Woensdag, 3 februari, 2016

Geschreven door: Aswani, Alaa al
Artikel door: Verplancke, Marnix

De Automobielclub van Caïro

De Egyptische romancier Alaa al Aswani gaat op zoek naar de radertjes die de dictatoriale machine in zijn land zo lang aan de gang heeft gehouden. Ook nu nog, vijf jaar na de revolutie van 2011, maar hij blijft optimistisch: ‘Je verandert de wereld niet van de ene op de andere dag en er zal nog veel water door de Nijl vloeien voor het zo ver is, maar de verandering is bezig.’

‘Als je ooit problemen hebt met je tanden, geef me dan een seintje, dan maken we een afspraak.’ lacht Alaa al Aswani, zonder enige twijfel de beroemdste tandarts van Egypte. Die roem heeft hij echter niet te danken aan zijn praktijk, maar wel aan zijn een beetje uit de hand gelopen hobby: schrijven, en het politiek engagement dat eruit voortvloeit. Niet alleen is hij de auteur van de hoogst vermakelijke en in 35 talen te lezen roman Het Yacoubian, in 2004 stond hij ook mee aan de wieg van Kefaya, de protestbeweging die het aftreden van president Moebarak eiste en uiterst actief was tijdens de revolutie van 2011. Hij is een internationaal geprezen columnist die makkelijk van zijn pen zou kunnen leven, maar zijn tandartsboor aan de wilgen hangen is voor hem geen optie: ‘Ik hou van het contact met mijn patiënten,’ zegt hij, ‘Zo blijf ik op de hoogte van wat er leeft onder het volk, en dat is belangrijk voor een schrijver. Als je je zou afvragen hoe ik met mijn patiënten kan praten terwijl ze met hun mond open naar het plafond liggen te staren, … wel ik ben niet dat soort tandarts. Het gebeurt regelmatig dat ik mensen over de vloer krijg die helemaal niet willen dat ik naar hun mond kijk. Ze willen alleen praten. Dan bestel ik koffie en doen we een babbel.’

Net zo’n babbel deden wij met Al Aswani, alleen speelden wij voor een keertje de tandarts en was hij de man die bij ons op de koffie kwam om te praten over hetgeen onder het Egyptische volk leeft. En over zijn nieuwste roman natuurlijk, De Automobielclub van Caïro. In dit boek, dat speelt in 1948, voert hij twee families op, de Hamama’s en de Ga’far’s. De enen hebben een winkeltje, terwijl de anderen – migranten uit het zuiden van het land – afhankelijk zijn van het inkomen dat vader Abd al-Aziez verdient als magazijnier in de Automobielclub uit de titel, een koloniaal instituut dat nog steeds echt bestaat. De club kwam op voor de belangen van de automobilist, maar had ook een belangrijke sociale functie. Egyptenaren mochten er alleen mits een aanbevelingsbrief lid van worden, tenzij ze de koning waren natuurlijk, want die was een graag geziene gast aan de speeltafels en in het restaurant.

Wanneer Abd al-Aziez door de schuld van de tirannieke personeelschef Alkoe sterft, slaat de rampspoed toe. Van dan af staat zijn weduwe Oemm Sa’ied er alleen voor. Twee van de vier kinderen zullen voortaan in de club gaan werken: de goedige maar niet zo snuggere Mahmoed en Kamil, die er zijn studies rechten voor moet laten en in nationalistisch vaarwater belandt. Het is via hen dat we een kijk krijgen op het regime dat in de club heerst, en dat ongetwijfeld een metafoor is voor het regime dat toen – en misschien ook nu nog wel – in Egypte aan de macht is. En Alaa al Aswani weet waarover hij schrijft. Zijn vader was immers als advocaat werkzaam voor de club.

