Vrijdag, 21 december, 2018

Geschreven door: Gardam, Jane
Artikel door: Voskamp, Nico

De dochter van Crusoe

Leven in een boek

[Recensie] Jane Gardam is geen onbekende in ons land. Haar Een onberispelijke man uit 2017 werd Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door en belandde op de bestsellerlijsten; twee van haar vorige romans wonnen belangrijke prijzen. Dat gaf wellicht uitgeverij Cossee de impuls om ook dit jongere werk uit 1985 voor de Nederlandse markt aan de vergetelheid te ontrukken.

“Ik ben Polly Flint”, begint het verhaal, dat verder uitzonderlijk weinig plotontwikkeling kent. Polly wordt op de eerste bladzijde als zesjarige door haar vader afgeschoven naar haar tantes in het gele huis aan de Engelse kust, voor een hele lange periode. Op een logeerpartij bij een kennis van de familie in York na, blijft ze daar namelijk de rest van haar leven wonen. Een niet bijster opwindend bestaan dus, maar dat ambieert Polly ook niet. Ze heeft immers een boek. Hét boek: Robinson Crusoe.

Voor haar is dat boek als basecoke voor een crackhead; ze kan geen dag zonder. Wie had kunnen denken dat een ‘simpel’ avonturenboek uit 1719 zoveel diepgang bevatte? Ik niet. Maar Gardam wel: door dit hele boek heen verbindt ze citaten uit Crusoe met het leven van Polly Flint. Zoals dit citaat, gevolgd door haar overpeinzingen:

“SLECHT
Ik heb geen verdediging of middelen om verzet te bieden maar
GOED
Ik ben gestrand op een eiland waar ik geen wilde beesten zie.’
Ik zou hem wel hebben gemogen, dacht ik. Robinson. Hij hield ervan de dingen duidelijk te maken. De hoopgevende dingen op te schrijven. Zo verstandig en dapper. Zo sterk en knap. Hij deed echt zijn best zijn zelfrespect te bewaren. Natuurlijk was hij een man, dus dat was makkelijker. Uit hem kwam niet elke vier weken bloed gestroomd tot hij oud was. Hij zou zich nooit walgelijk voelen.”

Archeologie Magazine

Polly beleeft dus niet veel buiten haar eigen stoffelijke omhulsel, behalve dan dat vloeiende bloed, een venijnige observatie ten opzichte van de ‘zorgeloze’ Robinson. Het voordeel van haar voortkabbelende leven is dat ze zich nooit verveelt, maar het nadeel is dat ze geen ‘real life’ ervaringen opdoet. Zodat ze al snel neigt naar een tikje wereldvreemdheid. Dat blijkt als ze gaat logeren bij Mr. Thwaithe, een oude, rijke Engelsman en in aanraking komt met de echte buitenwereld. In een fraai stukje conversatie praat Polly met één van de gasten van Mr. Thwaithe. Polly zegt:

“Daarna dwaalde ik wat rond in de hoop dat ik Mr.Thwaithe zou zien. Ik had gehoord dat hij na het ontbijt ergens was gaan wandelen en ik wilde dat hij me mee had gevraagd… Hij was waarschijnlijk via Thoralby en Roundstone gegaan.
‘Thoralby?’
‘De Joodse mensen wonen in de buurt van Thoralby’
‘Joodse mensen?’
‘Ja, Ze wonen in de buurt van Thoralby.’
‘Bedoelt u een soort … stam?’
Ik begreep haar niet en wist ook niet waarom ze lachte. Ik had nog nooit Joden ontmoet, zoals ik ook nog nooit een zwart iemand had ontmoet of een rooms-katholiek. Joden kwamen voor in het Oude Testament.”

Zo krijgen we de gedachten – alle gedachten – van Polly voorgeschoteld. Weliswaar goed geschreven, afwisselend, gekruid met subtiele humor en met interessante terzijdes, maar hoe zal ik het zeggen, het is een beetje veel van hetzelfde. Ergens halverwege het boek gaat dat net zo tegenstaan als elke dag runderkogelbiefstuk eten. Je snakt als lezer naar afwisseling, een uitbraak, Polly’s uitbraak van al die onvervulde verlangens, maar die komt niet. Dat verminderde mijn leesplezier ten lange leste, maar zegt meer over mij dan over de kwaliteit van Jane Gardam’s boeken.

Enfin, laat u niet ontmoedigen door mijn ongeduld. Dit is een subtiel prachtboek. Zoals dit laatste citaat bewijst. Hier blijkt hoe diep de bewondering van Polly zit voor Crusoe. Hoewel, bewondering?

“Maar waarom was het zondig dat Robinson Crusoe naar vrijheid, avontuur en de vreugden van het reizen hunkerde? Waarom was het verkeerd dat hij zijn saaie huis in Yorkshire en het degelijke alledaagse middenklasse bestaan in Hull de rug toekeerde en toegaf aan zijn instinctieve verlangen naar de zee?
Omdat God dat zo had bepaald…
O, ik benijdde hem. Ik benijdde hem niet om zijn leed en zijn berouw, maar om zijn vermogen tot vechten, tot analyseren, en zijn zeemanschap waardoor hij altijd precies wist waar hij was…
O, ik benijdde hem zo.“

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles