Donderdag, 10 november, 2016

Geschreven door: Verwey, Lucas
Artikel door: Reinewald, Chris

De Designfactor

Design aan leek, liefhebber of opdrachtgever verklaard

[Recensie] Met zijn boek De Designfactor legt Lucas Verwey als een ‘design-for-dummies’ in gewone-mensen taal uit “waarom alles onweerstaanbaar wordt als het mooi en makkelijk is (ontworpen)”.

De term design dekt vele ladingen. Een kapper – met gevoel voor marketing en tijdgeest – noemt zich hairdesignstudio. Toch ontwerpt – designet – de kapper daar toch echt geen kapsels maar hanteert hij gewoon schaar en tondeuse in je uitgegroeide kapsel. Een non-descript Nederlands hebbedingetje prijst zichzelf in de markt als echt ‘dutsjdiezain’. En in de witgoedhandel legt de verkoper meewarig uit dat die sapcentrifuge er zo mal retestrak of juist voluptueus uitziet ómdat het ‘design’ is. Kortom, voor leek, liefhebber of opdrachtgever komt wat design vermag nogal diffuus over. Het kan een functioneel voorwerp maar ook een kunstobject zijn. En – nog verwarrender: soms neemt design een onzichtbare vorm aan als dienst, handeling of methodiek.

Zoals een aardige oom op een verjaarsfeestje, zo legt designcriticus Lucas Verwey in elf kernachtige hoofdstukken de designfactor uit. Dat doet hij goed, aanstekelijk, inzichtelijk en zeker niet kritiekloos. Aansprekende praktijkvoorbeelden van bekend design – Nespresso, Trabant, Apple, IKEA – en van designers – Marcel Wanders, het echtpaar Eames en Maarten Baas (van de afgebrande meubels) – illustreren zijn verhaal.

Design is kort voor ‘industrial design’: industriële vormgeving dus. Oorspronkelijk ontwierpen Amerikaanse ingenieurs, soms ook architecten en decorontwerpers, rond 1935 veelal technische voorwerpen en kreeg deze vakdiscipline vorm. In Europa mengden ambacht en toegepaste kunsten zich in dezelfde tijd met hun meer industrieel georiënteerde evenknie in het Duitse Bauhaus opleidingsinstituut.

C2W

Tussen ontwerpen en vormgeven bestaat net zo’n wezensverschil als een mooi gerecht creëren of er alleen een lekker sausje bijmaken. Zoals iedereen nu hanteert Verwey de termen design, ontwerpen en vormgeving ondogmatisch door elkaar. Vergelijkbaar verschillend wordt design benaderd.

Kranten schrijven er meestal vanuit een lifestyle of culturele invalshoek over. Optimistisch, want bijna niets belichaamt de onstuitbare Westerse vooruitgangsgedachte zo als juist design.

Consumentenorganisaties wantrouwen design echter en onderwerpen het aan kritische gebruikstesten. Alhoewel bedrijven als HEMA en IKEA natuurlijk met – anonieme – ontwerpers werken was de aanprijzing design lang taboe, omdat hun klanten dat met dure aanstellerij associeerden. Recent ontwikkelden beschouwers vanuit het vak designtheoretische zienswijzen, waar beoefenaars zelf echter zelden mee bezig zijn.

Nespresso

Gelukkig verliest Verwey zich niet in een van deze invalshoeken. Het bekende Nespresso-apparaat en mee-ontworpen ‘productbeleving’ maken goed de designfactor duidelijk. Het apparaat is technisch goed ontworpen maar de, in milieuonvriendelijke aluminium cupjes verpakte, koffie is verre van brandvers en smaakt dus niet zoals reguliere espresso moet zijn. Pretentieuze marketing maakt nog geen topdesign.

Van design verwachten we ook dat het duurzame oplossingen aandraagt. Voorbeelden: de Fairphone, een zelf te repareren mobieltje met sociaal verantwoorde productielijn of de eveneens beoogde slaafvrije Tony Chocolonely chocoladerepen. Hoewel met de beste bedoelingen ontwikkeld zijn beide producten niet 100% zo sociaal als bedoeld. Zijn ze daarom mislukt? Nee, je kunt niet verwachten dat een designer in zijn eentje een wereldprobleem oplost, dat ook een multinational niet aankan.

Hier introduceert Verwey – passend –  het aspect ‘storytelling’. Een mooi verhaal om een product heen is inmiddels even belangrijk als de vormgeving. Tony Chocolonely of de Fairphone vertellen ons tegelijk over oneerlijke maakprocessen. Een stoer herenhorloge wordt weer begerenswaardig omdat astronauten op de Maan hiervan het oermodel droegen.

Dan is er nog het fenomeen van de ster-ontwerper. Zo re-designede ontwerper Marcel Wanders zichzelf van talentvolle, bleue Brabantse meubelwinkelierszoon tot een welbespraakte ‘good looking designicon’ en Nederlands succesvolste zakenman-designer ‘ever’. Dat imago versterkt maar verzwakt ook zijn ontwerpen, zo bleek bij zijn oeuvre-expositie in het Stedelijk Museum. Met theatrale bombast walste Wanders de cultureel ‘angehauchte’ designliefhebbers over hun (lange) tenen. De naam van de ster-ontwerper versterkt op zeker moment louter de mythe van het product.

Verwey laat de vraag onbeantwoord of een product deugt als dat vermomd is als kunst – of omgekeerd. Hij toont de barok-krullerige radiator van Joris Laarman, een ogenschijnlijk gedateerd product dat desalniettemin op een designveiling zo’n € 30.000 opbracht. De ontwerper gedraagt zich hierbij conceptueel en autonoom: zonder de gebruikelijke opdrachtstelling vanuit de markt. Als relatief betaalbare niche binnen de kunstmarkt bereikt zulke design-art vooral verzamelaars en musea.

Productloos design

Op twee-derde van zijn boek duikt Verwey toch even de diepte in. Hij schetst de opeenvolgende stadia in het creatieve denkproces van een ontwerper: ontdekken, interpretatie, idee, experiment en tenslotte evolutie. Niet altijd hoeft daar een tastbaar product uit te komen.

Zulke ‘designthinking’ kan bedrijfseconomische en managementprocessen naar onverwachte oplossingen sturen. Een – niet door Verwey genoemd –  voorbeeld is het bewust niet langer gestructureerde kruispunt achter het Centraal Station in Amsterdam. Hier passeren fietsers en wandelaars, langs, van en naar de pont, elkaar. Juist die krioelende mierenhoop vol verkeersstromen maakt dat iedereen hier extra oplet en afremt. Misschien is de toekomst van productdesign dus wel productloos design.

Zo belanden we weer bij de hairdesignstudio, in de gedaante van Schorem. Verwey prijst deze anachronistische, Rotterdamse barbier voor bebaarde hipsters als combi van “ijzersterke branding en goed servicedesign”.

Knap aan De Designfactor is de nonchalante toon. Soms merk je dat Verwey als criticus/ontwerper meer weet maar zich inhoudt. Oplettende lezers kunnen opmaken dat hij de partner is van Hella Jongerius, die hij – discreet – alleen zijdelings noemt. Vanuit het speelsige, conceptuele Droog Design ontwikkelde Jongerius zich tot een serieuze ontwerpster van wereldfaam voor bedrijven als IKEA, Vitra en KLM. Schrijvend over Droog verbastert Verwey de voornaam van mede-oprichtster Renny Ramakers overigens tot een maagzuurtablet. Onbedoeld grappig. Nog zo’n oneffenheidje: Droog noemde zich toch zo vanwege de vermeende “droge humor” van hun producten en projecten? En toch niet vanwege de “droge ontwerpstijl”, zoals Verwey beweert.

Sommige stukken lijken niet geactualiseerde lezingen. Zo is Aaron Betsky als directeur bij het Nederlands Architectuur Instituut (NAi) inmiddels al door twee personen opgevolgd en heet het NAi nu het Nieuwe Instituut, mede-voortzetting van de Stichting Premsela waar Verwey zelf werkte.

Maar dat valt alleen teveel ingewijde kniesoren op. Niet de leek, liefhebber en opdrachtgever, die na dit boek veel beter weten waar die factor design eigenlijk toe dient.

Voor het eerste verschenen op De Leesclub van alles