over elkaar heen buitelden, het lijnenspel, invloeden van Miro en Klee, (internationaal) samenwerken. De Deense kunstenaars beschilderden samen de muren van woningen. Ook dat zien we later bij Cobra terug. De Denen hadden om internationale aandacht te krijgen hun werk aan het MoMA in New York gestuurd, maar geen reactie gehad. Jorn ging daarom naar Parijs om gelijkgestemden te zoeken. Hij ontmoette in het najaar van 1946 Constant, die onder de indruk van Jorns werk was. In 1947 kwam hij in contact met dichter Christian Dotremont. De kiem voor Cobra was gelegd.

Samenwerking was een van de belangrijkste elementen van Cobra.  Die internationale verbroedering is uniek in de avant-garde bewegingen in de twintigste eeuw. De kunstenaars maakten samen wandschilderingen en kunstwerken, waarbij ook schrift en beeld werden gemengd in de zogenaamde ‘peinture mots’. Ze waren ook wel aan elkaar overgeleverd, want ze waren arm, moesten ieder dubbeltje omdraaien. In Nederland sloten de kunstenaars die zich later ‘De Vijftigers’ noemden aan. De grote doorbraak en wellicht ook wel het absolute hoogtepunt was de Eerste Internationale Tentoonstelling van Experimentele Kunst in 1949 in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Directeur en later ook pleitbezorger van Cobra, Willem Sandberg, gaf hen die kans. Stokvis memoreert een aantal spraakmakende gebeurtenissen rondom die tentoonstelling. Het vierde nummer van het tijdschrift Cobra was de catalogus en op het omslag werd vanuit een geopend mond een forse tong naar de lezer uitgestoken. De wethouder van kunstzaken verbood de verkoop. De pers sprak over de kunst als ‘weerzinwekkende misbaksels’. En op de avond van de dichters gingen publiek en kunstenaars op de vuist. Het publiek dacht dat het in het Frans gelezen manifest communistische propaganda was. Maar de tentoonstelling werd druk bezocht. Er waren meer relletjes. Zo werd een wandschildering van Karel Appel in de kantine van het voormalige stadhuis in Amsterdam door toedoen van ambtenaren afgedekt. Tien jaar later werd het pas ongedaan gemaakt. Het zijn dit soort anekdotes die Cobra in Vogelvlucht extradoen sprankelen.

Er is ook aandacht voor de specifieke Cobra-taal: een spel van kleurvlekken, die worden samengebonden door enkele stevige korte of slingerende lijnen. Door summiere aanduidingen van ogen en monden ontstond een wereld van fantasiewezens.

In 1951 eindigt de beweging. Dotremont en Jorn leden aan tuberculose en de kunstenaars gingen steeds meer hun eigen richting uit.  Willemijn Stokvis beschrijft het vervolg van de beweging, de spin-off, zoals de ontwikkeling van de ‘logogrammes’ (een soort van kalligrafische tekeningen) van Dotremeont, het driedimensionale aspect met onder meer Tajiri, de keramiek-experiment in Albisola (waar toch weer de samenwerking centraal stond, New Babylon van Constant (een utopische stad waar de mens zijn tijd ‘spelend’ en creatief kon doorbrengen).  De Cobra-taal wordt met name door Jorn en Appel voortgezet al verandert hij wel: vlek en lijn vloeiden samen in één onstuimige beweging van de verf en de kinderlijke fantasiewezen worden vervangen door dreigende demonen of grimmige mens-beest-wezens. Soms naderen de kunstenaars de abstractie, maar de (vage) herinnering aan de fantasiewezens bleef.

Cobra in Vogelvlucht is een pareltje, een uitgave van het Ambassade Hotel Amsterdam in samenwerking met uitgeverij Samsara.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles