Maandag, 6 augustus, 2007

Geschreven door: Meijsing, Doeschka
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De eerste jaren

Verjaardagscadeau van anekdotes en een woordspel

Ter ere van de tachtigste verjaardag van Harry Mulisch is een aantal auteurs gevraagd een novelle te schrijven naar aanleiding van zijn werk. Na Abdelkader Benali’s De eeuwigheidskunstenaar is nu Doeschka Meijsings De eerste jaren uitgekomen, een novelle over de jeugd van een jongen in vooroorlogs Haarlem. Deze Haarlemse wortels en zijn voorlopige eindbestemming Capri verbinden De eerste jaren aan Mulisch en aan zijn novelle De pupil uit 1987.

De pupil beschrijft de lotgevallen van de achttienjarige ik in Italië, het eerste jaar na de oorlog, waar hij bij toeval onder de aandacht komt van een schatrijke oudere vrouw, Mme. Sassarath en opgenomen wordt in haar huishouden. De ik, haar pupil, toont zich daar een prototypische dwaze jongeling, met een groot talent en minstens even grote ijdelheid; zeer tevreden over zichzelf en weinig in staat zijn talent uit te buiten. Hij tracht te schrijven, maar raakt verward in protserige, al te volle zinnen.

Gelukkig komt hij tot het inzicht dat eenvoud en tastbaarheid in beschrijving het betere schrijverschap garanderen. Volgt een fantastisch slotakkoord: samen met Mme Sassarath klimt hij met de stoeltjeslift die zij heeft gefinancierd naar de top de Vesuvius om daar de personages uit Mulisch’ latere oeuvre tegen te komen, mevrouw kwijt te raken en even later zich van de moordaanklacht te redden.

Dit bonte boekje is als een sleutel beschouwd voor Mulisch’ schrijverschap, zijn fantasie en zijn stijlopvatting. Moeten we van De eerste jaren iets vergelijkbaars verwachten? Of moeten we het eerder los zien van De pupil?

Technisch Weekblad

De hoofdpersoon van De eerste jaren is David Johannes, bijgenaamd Gyges, en we volgen hem vanaf zijn geboorte tot zijn twaalfde jaar, waarin hij, zoals gezegd, in Capri aankomt. Meijsing beschrijft een gevoelige, beschermd opgevoede jongen uit een katholiek middenklasse-gezin, die goed kan leren. Ze brengt een alwetende verteller in stelling om ook de onbewuste jaren te schetsen, maar kan niet om het latere bewustzijn van het jongetje heen, wat niet altijd even makkelijk uitpakt.

‘Zijn eerste herinnering moet kort na zijn derde verjaardag zijn geweest. Hij herinnerde zich slechts een klein onderdeel van wat plaatsvond op die dag, maar het zou een diepe indruk achterlaten.’

Volgt een uitgebreide beschrijving van die dag, een bezoek aan het circus, waar alleen de confrontatie met een olifant zou hebben beklijfd. Die herinnering blijft overigens zonder consequentie. Ook het bezit van Voske, een boek over een vos waarbij hijzelf de verhalen rond de plaatjes verzint, en de eerste vriendschap met het meisje Roosje blijven bij het anekdotische.

Gyges groeit op als een bijzondere, wat dikkige jongen, wiens eerste – en redelijk late – woordje ‘is’ is, en het tweede ‘mooie motorfiets’, speelt met zijn oudere broers mee, maar krijgt thuis zijn primair onderwijs, mét Frans en Latijn, van zijn moeder. Zij verwacht veel van hem; ze wil van hem een priester maken en ziet in haar rijke en losbandige zus in Italië (die ‘hield van champagne en leefhoofdigheid’) de ideale geldschieter. De zus woont in Capri, en daar zoekt Gyges haar op, in de zomervakantie van zijn eerste jaar op het gymnasium. Daar, in Italië, vindt hij zijn zelfbewustijn (‘sum!’ herhaalt hij na de biecht in de St.Pieter) en vindt hij zijn beeld van de wereld, de Vesuvius (‘est!’).

‘En zo krulden zijn twaalf jaren zich om tot zijn eerste levensjaar toen hij zijn eerste woord sprak: “is!” Zijn hele leven tot kleiner dan een speldenknop teruggebracht op dat ogenblik, een minieme jota waarin zich een enorme kracht samenbalde die op het punt stond zich te ontdoen van zijn knellende omtrek om een raadselachtige energie zijn eigen weg te laten gaan.’

Zo eindigt De eerste jaren met een belofte, een belofte waarmee het hele boek geschreven is, de verwachting dat uit de elkaar opvolgende anekdotes iets volgt, dat het de voorbereiding is op… op wat eigenlijk? Op het schrijverschap van Gyges, van Mulisch? Dan moet gezegd worden dat de voorbereiding totaal in het niet valt bij de uitwerking. Meijsings beschrijving in de derde persoon mist levendigheid en bij tijd en wijle eenvoud, mist het fantastische element en de ingenieuze plot, mist iets extra’s. Het is niet veel meer dan een chronologische opvolging van anekdotes met een woordspel in het Nederlands en Latijn – en wellicht, maar dat moet een groter kenner van diens oeuvre en persoon maar vaststellen, een handvol verwijzingen naar Mulisch’ oeuvre. Meijsing had Mulisch een beter verjaardagscadeau kunnen geven dan dit bewijs van zijn superioriteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *