Vrijdag, 10 maart, 2017

Geschreven door: Vlasta, Sandra
Artikel door: Minnaard, Liesbeth

Contemporary Migration Literature in German and English.

Migratieliteratuur als genre. Op zoek naar parallellen tussen Brits en Oostenrijks proza

[Recensie] Appels en peren, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk. Sandra Vlasta waagt zich in haar monografie Contemporary Migration Literature in German and English, A Comparative Study aan een onverwachte vergelijking tussen hedendaagse Britse en Oostenrijkse literatuur met migratie als thema. Uitdagend en zeker ook veelbelovend: wat appels met appels vergelijken zo ongeveer oplevert, weten we nu wel; hoeveel spannender is de vergelijking waarbij de overeenkomst minder evident is en de basis voor de vergelijking vakkundig gemotiveerd moet worden?

Vlasta’s studie is traditioneel opgebouwd uit een inleiding, vier thematisch geordende analytische hoofdstukken en een kort resumé. De uitgebreide inleiding fungeert als plaatsbepaling. Vlasta schetst niet alleen het behoorlijk versnipperde onderzoeksveld rondom ‘literatuur en migratie’ – de grensoverschrijdende discussiepunten én de specifieke kwesties die spelen binnen het Britse en Oostenrijkse literaire veld – maar probeert ook zelf positie in te nemen ten opzichte van verschillende hierbinnen spelende controverses. Zo laveert ze tussen biografisch en sociologisch geïnspireerde benaderingen van zogenoemde ‘migrantenliteratuur’, zelfpositioneringen van doorgaans als buitenstaander gebrandmerkte auteurs, en poststructuralistische lezingen die deze auteurs en in het bijzonder hun herkomst juist buiten beschouwing (willen) la- ten. Haar titelkeuze, die haar ‘nationale focus’ op Oostenrijk en Groot-Brittannië opvallend genoeg buiten beeld laat, getuigt van haar worsteling: wordt taal de belang- rijkste literaire determinant in dit transnationale tijdperk?

Interessant is Vlasta’s voorstel ‘migratieliteratuur’ als een specifiek genre op te vatten – een genre dat in de eerste plaats gedefinieerd wordt op basis van inhoudelijke en formele aspecten en niet op basis van de herkomst of familiegeschiedenis van de auteur. Met dit voorstel schuurt zij aan tegen Leslie Adelsons eerdere pleidooi om ‘literature of migration’ geheel los te koppelen van elke reductieve vorm van referentialiteit, maar op te vatten als “a kind of cultural archive, where changing perceptions and phan- tasms of sociality are both tracked and imagined”. (Adelson 14) Ook Vlasta lijkt die kant uit te willen gaan, maar de daadwerkelijke uitvoering van haar voornemen valt wat tegen. Want, terwijl ook zij met haar voorstel de deur opent voor vergelijkend onderzoek voorbij de biografie van de auteur, gooit ze deze deur direct weer dicht met de beslissing voor haar onderzoek uitsluitend werken van auteurs met een migratiegeschiedenis te selecteren. En juist dat lijkt me nu een gemiste kans. Wanneer Vlasta vervolgens stelt dat het genre van de migratieliteratuur ons inzichten biedt in wat migratie is, in hoe migranten dit proces beleven, in hoe migratie voelt, zijn we wat mij betreft terug bij af. Natuurlijk laat migratieliteratuur ons ook (onder andere) over migratie nadenken, en dat op een andere manier dan waarop sociologische studies dat doen. Maar Vlasta’s suggestie dat migratieliteratuur ons migratie beter laat begrijpen en zo ook empathie kweekt voor migranten en hun nageslacht, is mij zowel te functioneel als te reductief. Zo bezien blijft Hafid Bouazza’s verzuchting uit 2001 dat “[d]e menselijke verbeelding in staat [is] een oceaan te zien in een druppel water, een woestijn in een zandkorrel” en, daaraan gekoppeld, zijn vraag “[v]anwaar die behoefte om bij sommige schrijvers een korrel te zoeken in een woestijn?” onverminderd van kracht. (Bouazza 32-33)

Het kerngedeelte van Vlasta’s studie bestaat uit vier thematische hoofdstukken, waarin zij aansprekende analyses presenteert van uiteenlopende literaire representaties van koken en eten, taal en meertaligheid, het nieuwe thuis en zogenaamde global ethnoscapes. Samen geven deze een goede indruk van de veelzijdigheid van de verbeeldingen van deze specifieke thema’s, thema’s die volgens Vlasta kenmerkend zijn voor het genre van de migratieliteratuur. Met name haar analyses van de binnen de Nederlandstalige context veelal onbekende (want niet vertaalde) Oostenrijkse werken wakkerden bovendien mijn nieuwsgierigheid aan, alsook een stevige lust tot het zelf lezen van de besproken werken.

