Maandag, 20 maart, 2006

Geschreven door: Brijs, Stefan
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De engelenmaker

De mens schiep God

Haar, rood als de duivel, en een hazenlip. Dat zijn de uiterlijkheden die de bewoners van het Belgische Wolfheim, vlak bij het drielandenpunt, het eerst opmerken als Doktor Victor Hoppe terugkeert in het dorp. En natuurlijk de drie baby’s die hij bij zich heeft. Drie meisjes, met gespleten hoofden, weet lange Meekers te vertellen.

Het zijn geen meisjes, maar drie jongens, met hazenlippen, dat wel. Michaël, Gabriël en Rafaël, zoals de identieke jongetjes heten, en hun zwijgzame vader – dat vreemde gezin – komen garant te staan voor een constante geruchtenstroom. Hoppe wordt al snel aanvaard als de nieuwe huisarts, na een wonderbare levensredding – hij past de Heimlichmanoeuvre toe op een jongen die iets in zijn keel had gekregen -, maar door het aannemen van een verzorgster voor de kinderen, de gepensioneerde lerares Frau Maenhout, komen de geruchten over de bewoners van Napoleonstrasse 1 weer op gang. Al probeert ze die wat te temperen:

‘Bewust verdraaide ze de waarheid. Ze had al eerder gemerkt dat er jaloezie en ongeloof heerste wanneer ze het had over het opmerkelijke taalvermogen van de drieling. Sommigen dachten dat ze vooral met haar eigen kwaliteiten wilde pronken.
“Maar het zijn toch slimme kereltjes, nietwaar?”
“Dat hebben ze van hun vader.”
”Gelukkig maar,” reageerde Martha met gedempte stem. “Je moet er niet aan denken dat ze alleen zijn uiterlijk zouden hebben geërfd…”’

Geniale kinderen dus? En die rare kale hoofden van de jongetjes? Leukemie? En waar is hun moeder eigenlijk?

Hereditas Nexus

Stukje bij beetje ontrafelt Stefan Brijs de geschiedenis van dokter Hoppe. Ooit is hij weggestopt in een klooster vanwege zijn hazenlip en als idioot bestempeld. Toch blijkt hij over een grote intelligentie te beschikken. Tenminste, als hij in de aanwezigheid van die ene zuster is, die hij vertrouwt. In het klooster, en ook later, als hij door zijn vader weer in huis is genomen, ontwikkelt hij die intelligentie, maar niet zijn inlevingsgevoel en sociale vaardigheden. Hij leest de bijbel letterlijk, begrijpt grappen niet, en ontwikkelt een beeld van goed en kwaad, van Jezus en God, dat op zijn minst simplistisch te noemen is. Maar tegelijkertijd haalt hij Science met zijn baanbrekende onderzoek naar klonen op zoogdieren en is men unaniem over zijn genialiteit.

Hoppe gaat klonen, gaat het beter doen dan God, en doet zelfs experimenten op mensen. Dat kan niet goed gaan, dat is ons ingeprent door de ethici en wetenschapspessimisten, maar Victor Hoppes persoonlijkheid versterkt het apocalyptische schema nog. Hij lijdt aan het syndroom van Asperger – bovenmatig intelligent, emotioneel onderontwikkeld – en meent wat hij zegt: hij wil het beter doen dan de slechte God, hij wil het doen als Jezus. Hoppe maakt uiteindelijk engeltjes, en de omvang van de fatale afloop is bijbels.

Het klonen van mensen is een taboe, en Stefan Brijs toont ons in De engelenmaker waarom. Maar hij toont ons ook waarom we wél mensen willen klonen. Gek genoeg valt voor beide standpunten een religieuze achtergrond op te voeren. De angst voor ontwikkelingen die we niet meer kunnen beheersen is een Oudtestamentische angst, een angst voor iets dat groter is dan ons, voor een wrekende god. Het vooruitgangsdenken, het optimisme van de wetenschap, heeft een meer Nieuwtestamentischer oorsprong: de overtuiging dat door goed te doen het paradijs bereikt wordt. En goed doen betekent in deze context: beter maken, mensen helpen, of zelfs beter helpen door mensen te maken. Alleen een figuur als Victor Hoppe kon ons dat tonen. En alleen een dorpsbevolking als die van Wolfheim kon ons tonen hoe die strijd tussen uitgangspunten door niet-ingewijden gemystificeerd wordt en verdraaid en ons doen vrezen dat zo’n geruchtenstrijd op gegeven moment door hen wordt gelijkgesteld aan het daadwerkelijke dilemma.

De engelenmaker is daarnaast erg goed gecomponeerd: drie verhaallijnen, van Hoppe’s vroege jeugd, zijn academische vorderingen en dit laatste kloonproject leiden onvermijdelijk naar een fatale afloop. Je wéét dat het fout moet gaan, maar gegrepen door de geruchten en steeds bezorgder door de feiten die Brijs oplepelt, kan de lezer de laatste hoofdstukken niet meer naast zich leggen. Dat maakt dit een goed boek, en het feit dat het ons toont wat de mens kan zijn: een lezer van mythen, een schepper van mensen, een schepper van mythen. En daarin wedijvert hij met God.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *