Zondag, 19 december, 2021

Geschreven door: Diderot, Denis
Recensie door: Heumakers, Arnold

De droom van d'Alembert

Wijsheid verpakt in dwaasheid

Filosofie Lang bleef het werk van Denis Diderot binnenskamers. Tegenwoordig is hij populairder dan de meeste andere Verlichtingsfilosofen vanwege zijn speelse, lichtvoetige omgang met filosofie en wetenschap.

[Recensie] In een van die verrukkelijke brieven aan zijn maĂźtresse Sophie Volland peinst Denis Diderot (1713-1784) over twee geliefden die zich naast elkaar laten begraven. “Wie weet drukt het stof waartoe zij zijn vergaan zich tegen elkaar aan, vermengt het zich en wordt het Ă©Ă©n”. Eenmaal door dit idee gegrepen, schrijft hij geestdriftig: “Stelt u zich dat voor, hoe de moleculen van uw tot stof vergane minnaar in beweging zouden komen, op zoek zouden gaan naar de uwe, die door de hele natuur verstrooid zijn! Laat me in deze heerlijke waan, die me het eeuwige leven in u, met u belooft!”

Het is een aanstekelijk voorbeeld van de fantasievolle omgang die Diderot zich met de wetenschap van zijn tijd veroorloofde. Als materialist en atheïst was hij ervan overtuigd dat na de dood het leven voorbij was, maar met zijn verbeeldingskracht wist hij toch nog een vrolijke uitweg te bedenken. Dat gebeurde in de privésfeer, hier in zijn correspondentie. Had hij zulke ideeën publiek gemaakt, dan zou dat zijn reputatie als redacteur van de Encyclopédie vast geen goed hebben gedaan, nog afgezien van het feit dat materialisme en atheïsme in de achttiende eeuw fanatiek werden bestreden door kerk en overheid.

Veel van Diderots nu alom gewaardeerde werken bleven destijds binnenskamers of werden hooguit gepubliceerd in de Correspondance Littéraire, het uiterst exclusieve, handgeschreven tijdschrift van zijn vriend Melchior Grimm, gelezen door slechts een handjevol verlichte vorsten en aristocraten. Daarin verschenen vrijmoedige romans als Jacques le fataliste, La religieuse en Le neveu de Rameau, die pas na Diderots dood in boekvorm konden uitkomen. Het heeft zijn roem een beetje vertraagd, maar tegenwoordig doet hij niet meer onder voor andere prominente Verlichtingsfilosofen als Voltaire, Montesquieu en Rousseau. Misschien is hij nu zelfs nog populairder, vanwege de speelse, lichtvoetige omgang met filosofie en wetenschap die bij hem altijd net een tikkeltje zotter en extremer uitpakte dan bij hen.

Hereditas Nexus

Wijsheid verpakt in dwaasheid

Dit alles geldt ook voor Le rĂȘve de d’Alembert, dat onlangs opnieuw werd vertaald (door Hannie Vermeer-Pardoen), samen met een drietal andere filosofische dialogen. Dialogen waren sinds Plato natuurlijk niets nieuws in de filosofie. Maar wat Diderot ervan maakt, met een dromende gesprekspartner wiens ijlkreten worden opgetekend door diens geliefde en vervolgens voorgelezen aan en aangevuld door een bevriende arts, dat is toch wel heel apart. In een andere brief aan Sophie Volland verklaart hij zich nader: “Vaak is het beter wijsheid te verpakken in dwaasheid, dan komt ze gemakkelijker binnen”. Vandaar dat hij zijn tekst “uiterst bizar en tegelijkertijd diep filosofisch” kan noemen.

In De droom van d’Alembert zet Diderot zijn materialistische wereldbeeld uiteen. In een wereld zonder God en zonder immateriĂ«le zaken als de ‘ziel’, bestaat alles uit materiedeeltjes. Maar hoe was dan het leven ontstaan? Dat kon alleen als de materie zelf leven voortbracht. De materie was, zoals Diderot het uitdrukt, ‘gevoelig’. Zelfs een steen had volgens hem gevoel. En zo komt hij tot het idee van een wereld waarin de levensvormen elkaar voortbrengen – een anticipatie van de latere evolutieleer. Alles in de natuur is “met elkaar verbonden”, en de mens vormt daarop geen uitzondering. Descartes (die nog in het bestaan van een apart bewustzijn geloofde) noemde het dier met een ‘machine’, maar als dat zo is, waarom zou de mens dan niet ook een machine zijn, zoals Diderots collega Lamettrie had betoogd? Zelf vergelijkt hij de mens met een ‘clavecimbel’, met als ‘toetsen’ onze zintuigen, “die worden aangeslagen door de ons omringende natuur en die vaak zichzelf aanslaan”.

De dromende d’Alembert (Diderots mederedacteur van de EncyclopĂ©die) mag enkele consequenties hiervan verkennen. En die klinken nogal merkwaardig, ondanks raakvlakken met sommige hedendaagse debatten. Zo relativeert Diderot het verschil tussen man en vrouw. Beiden hebben volgens hem dezelfde geslachtsdelen; bij de man zijn ze alleen naar buiten gekeerd, bij de vrouw naar binnen. Dus kan hij zeggen dat de man ‘misschien wel een misvormde vrouw’ is, of omgekeerd. Alles verandert in Diderots universum, “alle wezens gaan beurtelings in elkaar over, en bijgevolg ook de soorten… Alles stroomt aan Ă©Ă©n stuk door…” Dat er zoiets als individuen zouden kunnen bestaan, berust daarom op een illusie: “Er is maar Ă©Ă©n groot individu en dat is het geheel”. Maar ook de dood verliest zijn absolute karakter: “Geboren worden, leven en voorbijgaan, dat is van vorm veranderen”. Transgenders kunnen er hun voordeel mee doen, maar hier ligt ook de kans voor de verliefde moleculen uit de brief aan Sophie Volland aan wie hij ooit schreef dat zij “man en vrouw [is] al naar het haar belieft”.

Kruising tussen mens en geit

Verderop speculeert Diderot over de vermenging van soorten. Zou er uit de kruising van mensen en geiten niet een dienstbare nieuwe soort kunnen worden gefokt, die zonder eronder te lijden de taken van lakeien en slaven zou kunnen overnemen? Als de natuur het toestaat, kan het onmogelijk tegen de natuur zijn, aldus Diderot, die met dit argument ook destijds verfoeide seksuele praktijken als masturbatie rechtvaardigt. De grote vraag blijft intussen: is er in de natuur nog wel iets dat niet toelaatbaar is? Doorgewinterde materialisten hebben soms de neiging het hele onderscheid tussen goed en kwaad weg te relativeren. Ook Diderot vertoont in De droom van d’Alembert die neiging, maar met een volledig amorele wereld kon hij toch geen genoegen nemen. Sterker nog: de vraag naar de moraal in een goddeloze en grotendeels gedetermineerde wereld zou hem in toenemende mate gaan bezighouden. De natuur mocht dan amoreel zijn, de mens was dat niet.

Een menselijk leven zonder moraal was onmogelijk, maar hoe zag de goede moraal eruit? Deze vraag blijkt het hoofdthema te zijn in twee andere van de nu vertaalde dialogen, waarin Diderot onder meer ingaat op het raadsel van de deugdzame atheĂŻst en op de vraag of de mens zich met een beroep op de rechtvaardigheid boven de wet mag plaatsen. Typerend voor Diderot is dat zelden een absoluut of eenduidig antwoord volgt. Mede dankzij de dialoogvorm blijkt er altijd ruimte voor ambivalentie te zijn.

Desondanks zien we hem in het eveneens vertaalde Supplement bij de reis van Bougainville voluit tekeergaan tegen het koloniale imperialisme van weleer. Europeanen, zoals de wereldreiziger Bougainville, hebben geen recht op de gebieden die zij ‘ontdekken’, er wonen al mensen aan wie het land toebehoort. Niemand mag een ander tot ‘slaaf’ te maken. In het Supplement wordt de als vrij en tolerant voorgestelde samenleving op Tahiti uitgespeeld tegen het agressieve, door godsdienst en tirannie geteisterde Europa. Maar het paradijs blijkt niet volmaakt te zijn. Terloops wordt vermeld dat het ook slavernij kent, als straf voor zich zedeloos gedragende oudere vrouwen. Aan de andere kant maakt de uitbundig aangeprezen seksuele vrijmoedigheid (die van overspel en zelfs incest geen punt maakt, want alles draait om de voortplanting) duidelijk hoe we deze tekst moeten lezen: niet als een utopie ter navolging, maar als een middel om het door godsdienstige vooroordelen gefrustreerde Europa te kritiseren.

Dwaze wetten

Hoewel Diderot elders (in Raynals Histoire philosophique et politique des deux Indes) de gekoloniseerde volkeren oproept in opstand te komen tegen hun blanke overheersers en de komst van een ‘zwarte Spartacus’ toejuicht, was hij in wezen geen revolutionair. Dat blijkt wel uit zijn houding tegenover de bestaande wetten, die hij niet zomaar zou willen inleveren voor een terugkeer naar de natuur. Integendeel: ‘We moeten ons uitspreken tegen dwaze wetten totdat die worden hervormd, en ondertussen moeten we ons eraan onderwerpen’. Wie slechte wetten aan zijn laars lapt heeft tenslotte geen recht van spreken wanneer anderen hetzelfde doen met goede wetten. Ook hier wint uiteindelijk de ambivalentie (die geen absolute rechtvaardigheid toelaat) het van de eenduidigheid. Hoe zou het ook anders kunnen bij iemand die de veranderlijkheid aanwees als ‘de algemene wet der levende wezens (ĂȘtres)’?

In de vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen is dit enkelvoud helaas verloren gegaan, doordat zij er “de algemeen geldende wetten” van heeft gemaakt. Hoewel de vertaling alleszins leesbaar is, gaan er wel meer dingen mis, zoals een onbegrijpelijke afwisseling van ‘dat’ door ‘die’ in de eerste zin van De droom van d’Alembert. Op blz. 104 had in plaats van ‘onderscheid’ beter ‘uitzondering’ kunnen staan en ‘petits oeufs de serpent’ (blz. 125) zijn slangeneitjes en geen ‘slangenoogjes’ – het gaat vermoedelijk om goudstukken die symbolisch het kwaad introduceren in het Tahitiaanse paradijs. Ook de anachronistische, politiek correcte vertaling van ‘sauvage’ (wilde) met ‘natuurmens’ had van mij niet gehoeven. Dat laat natuurlijk onverlet dat we blij moeten zijn met vertalingen als deze. Daardoor kan Diderot, zij het minder als geliefde dan als denker, ook bij ons blijven voortleven. Want, zoals hij zelf al had verkondigd in een brief uit 1766 aan de beeldhouwer Falconet: “Wat het hiernamaals is voor de gelovige mens, is het nageslacht voor de filosoof.”

Eerder verschenen in NRC en op Arnold Heumakers