Bazarow

Een aspect van de studie dat, zoals ik in de inleiding al aangaf, mijns inziens wat minder uit de verf komt, is de veelbelovende vergelijkende opzet. Vlasta kiest ervoor om twee nationale literaturen naast elkaar te onderzoeken die zo op het eerste gezicht weinig tot niets met elkaar te maken hebben. Leuk. Spannend. Dit schept verwachtingen. Maar dan is het wel van belang dat duidelijk wordt gemaakt wat de vergelijking van juist Britse en Oostenrijkse migratieromans op zou kunnen leveren; én dat een uitlegt volgt over hoe om te gaan met de aanzienlijke contextuele verschillen tussen het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk met betrekking tot migratie (op het niveau van geschiedenis, multiculturaliteit, en postkoloniale studies om maar wat cruciale verschilvelden te noemen). Hierin schiet Vlasta te kort. Ze wijst wel op de verschillen in migratiegeschiedenis tussen de voormalige koloniale grootmacht Engeland en de op dit toneel veel onbeduidender speler Oostenrijk – het vaak genoemde ‘kolonialisme zonder koloniën’ of het ‘binnen-Europese kolonialisme’ van het Habsburgse Rijk ten spijt – maar laat vervolgens na ook de consequenties hiervan in de literatuur en het literaire veld te bestuderen. Voor de hand liggende observaties, zoals de relatief vroege aandacht voor postkoloniale kwesties binnen de Britse context en het grote verschil in status en bereik tussen Engels en Duits als literaire talen worden door haar genoemd, maar niet verder uitgediept. Op zich zou dit allemaal niet zo’n probleem zijn, ware het niet dat dergelijke discrepanties er juist voor zorgen dat haar literaire vergelijkingen enigszins scheef uitpakken. Zo figureren Britse romans met migratiethematiek uit de jaren tachtig naast Oostenrijkse migratieromans van zeer recente makelij, en moet het werk van internationaal onbekende Oostenrijkse buitenbeentjes als Hamid Sadr en Anna Kim het opnemen tegen veelbesproken bestsellers, zoals Monica Ali’s Brick Lane en Caryl Phillips’ The Final Passage. De indruk van ongelijkheid en ongelijktijdigheid die zo ontstaat, voedt het in mijn ogen problematische stereotype van het Verenigd Koninkrijk als voorloper en wegwijzer, en een hier achteraan hobbelend Oostenrijk.

Dit is jammer omdat het vergelijkende bestuderen van dergelijke ‘ongelijkheden’ juist bijzonder interessant en productief zou kunnen zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor het smakelijke en vermakelijke derde hoofdstuk rondom voedsel, waarbinnen koken en eten worden onderzocht als uitdrukkingen van identiteitskwesties. In navolging van onder anderen Pierre Bourdieu stelt Vlasta dat met representaties van eten in literaire werken verschillende culturele en symbolische betekenissen gecommuniceerd worden. Dit geldt in verhoogde mate, zo haar claim, voor migratieliteratuur waarin koken en eten niet zelden gekoppeld zijn aan het zoeken naar een nieuwe identiteit. Terwijl gerechten uit de cultuur van herkomst, en het bereiden hiervan, vaak een thuisgevoel oproepen, een gevoel van geborgenheid met een nostalgisch tintje, sijpelen tegelijkertijd langzaam maar zeker nieuwe smaken, geuren en invloeden het bekende en vertrouwde binnen. Dit proces, waarbinnen nieuwsgierigheid, afkeer, verrukking, weemoed en weerstand slechts enkele sentimenten zijn die de revue passeren, kan zonder al te veel moeite metaforisch gelezen worden als een verbeelding van het moeizame proces van loslaten en opnieuw beginnen dat in veel gevallen verbonden is met de ervaring van migratie. Dit laat Vlasta aan de hand van drie romans zien. Als eerste bespreekt ze processen van ‘chutneyfication’ in Preethi Nairs roman One Hundred Shades of White (2003), vervolgens de zoetzure belevenissen van de ‘afhaalchinees’ in Timothy Mo’s Sour Sweet (1982), en tenslotte de nauwgezette politiek van de koosjere keuken in Vladimir Vertlibs roman Letzter Wunsch (2003). Stuk voor stuk lezenswaardige analyses die moeiteloos de centrale rol van voedsel als taal, als betekenissysteem in deze romans aantonen. Maar, helaas, ook parallelle en weinig gecontextualiseerde analyses die nauwelijks met elkaar van doen hebben en die ook aan het einde van het hoofdstuk niet met elkaar in dialoog worden gebracht.

Kortom, Sandra Vlasta presenteert in haar Contemporary Migration Literature in German and English een keur aan belangrijke overwegingen, interessante inzichten en nauwkeurige interpretaties. Waarin ze echter niet slaagt, is het inlossen van de belofte van het spanningsverschil tussen de onderzochte Britse en Oostenrijkse literatuur. De specifieke meerwaarde van de ongebruikelijke constellatie komt in haar onderzoek te weinig naar voren, waardoor de door haar geselecteerde Britse en Oostenrijkse romans toch vrij willekeurig los naast elkaar blijven staan. Het zijn werken die weliswaar vergelijkbare thema’s aansnijden – de reden voor hun selectie – maar de vraag op welke wijze hun ‘ontmoeting’ nieuwe inzichten oplevert, blijft onbeantwoord. En dat is jammer. Wat overigens niet wegneemt dat Vlasta’s losstaande analyses zeker de moeite waard zijn: ze werpen een zorgvuldige en soms verrassende blik op met name de Oostenrijkse  migratieliteratuur.

Literatuur

  • Adelson, L.A., The Turkish Turn in Contemporary Literature: Toward a New Critical Grammar of Migrati- on, New York 2005.
  • Bouazza, H., Een beer in bontjas, Amsterdam 2001.

Eerder verschenen in Vooys