C2W

Hoewel de grote politiek natuurlijk een belangrijk thema is in de roman, lijkt De Automobielclub van Caïro toch vooral over die andere politiek te gaan, de sociale, en de machtsverhoudingen tussen man en vrouw. Want ook al is de club een zuivere mannenzaak, het zijn de vrouwen die de maatschappij waarin hij kan bestaan overeind houden: van weduwe Oemm Sa’ied, over haar dochter Salha die studeert en zich tegen haar gedwongen huwelijk verzet, en de rijke klanten van gigolo Mahmoed, tot aan Mitsy, de dochter van de directeur van de club die met de koning weigert te slapen. Net zoals Bertha Benz, eega van uitvinder Carl, de eerste was die de auto van haar man aan de praat wist te houden, zijn het ook de Egyptische vrouwen die hun land draaiende houden, impliceert Al Aswani. ‘Dat is een mooie manier om het samen te vatten,’ glundert de schrijver, ‘Ik denk dat wij mannen heel erg stereotiep denken over vrouwen. Ze worden aan de kant gezet als machteloze, domme wezens die niet tegen druk kunnen en om de haverklap in huilen uitbarsten. En dat alleen omdat wij ons daar als mannen beter bij voelen. Wij hebben dat beeld gecreëerd, en we weten dat het niet klopt. Vrouwen zijn niet alleen mooi, ze zijn ook heel efficiënt en dat positieve beeld wil ik uitdragen.’

En ze zijn machtig, veel machtiger dan de mannen.

Al Aswani: ‘In iedere maatschappij gaapt er een kloof tussen theorie en praktijk, of tussen ideologie en realiteit. In het westen worden homoseksuelen in theorie aanvaard. Ik heb in de V.S., in Frankrijk en in Spanje gestudeerd en ik kan je verzekeren dat homoseksuelen daar misschien legaal geen haarbreed in de weg wordt gelegd, maar sociaal wel. Iets gelijkaardigs zie je in het Midden-Oosten wat betreft vrouwen. In theorie zijn het machteloze schepsels, maar wanneer je door dat verhaal heen kijkt, zul je zien dat zij in werkelijkheid erg sterk staan en de mannen in hun macht hebben.’

Uw boek speelt in 1948. Is de positie van de vrouw er intussen op vooruit gegaan in Egypte?

Al-Aswani: ‘Ik bekijk een maatschappij graag als een geheel. Vrouwen hadden al vroeg in de geschiedenis rechten in Egypte. De tweede pilote ooit was bijvoorbeeld een Egyptische, de eerste een Amerikaanse. Wij hadden ook de eerste vrouw die aan de universiteit studeerde en de eerste vrouwelijke minister van de Arabische wereld. Vanaf de jaren 1980 nam de invloed van het wahabisme toe in Egypte. Een op vier Egyptenaren werkte toen in Saoedi-Arabië of de golfstaten, waar deze strikte interpretatie van de islam gangbare praktijk is. Het wahabisme is tegen zowat alles, waaronder vrouwen en democratie. Het wahabisme heeft tot aan de revolutie van 2011 aan invloed gewonnen in Egypte, maar nu is dat voorbij. Die revolutie was een ware overwinning voor vrouwen. Een derde van de mensen die toen op straat kwamen waren vrouwen en zonder hen was de revolutie ongetwijfeld mislukt.’

Waren de jaren veertig geen onschuldige tijd in vergelijking met vandaag?

Al-Aswani: ‘Dat hangt af van welk aspect je bekijkt. We kenden toen een primitief, maar wel consistent democratisch systeem. Dat begon na de revolutie van 1919. In 1923 hadden wij de eerste grondwet van heel de Arabische wereld. Eind de jaren veertig bestond de kans dat we een echte democratie zouden krijgen, ook al leefden we toen nog onder de Britse koloniale heerschappij. Die zou echt niet lang meer duren, besefte men. Het Britse militaire kolonialisme had zijn tijd gehad. De middenklasse wou zich inspannen voor democratie en vooruitgang. Maar die zijn er niet gekomen omdat Nasser in 1952 een staatsgreep pleegde die nadien de steun van het volk kreeg. Nasser was niet alleen een fantastisch leider, maar ook een dictator. Hij installeerde de dictatuur, als een machine, en toen hij stierf diende iemand anders zijn stoel maar in te nemen en de juiste knoppen in te drukken. Het zou vanzelf werken, en dat doet het vandaag nog steeds.’

Moebarak had dus geen speciale kwaliteiten?

Al-Aswani: ‘Ieder ander had op zijn stoel kunnen zitten. Mijn vader was schrijver en activist tegen de Britse kolonisten. Hij is meerdere keren gearresteerd. De laatste keer was in 1952, toen hij beschuldigd werd van brandstichting. Daar was niets van aan, maar toch zat hij een tijdje achter de tralies. Terwijl hij daar zat, liet hij iedere dag eten brengen uit de beste restaurants van de stad en hij kon zonder enig probleem aan de Lucky Strike geraken waar hij zoveel van hield. Hij voetbalde op de binnenkoer en ’s avonds organiseerde hij toneelvoorstellingen. Stel dat hij onder Nasser gearresteerd was, zoals sommige van zijn vrienden, dan zou hij iets anders meegemaakt hebben. Dan was hij gemarteld, geslagen en met elektriciteit bewerkt. Hij zou vernederd geweest zijn en men zou ermee gedreigd hebben zijn gezin aan te pakken. De Britse bezetting was in vergelijking daarmee inderdaad een onschuldige tijd.’

In 2004 was u een van de oprichters van Kefaya, de organisatie die ijverde voor de afzetting van Moebarak. Was u daarvoor ook al politiek actief?

Al Aswani: ‘Nee, en misschien ben ik het ook wel nooit geweest. Wanneer je hier in Europa politiek actief bent, wil dat zeggen dat je de gang van zaken wil beïnvloeden door verkozen te worden. In Egypte bestaat dat niet. Het lijkt wel zo, maar het is nep, net zoals alles. De enige waarheid is de dictator zelf. Ik ben niet echt geïnteresseerd in politiek. Ik ben een schrijver. Ik ben nooit lid geweest van enige politieke partij en toen men mij na de revolutie het ministerschap van cultuur aanbood, heb ik dat geweigerd. Maar je kunt geen schrijver zijn zonder de democratie en de vrijheid van de mensen te verdedigen natuurlijk.’

Hoe raak je verlost van een dictatoriale machine?

Al Aswani: ‘Een dictator wil niet iedereen vermoorden, zoals wel eens gedacht wordt. Hij wil daarentegen het land verdelen. Mensen die op morele gronden aan politiek doen zullen nooit in de meerderheid zijn. Kijk naar degenen die in 2011 de revolutie steunden: tussen de tien en de twintig procent van de bevolking. Het merendeel van de mensen wil eten, een job en veiligheid. Democratie en vrijheid kunnen hen gestolen worden. Dat zijn dan ook de zaken die iedere dictator belooft, en alleen de intellectuelen of revolutionairen die zijn macht in vraag stellen zal hij uitmoorden. Vandaar dat zo veel dictators zo lang aan de macht kunnen blijven. In zijn Vertoog over de vrijwillige onderdanigheid zegt de zestiende-eeuwse Franse filosoof Etienne de La Boétie dat de twee eerste generaties geen noodzaak voelen voor vrijheid. Pas de derde generatie zal de strijd voor de vrijheid weer opnemen. En zij zal het extra moeilijk krijgen aangezien zij niet alleen de dictator, maar ook haar eigen ouders moeten confronteren. Wanneer je je leven netjes geregeld hebt in de dictatuur en je je koetjes bij wijze van spreken op het droge hebt, word je immers niet echt wild van je kinderen die hun vrijheid opeisen en je rustige bestaan willen inruilen voor een paar jaar chaos.’

Momenteel lijkt de revolutie in Egypte toch stilgevallen te zijn?

Al Aswani: ‘Steeds meer mensen beseffen dat het regime van president Abdel Fatah al-Sisi geen blijvertje is. Het heeft weinig steun onder de bevolking en het lijkt uit een ander tijdperk te stammen. Je verandert de wereld niet van de ene op de andere dag en er zal nog veel water door de Nijl vloeien voor het zo ver is, maar de verandering is bezig. Men is doorheen de barrière van de angst gebroken. De Egyptenaren van vandaag zijn niet dezelfde die onder Moebarak leefden. Jammer genoeg ziet het huidige regime dit niet. Maar de verandering komt. Ik blijf optimistisch. Ik heb de geschiedenis van heel wat revoluties bestudeerd en ik zie eenzelfde patroon in Egypte. Miljoenen mensen hebben een droom en de moed om iets te doen. Tegenover hen staat een machtig regime dat zijn privileges beschermt door middel van het leger en de media. Dat kun je alleen stapje voor stapje uithollen en omverwerpen.’

En wat met de Moslimbroeders?

Al Aswani: ‘Die hebben veel van hun pluimen verloren. In feite zijn de Moslimbroeders een soort fascisten. Sinds 1952 zit Egypte geprangd tussen het militaire fascisme van Nasser en Moebarak en het religieuze fascisme van de Moslimbroeders. Het conflict tussen die twee draait enkel om de macht. Meestal sluiten ze een akkoord en werken ze samen. In Egypte zijn de Moslimbroeders aan de macht gebracht door de militairen. Alleen, toen Moersi tegen de wet inging mocht hij opstappen. Net als vele andere intellectuelen heb ik dan de straten afgelopen om handtekeningen te verzamelen om vervroegde presidentiële verkiezingen af te dwingen. Die zijn er niet gekomen. Ik denk echter nog steeds dat het leger de democratie had kunnen bewaren in plaats van zelf aan de macht te komen. Dat is wat bijvoorbeeld in Tunesië gebeurde. Na de revolutie van 2011 is de democratie daar bij wet ingevoerd. Voortaan zal er om de vier jaar een andere president zijn. Ook in het Midden-Oosten weet men intussen dat democratie gelijk staat aan rechtvaardigheid.’

Waarom lijkt Saoedi-Arabië immuun te zijn voor de revolutie?

Al Aswani: ‘Omdat de Golfstaten anders zijn. Je kunt Egypte vergelijken met Tunesië, Syrië en Irak, maar niet met die staten. Zij werden na WO I gecreëerd door de Britten met het doel niet te veel olie te concentreren in één staat. Wandaar dat er zoveel kleine staatjes zijn. Ook cultureel is er een groot verschil met Egypte. In de golfstaten heerst de stamcultuur, en die is volstrekt antidemocratisch. In een democratie zie je de president als iemand die ten dienste staat van zijn land. In een stam is de leider je symbolische vader en staat alles ten dienste van hem. En natuurlijk is er het economische verschil. Door de olie-inkomsten is iedereen rijk. Het inkomen per hoofd van de bevolking is in Quatar al een aantal jaar het hoogste ter wereld. En dan is er ook nog het ander politiek systeem in de Golfstaten. Egypte had te lijden onder de verkrachting van de wetten door de corrupte overheid. Dat kan niet in de golfstaten omdat die wetten er niet zijn. Er is geen grondwet. De wil van de koning is wet.’

De kans dat die Golfstaten democratieën worden is dus absurd klein?

Al Aswani: ‘Integendeel. Doordat de maatschappelijke tegenstellingen in die staten steeds groter worden, zou de verandering wel eens heel snel kunnen gebeuren. Je mag niet vergeten dat we met twee generaties mensen zitten die een goede, open, moderne en westerse opleiding hebben gekregen. Toen ik in de V.S. studeerde zat het daar vol mensen uit de Golf. Die keren terug naar hun land en hebben de grootste moeite om zich weer aan te passen. Zij pikken dat koninklijke regime niet langer. Het is een kwestie van tijd, denk ik.’

Is dat ook de reden waarom er geen solidariteit is tussen de Saoedi’s en de Syrische vluchtelingen?

Al Aswani: ‘In het westen is men geobsedeerd door individuele veiligheid, en dat is goed. Die kan een Saoedi echter gestolen worden. Hij wil politieke veiligheid. Het laatste wat de Saoudi’s nu willen is mensen die van buitenaf het land binnenkomen, want zij zouden wel eens een heel andere kijk op wereld en politiek kunnen hebben. Voor je het weet verspreiden zij allerlei nieuwerwetse ideeën en zit je met een revolutie. Dus hou je ze maar beter buiten, ook al geef je jezelf uit voor een bewonderenswaardige moslim die zijn naast hoort te helpen. Wanneer het op macht aankomt, worden religieuze principes gewoon aan de kant geschoven.’

Wie is Alaa al Aswani? (°1957, Caïro)

* 2002: Debuteert met Het Yacoubian, een kaleidoscopische roman over hedendaags Egypte die vier jaar later wordt verfilmd.

* 2004: Is een van de oprichters van Kefaya, de organisatie die het ontslag van president Moebarak eist.

* 2010: Verzet zich tegen de vertaling van Het Yacoubian in het Hebreeuws omdat hij geen normalisering wil van de relaties tussen Egypte en Israël.

* 2011: Staat alle 18 dagen van de revolutie op het Tahrirplein en gaat op tv in discussie met de door Moebarak aangestelde premier Ahmed Shafik. Deze gaat zo de mist in dat hij een dag later ontslagen wordt.

Verschenen in Knack

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.