Donderdag, 2 april, 2020

Geschreven door: Geer, Kees van der
Artikel door: Stoel, Jan

Collectie Paul Rijkens: Wiegman, De Smet, Sluijters

Biografie van een verzameling

[Recensie] Kunst verzamelen is van alle tijden. Bijvoorbeeld particulieren die een collectie opbouwen met kunst die zij appreciƫren, beleggers die investeren in kunst om er beter van te worden, bedrijven die kunstcollecties aanleggen. Het wordt nog mooier als mensen met het kopen van kunst de ontwikkeling van kunstenaars (financieel) ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan Peggy Guggenheim die onder meer Brancusi en Duchamp financieel ondersteunde, Willem Mesdag die Mancini twintig jaar lang van inkomen voorzag, maar ook Feike Sijbesma (de voormalige CEO van DSM en momenteel in het nieuws als Coronagezant van het kabinet Rutte) die kunstenares Claudy Jongstra ondersteunt.

Vaak gaan ondersteunen en verzamelen samen. Dat is het geval bij Paul Rijkens (1888-1965). Rijkens was een van de meest invloedrijke Nederlanders uit de vorige eeuw. Hij was de grote man van Unilever. Hij ondersteunde kunstenaars financieel en bouwde een collectie op die op zijn hoogtepunt bestond uit vijfhonderd schilderijen en een aantal tekeningen, een tiental sculpturen en driehonderd etsen. Na zijn dood is de collectie uiteengevallen. Kees van der Geer heeft die collectie gereconstrueerd, een monnikenklus. Het Stedelijk Museum in Alkmaar toont tot 30 augustus 2020 de Collectie Paul Rijkens met onder meer werk van Jan Sluijters, Matthieu Wiegman, George Hendrik Breitner, Jan Mankes, Isaac Israƫls Gustave De Smet, Leo Gestel, Constant Permeke (die hij in Nederland introduceerde), maar ook andere Nederlandse en Belgische kunstenaars. Ook een enkel werk van Gauguin was in de collectie opgenomen. Maar of die collectie nu zo evenwichtig was? Feit is dat de Bergense School goed vertegenwoordigd was, de eerste expressionistische beweging in Nederland.

De toegankelijk geschreven publicatie Collectie Paul Rijkens ā€“ Wiegman, De Smet, Sluijters van Kees van der Geer volgt vooral de levensloop van Rijkens, maar ook de groei van zijn verzameling. Je zou kunnen zeggen dat het boek de kenmerken heeft van een persoonlijke biografie Ć©n de biografie van een verzameling vormt. Kunst en werk waren zijn twee passies. Rijkens werd geboren in Rotterdam waar zijn vader een margarinefabriekje had, dat in 1903 door Van den Bergh overgenomen werd, destijds al een grote in de magarinebranche. De families kenden elkaar goed. Hij werd door Van den Bergh binnengehaald en wordt er in 1919 directeur. Hij woont in Rotterdam en koopt daar zijn eerste schilderij van Gerrit van Yperen voor vijftig gulden als wandversiering. In die tijd was het statusverhogend om kunst te verzamelen. Rijkens financierde zijn kunst uit eigen inkomsten en niet uit kapitaal en koos daarom voor de betaalbare contemporaine kunst. Hij wordt geadviseerd door de gezaghebbende criticus Plasschaert (geen groot bewonderaar van moderne stromingen als kubisme en futurisme) en Toon Kelder (zelf kunstenaar). Rijkens koopt veel werk van hem, ondersteunt hem financieel. Vanaf 1928 groeit de collectie enorm. Hij legt in een fotoalbum zijn collectie vast om deze aan anderen te kunnen tonen, gaf kunst in bruikleen aan musea. Hij bezit dan al 278 kunstwerken. Rijkens is leidend bij de fusie van Van den Bergh met Jurgens en later met Lever Brothers en wordt in 1929 topman van Unilever, dan de grootste onderneming van Europa. Hij hangt de werken op in zijn grote buitenhuis in Engeland en nodigt mensen uit om ernaar te komen kijken. Kunst moet gezien worden.

Het boek laat mooi zien dat in tijden van voorspoed de collectie groeit en dat als de omstandigheden lastiger worden er minder aandacht voor de kunst is. De aanloop naar en de Tweede Wereldoorlog zelf vragen andere keuzes. Rijkens moet Unilever sterk houden, spreekt met Hilter en sluit in 1938 zelfs een overeenkomst met Gƶring dat Unilever een Arisch bedrijf is. In de oorlog helpt hij de regering in ballingschap in Londen. In 1955 verlaat hij Unilever, maar initieert onder meer de Bilderbergconferenties. Hij krijgt meer tijd en wordt een weldoener. Zo zorgt hij ervoor dat ene Edda Ruston een goede dansopleiding krijgt. Edda blijkt later Audrey Hepburn te zijn.

Boekenkrant

Hij gaat zijn collectie afbouwen, geeft kunst weg, verkoopt werken. Hoogtepunt voor hem is de tentoonstelling van zijn collectie in 1960 in het Haags Gemeentemuseum. Zijn filosofie over kunst heeft zich dan ontwikkeld: naast bevordering van materiƫle welvaart, is bevordering van cultuur vereist om tot een evenwichtig bestaan te komen. In 1965 overlijdt hij. Zijn collectie valt uiteen.

Van der Geer concludeert dat Rijkens vooruitstrevend was met zijn selectie van werken van de expressionisten. Hij heeft nooit de stap gemaakt naar abstracte kunst. Met Mondriaan had hij bijvoorbeeld helemaal niets.

Door dit boek maak je kennis met een gepassioneerde kunstliefhebber. Het boek is ook een mooi vormgegeven kijkboek met veel afbeeldingen op groot formaat. En prachtig werk Avondlandschap met maan van Jan Mankes, etsen van Willem Vaes die doen denken aan het werk van Jeroen Bosch, de expressionistische donkere landschappen van Permeke, Femme au chapeau de roses van Kees van Dongen en heel wat naakten, die op de plekken hingen in zijn huis waar hij zijn gasten ontving. Zo hing Liggend naakt van Jan Sluijters boven de schouw in de woonkamer. Veel werken zijn nu te vinden in particuliere collecties en het is mooi dat ze in dit boek bij elkaar gebracht zijn. Een reeks noten, een lijst met bronnenmateriaal Ć©n natuurlijk de lijst met de werken die Rijkens verzameld heeft zijn in de publicatie opgenomen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles