Zondag, 6 mei, 2018

Geschreven door: Kuipers, Jan J.B.
Artikel door: Weterings, Vera

De Beeldenstorm

Verwoesting in de Lage Landen

[Recensie] De eerste beeldenstorm vond plaats in de Lutherse stad Wittenberg in 1522. Onder leiding van Maarten Luthers radicale medewerker Andreas Bodenstein von Karlstadt, een fel publicist tegen paapse beelden en symbolen, werd de Stadskerk grotendeels ontdaan van de middeleeuwse heiligenbeelden. In de jaren hierop volgde in het door Nederlanders gedomineerde koninkrijk van de wederdopers in MĂŒnster in 1534/35 een grootschaliger beeldenstorm waarbij alle kerken, kloosters, openbare en particuliere gebouwen grondig werden ontdaan van roomse beelden en afbeeldingen, en van alle mogelijke devote en liturgische voorwerpen.

Deze eerdere beeldenstorm in MĂŒnster en ook die in Wittenberg komen in de geschiedenisboeken zelden aan bod. Over het algemeen wordt gesproken over de Beeldenstorm van 1566. Voor een goed begrip van deze Beeldenstorm, is het echter belangrijk zijn oorsprong ook te weten. In  De Beeldenstorm. Van oproer tot opstand in de Nederlanden, 1566 schetst Jan B. Kuipers het brede verhaal van deze Beeldenstorm als maatschappelijk verschijnsel en heeft hij ook aandacht voor de aanloop er naartoe. Kuipers (1953) publiceerde tientallen boeken, zowel non-fictie als fictie, veelal over historische onderwerpen. Hij won verschillende prijzen en was stadsdichter van Middelburg. Eerder verscheen van zijn hand De VOC, Vrijheid, gelijkheid en broederschap en Geschiedenis van Zeeland.

In De Beeldenstorm neemt Kuipers de lezer mee naar het West-Vlaamse dorpje Steenvoorde op 10 augustus 1566. Banneling Sebastiaan Matte preekt fel tegen de rooms-katholieke kerken en overheden en na afloop dringen toehoorders het plaatselijke Sint-Laurentiusklooster binnen. Zij slaan alle religieuze beelden kapot. Hoewel het wellicht een spontane actie lijkt, is de Beeldenstorm vanaf het begin georganiseerd en geregisseerd. De Beeldenstorm was een reactie op de meedogenloze kettervervolgingen van de periode daarvoor. Ook speelden andere motieven mee, zoals economische nood en politieke frustratie. Kuipers gaat ook in op de historiografie omtrent de Beeldenstorm. Tal van studies zijn gewijd aan de economische en sociologische achtergronden van de Beeldenstorm, maar d e laatste decennia is ook een verschuiving in de aandacht te zien van economische en maatschappelijke achtergronden, naar de symbolische betekenissen en het rituele karakter van de Beeldenstorm. Kuipers stipt bijvoorbeeld aan dat toen in het Noorden eenmaal de protestante Republiek was gevestigd er gĂȘne heerste ten aanzien van de Beeldenstorm onder Nederlandse geschiedbeoefenaars. Met name na het verschijnen van Het hongerjaar 1566 van Erich Kuttner in 1949 veranderde dit.  Hiervoor verhieven de geschiedschrijvers zich in hun geschriften boven de zo besmettelijke vernielzucht die door de Nederlanden had gewaard. De laatste decennia gaat de aandacht meer naar de irrationale elementen, de symbolische betekenissen en het rituele karakter van de Beeldenstorm.

Kuipers presenteert in De Beeldenstorm de aanloop naar de Beeldenstorm van 1566 en volgt daarna de Beeldenstorm in alle fasen door de verschillende gewesten. De Beeldenstorm wordt vaak in drie fasen ingedeeld, waarbij de derde fase uit twee delen bestaat. De eerste fase start vanuit Steenvoorde op 10 augustus en duurde tot 18 augustus in met name de omgeving van de huidige Frans-Belgische Westhoek. In de tweede fase raasde de Beeldenstorm vanuit Antwerpen op 20 augustus door onder andere Walcheren en het calvinistisch bastion Doornik. Het eerste gedeelte van de derde fase startte in Amsterdam op 22/23 augustus waarna de vernielingsbrand doorsloeg naar onder meer Utrecht, Den Haag, Delft en Leiden. De laatste fase trof Friesland, Groningen en het huidige Limburg. Chronologisch behandelt Kuipers de beweging die de Beeldenstorm door de Nederlanden maakte. Hierbij behandelt hij ook plaatselijke gebeurtenissen en vertelt hij anekdotes over participanten in de Beeldenstorm zonder de grote lijn uit het oog te verliezen. Het boek wordt afgesloten met het zesjarig schrikbewind onder de hertog van Alva (1567-1573) met zijn Raad van Beroerten, beter bekend als de Bloedraad.

Bergen

Één van de anekdotes die Kuipers in zijn boek aanhaalt is het verhaal van Weyn Ockers. Zij werd in maart 1568 samen met haar dienstmaagd Trijn Hendricksdochter gevangengenomen. De twee vrouwen werden ervan beschuldigd te hebben meegedaan aan de Beeldenstorm in de Oude Kerk in Amsterdam. Weyn Ockers werd onder meer veroordeeld omdat zij tijdens de bestorming van de Oude Kerk haar pantoffel naar een Mariabeeldje zou hebben gegooid. Het beeldje stond in het altaar van Simon Slecht. Weyn Ockers zou die eerste dag van de Amsterdamse beeldenstorm in woede ontstoken zijn toen zij het altaar zag en had daarom haar pantoffel naar het beeld geworpen.

De geschiedenis van de Beeldenstorm wordt doorlopen in een tiental hoofdstukken die elk worden afgesloten met een kadertekst die het verhaal in breder historisch perspectief plaatst. Zo wordt bijvoorbeeld ingegaan op het concilie van Trente of belangrijke historische figuren uit die tijd, zoals Erasmus, en Margaretha van Parma. Ook in de lopende tekst zijn hier en daar kleine kaderteksten toegevoegd om extra verdieping te bieden bij het verhaal. De verschillende kaarten die Kuipers naast de teksten plaatst, visualiseren voor de lezer de beweging die de Beeldenstorm door de Nederlanden heeft gemaakt. Daarbij vullen de vele prachtige illustraties de tekst goed aan; prenten en schilderijen brengen de ernst van vernieling in beeld en portretten geven de historische personen een gezicht. Al met al een bijzonder fraai werk waarbij een helder verhaal wordt geschetst van de geschiedenis van de Beeldenstorm inclusief aanloop en nasleep.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus