Woensdag, 21 oktober, 2015

Geschreven door: Kershaw, Ian
Artikel door: Verplancke, Marnix

De afdaling in de hel

Hoe is het mogelijk dat een continent dat tussen 1914 en 1945 collectief zelfmoord pleegde, vier jaar later de oorlog al grotendeels verteerd had? De Britse historicus Sir Ian Kershaw boog zich over deze vraag en komt tot de conclusie dat Europa niet alleen veel dank verschuldigd is aan de Amerikanen, maar ook aan de Bolsjewisten van 1917.

Op 8 mei 1945, om 23.01 uur precies, staakten de Duitse troepen hun actieve operaties. De Tweede Wereldoorlog was in Europa officieel ten einde en het continent bleef wezenloos achter. Zo’n vijftig miljoen mensen hadden het leven verloren. In België waren er dat 86.100, waarvan 12.100 militairen. Rusland had dan weer de zwaarste tol betaald. Daar waren 24 miljoen slachtoffers gevallen. Het grootste deel van Duitsland lag in puin, net zoals grote delen van Oost-Europa. Het industriële complex was vernietigd, van wegen en spoorwegen restte niet veel meer en miljoenen ontheemden zwierven over het continent. Onder meer uit Polen en Tsjechië werden twaalf miljoen Duitsers verdreven, waarvan er een paar miljoen nooit in Duitsland zouden aankomen.

‘Dit was een Europese zelfmoord,’ zegt Sir Ian Kershaw over wat toen gebeurde. Kershaw, de vermaarde Hitler-biograaf en een autoriteit op het vlak van de Tweede Wereldoorlog, staat echter niet zozeer versteld over die zelfmoord – die volgens hem trouwens al in 1914 begon – maar wel over de ongeziene snelheid waarmee Europa na 1945 herrees. Vier jaar na de oorlog lag de economische en industriële activiteit alweer hoger dan in 1938 en iedereen zag dat het continent goed op weg was om een van de welvarendste regio’s op deze aarde te worden. De Afdaling in de hel, Europa 1914 – 1949, is de titel van het lijvige boek waarin Kershaw onderzoekt hoe deze merkwaardige heropstanding mogelijk was, en waarom die in 1918 bijvoorbeeld niet plaatsvond. Veel had natuurlijk te maken met de specifieke omstandigheden van die tijd, ontdekte hij, zoals de bezetting van Oost-Europa door de Sovjetunie, maar ook economisch had men op een paar decennia heel wat bijgeleerd.

Wie begin twintigste eeuw had durven beweren dat Europa goed op weg was zichzelf de das om te doen, werd wellicht als een zwartkijker afgevoerd. Het continent was het centrum van de wereld. Het bracht de grootste wetenschappers en kunstenaars voort, had zowat de halve aarde gekoloniseerd en was al zo goed als een eeuw – sinds Napoleon in Waterloo het onderspit had moeten delven – oorlogvrij. De Krimoorlog (1853 – 1856) en de Frans-Duitse oorlog (1870 – 1871) hadden wel plaatsgevonden, maar dat waren kleinere, vrij onbeduidende conflicten. ‘Alles leek inderdaad peis en vree, maar dat was toch vooral schijn,’ zegt Sir Ian Kershaw daarover. ‘Tussen de grootmachten Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland heerste rivaliteit. Duitsland, waartoe in 1871 alle Zuid-Duitse staten waren toegetreden met uitzondering van Oostenrijk en Liechtenstein, vormde een enorme lap grond in het centrum van Europa en het eiste een plaats in het zonnetje. Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland voelden zich daardoor bedreigd. Oostenrijk-Hongarije had op dat moment zijn eigen problemen omdat het uit heel veel verschillende volkeren bestond en de samenhang ervan bedreigd werd door het overal aan populariteit winnende nationalisme. De Balkan was een groot kruitvat, waarbij in Servië Oostenrijk- Hongarije en Rusland recht tegenover elkaar stonden. De angst regeerde overal en zoals we weten is angst geen goede raadgever, zeker niet wanneer er een aanslag gepleegd wordt waarbij iemand met het statuur van de Oostenrijkse aartshertog Frans Ferdinand om het leven komt. Dan gaan de dominostenen vallen en zit je met een wereldoorlog.’

Trouw

Na de oorlog kreeg Duitsland de schuld in de schoenen geschoven voor zowat alles. Het kreeg immense herstelbetalingen opgelegd, moest grote stukken grond afstaan en mocht geen leger meer hebben, bepaalde het Verdrag van Versailles. Hoe verstandig was dit?

Kershaw: ‘Wat Duitsland betreft ging Versailles te ver. In The Economic Consequences of the Peace schreef John Maynard Keynes in 1919 al dat een mildere vrede veel beter geweest zou zijn voor de toekomst van Europa. Dit verdrag strafte Duitsland, maar kon niet verhinderen dat het land toch zijn economie en leger weer opbouwde. Wat de Duitsers het meest tegen de borst stootte was niet dat ze – vooral in het oosten – zoveel land moesten afstaan, of dat ze economisch een klap kregen, maar wel dat ze verantwoordelijk werden gehouden voor de oorlog en ze daarom zware herstelbetalingen dienden uit te voeren. Je mag niet vergeten dat men in Duitsland volhield dat de oorlog niet verloren was. Men had nooit op Duitse bodem gevochten en Duitsland was niet veroverd. Veel Duitsers zagen het einde van de oorlog daardoor als een vredesverdrag tussen gelijken. Die herstelbetalingen leken daardoor des te onrechtvaardiger. Gedurende de economische crises van 1923 – 1924 en die van 1928 – 1929 werden ze door extreme nationalisten aangegrepen om het volk op te hitsen.’

En toch bleef Duitsland een democratie, terwijl Italië bijvoorbeeld al in 1922 het fascisme in de armen sloot. Hoe kwam dat?

Kershaw: ‘Toen Hitler in 1923 zijn eerste staatsgreep pleegde – een mislukte die hem in de gevangenis liet belanden – lag de echte macht bij het leger. Dat voelde zich absoluut niet in staat om het bestuur van het land over te nemen omdat het zich voor exact hetzelfde probleem gesteld zou zien als het burgerlijk bestuur: een enorme economische crisis die niet in een twee drie op te lossen was en die nog eens versterkt werd door de herstelbetalingen. Voor het leger was 1923 gewoon niet het goede moment. Tien jaar later, toen de herstelbetalingen van de baan waren na de conferentie van Lausanne van 1932, en men bereid leek het leger weer te laten groeien boven de door Versailles opgelegde 100.000 soldaten, lagen de kaarten natuurlijk anders. Een van de eerste dingen die Hitler deed nadat hij in 1933 aan de macht kwam, was het legerbudget enorm verhogen. Twee jaar later was er een Wehrmacht van 850.000 man op de been gebracht. Dat Hitler ook buiten zijn eigen partij op heel wat medestanders kon rekenen is ook aan Versailles te wijten. Zijn geplande veroveringen deed hij af als het terughalen van het land dat de geallieerden Duitsland in 1918 afhandig hadden gemaakt, en heel veel Duitsers volgen hem daarin. In 1936 juichte heel Duitsland hem toe toen hij het Rijnland binnenmarcheerde. Dat in Italië de fascisten aan de macht kwamen had trouwens ook met het Verdrag van Versailles te maken. Ook al behoorde Italië tot het kamp van de overwinnaars, toch moest het land afstaan aan Slovenië. Dat viel heel slecht bij de Italianen.’

U haalde de financiële crises al aan. Hoe doorslaggevend waren zij in de aanloop naar WO II?

Kershaw: ‘Tegen 1939 waren de enige resterende democratische landen deze die de Eerste Wereldoorlog gewonnen hadden of neutraal waren geweest, noord-west Europa dus. In alle andere heerste een dictatuur. De financiële crises verzwakten de structuren in landen waar de politiek sowieso al wankel was. Groot-Brittannië en Duitsland stonden hier diametraal tegenover elkaar. Groot-Brittannië ging ook doorheen een economische crisis in de jaren 1930, maar het enige gevolg was dat de conservatieve regering nog sterker gesteund werd. Het politieke establishment of het politieke systeem werden nooit bedreigd. In Duitsland zagen we iets heel anders. Het politieke systeem werd daar al van bij de aanvang in vraag gesteld, in 1918 en 1919 al, zowel door de elite als door het gewone volk. Laat daar een economische crisis op los en het systeem wankelt, wat op het einde van de jaren 1930 ook werkelijk gebeurde, op politiek, economisch, cultureel, ideologisch en sociaal vlak. En daar kon Hitler van profiteren. Hetzelfde scenario deed zich in heel wat landen voor, met als slechtste leerlingen van de klas een aantal staten in centraal- en zuid-Europa. Het is dus niet de crisis die de dictatuur veroorzaakt; ze werkt gewoon als katalysator voor een systeem dat het al moeilijk heeft om overeind te blijven. Vandaar dat tegen het einde van de jaren 1930 zestig procent van de Europeanen buiten de Sovjetunie in een dictatuur leefde. Maar veel problemen had men daar niet mee. De democratie werd toen niet gezien als het best mogelijke politieke systeem waarnaar je altijd en overal moet streven, zoals wij dat doen. Het werd toen veelal afgedaan als zwak en inefficiënt, zeker door de landbouwers en de middenklasse.’

In 1917 brak de Russische revolutie uit. Na de Eerste Wereldoorlog ging van de Sovjetunie een dreiging uit voor alle Europese landen. In hoeverre heeft die dreiging bijgedragen tot het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog?

Kershaw: ‘Hitler deed zich voor als de man die het op zou nemen tegen de Bolsjewisten en hij kweekte er heel wat sympathie mee, ook in het buitenland. Maar het was niet in Duitsland dat de grootste dreiging van het communisme uitging, maar wel in meer oostelijke staten als Roemenië of Hongarije. Dat laatste land leefde gedurende een paar maanden in 1919 zelfs onder een zeer gewelddadig communistisch regime. Je zag overal hetzelfde: waar men het Bolsjewisme kon beschrijven als een bedreiging, groeide rechts, waarbij extremisten de macht konden grijpen of hun wil konden opleggen aan de machtspartijen. Links kon daar nergens veel tegenover zetten, deels doordat steeds meer gruwelverhalen over de Sovjetunie opdoken, en deels ook doordat het verdeeld was in communisten en sociaal-democraten. En waar dit niet zo was, in Oostenrijk, kon dit toch de militaire dictatuur onder kanselier Engelbert Dollfuss niet voorkomen.’

Was de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk?

Kershaw: ‘Een navelstreng die de Eerste met de Tweede Wereldoorlog verbindt, is er niet, maar desalniettemin maakte die eerste oorlog de tweede meer dan waarschijnlijk. Ik weet niet of er in die tijd weddenschappen afgesloten werden over het wel of niet uitbreken van een nieuwe oorlog, maar ik kan je verzekeren dat als dit zo was, er heel weinig ingezet zal zijn op nee. Er is even een rooskleurige periode geweest in de jaren 1920, maar eens Hitler aan de macht in 1933 verschrompelde de kans op vrede zienderogen, en tegen 1936 restte er niets meer van. Duitsland wou oorlog en geen enkel appeasement kon dat veranderen.’

Het lijkt alsof men al tijdens WO II wist dat men de nasleep van de vorige oorlog volstrekt verkeerd had aangepakt. Die economische crises moesten uit het systeem, besliste men en daarom kwamen in

in het Amerikaanse Bretton Woods in 1944 vertegenwoordigers van zowat alle belangrijke staten samen om het kapitalisme robuuster en vooral stabieler te maken. Hoe belangrijk was Bretton Woods voor het herstel van Europa?

Kershaw: ‘Heel groot. De economische leiders die daar bijeen zaten, en dan vooral Harry Dexter White voor de Amerikanen en John Maynard Keynes voor de Britten, erkenden de ernst van de economische crises die Europa na WO I hadden getroffen. Het economisch nationalisme dat gepaard ging met invoerrechten en andere protectionistische maatregelen en steunde op het idee dat het ieder land voor zichzelf was in deze wereld, had volgens hen duidelijk gefaald. Keynes wou de ene kant op, die van een door de staat gestuurde en gesteunde economische politiek, terwijl White de andere kant op ging en pleitte voor een liberalisering van de markt. Uiteindelijk werd het een compromis tussen die twee. Het kapitalisme werd dus duidelijk hervormd in Bretton Woods. Er werden afspraken gemaakt en de grote instituten van vandaag, zoals de Wereldbank en het IMF, werden daar al geconcipieerd. De GATT handelsovereenkomst van 1947 werd er ook op poten gezet. Het idee dat samenwerking op economisch vlak soms betere resultaten oplevert dan rivaliteit is toen geïntroduceerd. En dat is een heel verschil met de economische politiek van de jaren 1920 en 1930. In Bretton Woods werden alle nationale munten aan de dollar gekoppeld, wat een bijzonder soliede systeem opleverde. Ok, dat heeft maar tot in 1971 standgehouden, maar dat was toch bijna drie decennia. Wat dit alleszins aantoont is dat de Amerikanen in 1944 zichzelf een vitale rol toedichtten op wereldvlak, en zeker wat de heropbouw van Europa betrof. Dat was een heel verschil met 1918. Toen verdwenen ze gewoon uit Europa. Ze richtten de Volkenbond op, maar weigerden vervolgens er zelf deel van uit te maken. Dat zegt genoeg.’

Amerika was de enige winnaar van de Tweede Wereldoorlog?

Kershaw: ‘Natuurlijk hadden de Sovjets meer dan eender wie gedaan om de nazi’s te verslaan, maar hun Unie lag economisch op apegapen na de oorlog. De Amerikanen kwamen daarentegen economisch sterker uit de oorlog. Relatief gezien hadden ze ook niet veel mensen verloren. Na WO I bleven Frankrijk en Groot-Brittannië, de grootmachten die de oorlog waren begonnen, aan de macht, ook al was dit dan eerder symbolisch dan reëel. Na WO II lagen de kaarten anders. Frankrijk zou zijn nederlaag van 1940 nooit meer te boven komen. Groot-Brittannië won, maar was zo arm dat voeding er nog tot in 1952 op de bon stond. Het was een appendix van de V.S. geworden, ook al zag het zichzelf zeker zo niet, maar zijn wereldomspannende Rijk viel zienderogen uit elkaar.’

En van Duitsland bleven alleen nog ruïnes over …

Kershaw: ‘Het verschil met 1918 kon niet groter zijn. Toen kwam het land zonder enige schade uit de oorlog en kon het geloven dat het niet verloren had. Nu was het bijna totaal verwoest, bezet en verdeeld in vier zones. Het was van in het begin duidelijk dat het westen en Stalin ruzie zouden krijgen. Dat had Hitler al voorspeld. In het oosten hertekenden de Sovjets grenzen, herverdeelden ze bevolkingsgroepen en wisten zo nog vier decennia het deksel op de ketel te houden. In het westen hadden de Amerikanen beloofd het continent in 1947 te zullen verlaten, maar uiteindelijk bleven ze toch, en tegen 1949 woedde de koude oorlog in volle hevigheid.’

Een groot verschil tussen 1918 en 1945 lijkt me ook dat Duitsland na WO I de vijand bleef voor veel andere Europese landen, terwijl het na WO II een bondgenoot was in de strijd tegen de Sovjets.

Kershaw: Ja, en die verandering ging heel snel. In 1948 kwamen de westerse landen samen in Brussel om een defensiebondgenootschap op te richten dat uiteindelijk zou opgaan in de NAVO. Op dat moment werd Duitsland nog gezien als een vijand. Het bondgenootschap was bedoeld als bescherming tegen mogelijke toekomstige Duitse agressie. Dat veranderde allemaal op een jaar tijd, na de blokkade van Berlijn die tot de lente van 1949 duurde. Toen was de Sovjetunie de dreiging geworden en bleek het belangrijk West-Duitsland mee aan boord te trekken. Het werd lid van de NAVO.’

De Amerikanen bleven niet alleen na 1947. Ze zetten ook het Marshallplan op. Alweer een groot verschil met 1918?

Kershaw: ‘Na WO I trok Amerika zich inderdaad terug. Nu gaf het financiële steun, al was die minder belangrijk dan we meestal denken. Na de oorlog kende Europa een bijna miraculeuze economische groei. De energie die naar de oorlog was gegaan werd opeens voor andere zaken ingezet en dat had effect. Het Marshallplan, 12,5 miljard dollar gespreid over vier jaar, kwam er pas nadat die groei al een tijdje op dreef was. Bovendien was dat bedrag veel te klein om Europa weer op de economische rails te krijgen. En toch was het Marshallplan heel belangrijk omdat het een duwtje wou geven aan heel Europa, wat voor de verslagen landen Duitsland, Italië en Oostenrijk een teken was dat ze voortaan bij de club hoorden. Voor het oplossen van het dollartekort was het Marshallplan wél heel belangrijk. Om de economie weer aan het draaien te krijgen diende Europa veel te importeren, vooral uit Amerika. Het had echter geen dollars om die import te betalen. Het plan zorgde ervoor dat die er wel waren. Maar er dienden wel Amerikaanse goederen mee gekocht te worden natuurlijk. De Amerikanen waren wel goed, maar niet gek. Ze wilden een win-win voor iedereen. En de gevolgen waren groot. Op Duitsland en Italië na haalden alle Europese landen tegen 1948 een grotere industriële productie dan in 1938. En in 1950 gold dat ook voor die twee. In feite was de economie al beginnen groeien tijdens het dieptepunt van de oorlog en daarna was die groei alleen nog maar toegenomen. Het Marshallplan was dus vooral symbolisch, ook voor Oost-Europa, omdat Stalin het weigerde voor de landen aldaar, ook al wilden de Polen en de Tsjechen wel hulp. Stalin kon natuurlijk geen Amerikaanse hulp toelaten omdat dit zijn eigen invloed zou verkleinen.’

Geloofden de Amerikanen echt dat Stalin Marshallhulp zou toelaten voor de Oost-Europese landen?

Kershaw: ‘Marshall stelde het plan zo op dat hij er praktisch zeker van kon zijn dat Stalin dat zou weigeren. Stel dat dit niet zo was geweest, dan was hij wellicht heel erg verrast geweest.’

In feite was het Marshallplan dus een politiek plan en geen economisch?

Kershaw: ‘Het was een politiek plan om West-Europa te verenigen dat door middel van economische maatregelen uitgevoerd werd, maar daar is niets mis mee. Stel je voor dat we een dergelijk plan gehad zouden hebben na de ineenstorting van het communisme om landen als Oekraïne of delen van Rusland te helpen met de heropbouw, en dat dus niet overgelaten hadden aan de Russische maffia. Dan zag de wereld er nu wellicht anders uit. Maar dat ging het petje van de neoliberalen van de jaren 1990 waarschijnlijk een stuk te boven.’

Uit uw boek blijkt dat we de Europese stabiliteit en welvaart na 1949 voor een groot stuk te danken hebben aan de dreiging van de Sovjetunie en de koude oorlog. Paradoxaal genoeg moet het Europese kapitalisme dus dank betuigen aan de Russische Bolsjewisten die in 1917 de Russische revolutie begonnen?

Kershaw: ‘Ongetwijfeld. Net als de Franse revolutie is de Russische een van de scharniermomenten van de wereldgeschiedenis. Zij veranderde heel veel, en niet alleen in de Sovjetunie. Eens zowel het westen als het oosten over kernwapens bleken te beschikken, ontstond er een evenwicht in Europa.’

We hebben dus alles aan de atoombom te danken?

Kershaw: ‘Zo ver zou ik niet willen gaan, maar het bestaan van atoombommen maakte wel dat men wist wat men kon doen en wat niet. Men wist dat er twee supermachten waren elk met hun kernwapens. Dat gaf stabiliteit. Wat me altijd opvalt wanneer ik naar de politiek van de jaren dertig kijk is hoe unilateraal staten te werk gingen. Niemand haalde het zich in zijn hoofd om een conferentie bij elkaar te roepen om een meningsverschil op te lossen, dat deed men zelf. Na de oorlog behoorde je als natie tot de invloedssfeer van een van de supermachten en was je verplicht om overleg te plegen met anderen.’

En toen was er in 1991 opeens maar één supermacht meer en viel het evenwicht weg.

Kershaw: ‘In feite is dit iets voor mijn volgende boek, en het is ook hoogst speculatief, maar stel dat er na 1991 nog wel twee supermachten waren geweest, zou Amerika dan zo makkelijk Irak binnengevallen zijn om Saddam Hoessein aan de kant te schuiven? Ik denk het niet. Een wereld met één supermacht die vervolgens zijn zin kan doen, is een gevaarlijke wereld. En toch is dat de situatie waarin we verzeild zijn geraakt. Wij dachten altijd dat de koude oorlog gevaarlijk was. We waren verkeerd. Wat we nu meemaken is veel gevaarlijker. Vandaar dat het misschien nog niet eens zo slecht is dat de Russen momenteel actief zijn in Syrië. Misschien zet dat de Amerikanen aan tot het zoeken van een politieke oplossing voor het probleem aldaar, in plaats van te bombarderen en drones hun nutteloze werk te laten doen.’

Verschenen in Knack

  • De afdaling in de hel

  • Ster(ren)

    (5)
  • Auteur(s)

    Kershaw, Ian
  • Vertaler(s)

    Onbekend
  • Recensent(en)

    Verplancke, Marnix
  • Aantal Pagina's

    639
  • Publicatiejaar

    2015
  • Uitgever(s)

    Onbekend
  • ISBN

    9000346967, 9789000346967
  • ISBN E-Book

    Onbekend
  • Categorie(ën)

    Onbekend
  • Genre(s)

    Geschiedenis, Wereldpolitiek

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *