Vrijdag, 2 maart, 2018

Geschreven door: Hedayat, Sadegh
Artikel door: Verplancke, Marnix

De blinde uil

Een mijlpaal in de Iraanse literatuur

Bijna negentig jaar geleden schreef Sadegh Hedayat zijn korte, enigmatische roman De blinde uil. Het boek werd een mijlpaal in de moderne Iraanse literatuur die ook vandaag nog steeds fier overeind staat.

[Recensie] “Sommige mensen beginnen op hun twintigste al af te sterven, terwijl heel veel anderen pas aan het einde van hun leven, heel vredig en kalm, als een opgebrande kaars uitdoven,” denkt de verteller uit De blinde uil, en hij rekent zichzelf ongetwijfeld tot de eerste groep. Hij is een aan alcohol en opium verslingerde schilder van pennenkokers die zich heeft afgekeerd van de wereld die beheerst wordt door oppervlakkig en platvloers gepeupel. Een levende dode noemt hij zichzelf, die geen band meer heeft met het leven en nog geen rust heeft kunnen vinden in de vergetelheid van de dood.

Wanneer hij op een dag thuis een fles wegneemt die op een hoog rek staat, merkt hij dat er een luchtrooster achter zit. Hij kijkt erdoor en ziet onder een cipres een oude, gebogen man zitten, een soort Indische yogi, gehuld in een lang gewaad en met een tulband om het hoofd gewikkeld. Hij zit aan een riviertje en houdt de wijsvinger van zijn linkerhand voor zijn lippen, als in verwondering. Aan de overzijde van de rivier staat een jonge, bloedmooie, in het zwart geklede vrouw die hem een lotusbloem aanreikt.

Het tafereel maakt een diepe indruk op de verteller. Zo diep dat hij een paar dagen nadien nog eens door het rooster wil turen. Maar het blijkt verdwenen. Het enige wat hij ziet is de muur. Niet veel later treft hij na een door opium gekleurde avondwandeling voor zijn deur de vrouw aan die hij door het rooster zag. Ze slipt mee zijn huis binnen, gaat in zijn bed liggen en sterft. De man weet niet wat aan te vangen met haar lijk, snijdt het in stukken die hij in een koffer perst en gaat er de straat mee op. Daar wordt hij opgepikt door een koetsier die zegt begrafenisondernemer te zijn en hem helpt de lichaamsresten van de vrouw te begraven. Wanneer de verteller hem de drie kleine muntjes wil geen die hij op zak heeft, weigert de man. Nee, zegt hij, neem in plaats daarvan de kruik die ik bij het graven heb gevonden. Ze hort jou toe, en wanneer de verteller haar eens thuis wat van naderbij onderzoekt ontdekt hij dat er een portret op staat, van de vrouw die hij net begraven heeft.

Wordt Vervolgd

“Wat is het leven anders dan één lachwekkende vertelling, één fantastisch, stompzinnig sprookje?” vraagt de verteller zich af, “Vertellingen zijn louter een uitweg voor onvervulde verlangens.” Dat zou ook wel eens het geval kunnen zijn voor Sadegh Hedayats aan het werk van Poe, Kafka, Freud en Breton verwante roman De blinde uil. Hedayat werd in 1903 geboren in Teheran. Zijn vader behoorde tot een adellijk geslacht. Dat Sadegh in het westen zou studeren lag dus voor de hand. Hij werd naar België gestuurd om ingenieur te worden, verkaste al gauw naar Parijs waar hij voor architectuur koos en keerde in 1930 zonder enig diploma maar wel met een reuze liefdeskater terug naar huis. De vrouw die hij aanbad had hem afgewezen en uit onvervuld verlangen had hij een donker-romantische ondergangsfabel geschreven, De blinde uil. Of dat boek al klaar was toen hij terugkeerde naar Iran is in feite niet echt duidelijk. Feit is dat hij het niet in zijn vaderland durfde te publiceren en dat het pas in 1936 verscheen, in Bombay nog wel.

Als lid van een adellijke familie was Hedayat trots op zijn Iraanse erfenis. Hij kwam uit het land van Zoroaster, de Sassaniden en het Pahlawi benadrukte hij, een verfijnde en rijke cultuur die vanaf de zevende eeuw vernietigd was door de horden woestijn-Arabieren die de islamisering hadden doorgedrukt. Nee, met religie had Hedayat zijn hele leven niets, ook niet toen hij in 1951 terugkeerde naar Parijs om zelfmoord te plegen.

Ook de verteller van De blinde uil ziet trouwens geen enkel persoonlijk nut in religie. “Voor iemand die in doodsnood verkeert is dat vrome geprevel van geen enkel gewicht,” zegt hij. Nee, Hedayats verteller is een archetypische moderne mens die zichzelf niet langer als een eenheid kan zien in de steeds vlugger veranderende wereld. Hij valt uit elkaar, klaagt hij meermaals en de vele gebeurtenissen in zijn leven weet hij niet tot een coherent verhaal te smeden. Dat laat hij aan de lezer over die naarmate het boek vordert niet alleen merkt dat alle andere personages in feite slechts schaduwen zijn van die alomtegenwoordige verteller, maar dat wanneer de alcoholroes uitgeslapen is en de opiumwolken opgetrokken zijn er wel degelijk enige rede verborgen zit achter de waanzin.

Eerder verschenen in De Morgen