Vrijdag, 3 september, 2021

Geschreven door: Simic, Charles
Recensie door: Geerlings, Dietske

Dat ongrijpbare iets

“Laat me vergeten hoe het is om te voelen”

“Meer dan iets anders staat het verlangen naar oneerbiedigheid aan de wieg van mijn poĆ«zie. De behoefte om elke autoriteit voor schut te zetten, taboes te doorbreken, het lichaam en zijn functies te vieren, in Ć©Ć©n adem door beweren dat je engelen hebt gezien en dat er geen god bestaat. Alleen al bij het denken aan de mogelijkheid om tegen alles schijt te zeggen, rol ik over de grond van geluk.”

[Recensie] Zo onomwonden geeft de Amerikaanse dichter Charles Simic zijn poƫzieopvatting in Dat ongrijpbare iets. Nu moet je altijd voorzichtig zijn met het gelijkstellen van het lyrisch ik aan de dichter, maar het moet gezegd dat deze opvatting vrij consistent uit de hele bundel spreekt, die een bloemlezing bevat van meerdere bundels, enkele losse gedichten en fragmenten van Simic, met een nawoord van de vertaler, Wiljan van den Akker.

De poĆ«zie schuurt bijna op elke bladzijde, want wie durft tegenwoordig nog de volgende vraag te stellen, zoals in het gedicht Voetstappen horen: “Misschien gaan we nog een keer maagden ophangen/aan kale bomen, kerken plunderen, weduwen verkrachten in de diepe sneeuw?” Gek genoeg roept deze vraag niet per se verzet op, althans niet tegen de dichter die zomaar zulke wrede voorstellen doet. Dat komt doordat je voelt dat het niet zozeer een voorstel is of een diep verlangen, maar dat deze duistere kant inherent is aan de mens. Je kunt hem eigenlijk geen ongelijk geven.

De werkelijkheid mag dan voor de dichter ongrijpbaar zijn en onzegbaar, zijn poĆ«zie daarentegen grijpt de lezer naar de strot en het is een straf om er slechts Ć©Ć©n te mogen uitkiezen als voorbeeld, omdat er op elke bladzijde wel iets ongrijpbaars diep raakt. Neem het gedicht Lied, waarin Simic een beeld van een moeder neerzet dat je in alle details voor je ziet, ook alles wat we tussen de regels door kunnen lezen. De dichter ā€“ en vergeet ook niet de vertaler! ā€“ schrijft het woord ā€˜weduwentasjeā€™ en zie, het bestaat, het roept een wereld op van verdriet van de moeder, verborgen in een tasje. ZĆ³veel kun je hier zelf nog invullen, want welke gedachte is bijvoorbeeld zwaarder dan zijzelf, en wat wil zij allemaal voor de kinderen verbergen? En juist dat ongrijpbare, dat nog half ingevuld kan worden, grijpt je naar de keel. Ook de kinderen voelen dit ā€˜moederlijk duisterā€™, hoezeer zij het ook tracht te verbergen. Het is kennelijk een voorwaarde voor verlichte dromen. Zo laat Simic zien hoe deze duistere kant bij de mens hoort.

Pf

“in haar weduwentasje
bewaart mijn moeder
een gedachte
zwaarder dan zijzelf

wanneer niemand kijkt
haalt ze hem eruit
en kauwt erop
als op een kort droog brood

wanneer niemand kijkt
spuugt ze de botjes en kooltjes
op een hoopje
en stopt ons dan allemaal in

alleen dit vertrouwde gewicht
wiegt ons in slaap

alleen dit moederlijk duister
zal onze dromen verlichten”

Soms krijgen de gedichten iets surrealistisch: “Iemand trok me uit de mouw van een smoking,/ dokter, terwijl mijn leven aan een zijden draadje/ hing aan het einde van een lange, witte sjaal.” Nergens is zijn poĆ«zie luchtig of onbekommerd. Steeds klinkt er een zware ondertoon, soms ook cynisch waar het om machthebbers gaat, maar ook om God, zoals in het gedicht Aan die ene daarboven: “Je handen en je ogen zijn leeg./ Je hoeft nergens je handtekening onder te zetten/ zelfs niet als je je eigen naam kent of gelooft/ in de namen die ik steeds weer voor je verzin/ terwijl ik je in het donker dit kattebelletje schrijf.” De mens is machteloos, zoekt steun bij ā€˜meneer weetal, ritselaar, intrigantā€™, maar komt bedrogen uit. Hier voel je inderdaad het verlangen van de dichter om oneerbiedig te zijn, om iedere autoriteit voor schut te zetten.

Met deze bloemlezing heb je een schat aan poĆ«zie in handen, beelden en gedachten die je nog dagen blijven achtervolgen, omdat ze zo indringend zijn en ā€“ op een eerlijke manier ā€“ zwaar, alsof de dichtheid van Simics poĆ«zie net iets groter is dan je gewend bent, al is dat natuurlijk betrekkelijk. Laat ik mij ook eens niet aan de regels houden en de lezer trakteren op nog een van deze prachtige gedichten, in de wetenschap dat ik bijna alles uit de bundel nog onbesproken heb gelaten, Laat:

“Niemand wast de bloederige kleren.
Ze hangen aan de lijn
met de kogelgaten
er nog in.

Bij het vallen van de avond
roept de stem van een moeder
over de daken van de wereld
haar kinderen voor het eten.

Ik denk dat een van de kraaien
in hun plaats moet gaan.
Ik denk dat de zwartste op het hek
schoenen moet aantrekken
en de tuintrap moet nemen.”

Eerder verschenen op Tzum