Vrijdag, 19 januari, 2018

Geschreven door: Inghels, Maarten
Artikel door: Reinewald, Chris

Contact

Antwerpens stadsdichter levert het bewijs: Poƫzie is een daad

[Recensie] Na een jaar stadsdichterschap van Antwerpen bundelde Maarten Inghels (1988) zijn poĆ«zie die verschillende gedaantes kan aannemen: als traditioneel gedicht maar net zo goed als foto, performance, tatoeage of volksbevraging – het veel mooiere Nederlandse woord voor enquĆŖte.Ā Dat maakt zijn bundelĀ  Contact tot een prikkelend multidisciplinair winterboek.

Sinds God in Brussel woont en een narrige, oude vent blijkt te zijn, die de godganse dag in zijn ochtendjas rondloopt en de mensheid pest kijk je nergens meer gek van op. In Belgiƫ is het surrealisme aan de orde van elke dag. Neem een stadsdichter als Inghels.

Zijn bundel Contact opent met een reeks epische post-mortem gedichten waarin dubbelgangers des dichters heengaan celebreren. Denk hierbij aan het chanson A Mon Dernier Repas van de Franstalige Vlaming Jacques Brel.

Van een stadspoƫet verwacht je dat hij zich poƫtisch aan de zijlijn van de actualiteit ophoudt en daarop maar mild reflecteert. Zo niet deze dichter.

Wordt Vervolgd

Gelijk de eerdergenoemde God (gespeeld door BenoƮt Poelvoorde) blijkt Inghels behoorlijk bemoeizuchtig van aard. Het beeldenpark Middelheim biedt hij bijvoorbeeld een grote brokaatkarper voor hun vijver aan. Een karper is immers net zo ongrijpbaar als de poƫzie.

Maar zit er nu echt iemand op gedichten te wachten? Toch wel. Inghels verspreidt visitekaartjes en zet mini-advertenties met zijn telefoonnummer voor een gedicht. En verdorie: het nummer wordt veel gebeld. Dat geloven we niet? Inghels drukt de telefoonnummerlijsten zonder schroom af, alsof het conceptuele tekstkunst (gaap) van Hanna Darboven is.

Denk niet dat Inghels een artistieke thuiszitter is. Remco Campert dichtte dat poĆ«zie een daad is en Inghels brengt dat in praktijk. Hij loopt langs de Schelde, om van bron tot monding de rivier op onregelmatigheden te controleren. Hij laat zijn gedichten op zakdoekjes afdrukken en stopt deze in de jaszakken van theatergarderobes. Je zoekt je huissleutels en vindt er een gedicht bij. Hij verleidt mensen een dichtregel over het thema ā€˜hongerā€™ op een lichaamsdeel te tatoeĆ«ren. Sofie B (36) beschouwt dat als een vorm van aanschouwelijk literatuuronderwijs. We lezen op haar bovenarm (foto-als-bewijsstuk) ā€œbij jouw lichaam/ is adem honger. ā€ Toegegeven dat is wel erge Vijftigers-poĆ«zie.

Met zijn publiekparticipatiepoĆ«zie richt Ingels iets aan wat ook op ontwrichten kan uitdraaien. Omdat de stad nachtwinkels vaak louche bedoeningen vindt, zet Inghels ook hier de vertrouwenwekkende dichtkunst in. Hij biedt het woord ‘poĆ«zie’ als lichtreclame aan om naast net zoā€™n aan en uit flikkerend ‘open’ bordje te plaatsen.

De reacties van de veelal buitenlandse ondernemers lopen uiteen. Inghels noteert bij de fotoā€™s van zijn bezoeken hartverscheurende oorlogsverhalen maar ook een benepen vraag wie dan de elektriciteit voor dat extra bordje zal betalen. En dan dient zich plotsklaps ongezochte poĆ«zie vanuit de andere kant aan. Een winkelier uit Bangladesh bezweert hem dat hijzelf vijfhonderd gedichten heeft geschreven. Gewoon. Hij mailt ze naar zijn vaderland waar ze op cd worden opgenomen. ā€œNeem maar een stapeltje mee.ā€

Na zoveel absurdisme verbaas je je niet over het treurige gedicht over de eenzame uitvaart van een suĆÆcidale zwembadbouwer die dacht dat hij een boom was. En aan dat merkwaardige boomverlangen wijdt Inghels dan ook mooie regels.

Achterin het kloeke boek re-mixt Inghels het befaamde Alpenjagerslied van Paul van Ostayen over de ontmoeting, halverwege een berg, tussen een klimmende en afdalende man.

De aandachtige lezer weet dan inmiddels dat Maarten, gelijk Marc uit het Van Ostayen-gedicht, ā€™s ochtends de dingen groet om zich telkenmale over de wereld te verbazen.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles