Woensdag, 29 augustus, 2018

Geschreven door: Zweers, Louis
Artikel door: Dijk, Wouter van

De gecensureerde oorlog

Hoe Nederland in onwetendheid werd gehouden over de ware aard van de oorlog in Indonesië

[Recensie] De gecensureerde oorlog gaat over de werking van de militaire voorlichtingsdiensten in de Indonesische dekolonisatieperiode. Auteur Louis Zweers heeft ruime ervaring met fotohistorisch onderzoek naar deze tijd en bracht in het verleden al verscheidene boeken uit die als onderwerp het Nederlandse leger in ‘de Oost’over de periode 1945-1950 hadden. Strijd om Deli. De verboden foto’s van de eerste politionele actie op Sumatra (Zutphen 1997) en Agressi II: Operatie Kraai. De vergeten beelden van de tweede politionele actie (Den Haag 1995) zijn hiervan twee voorbeelden. De gecensureerde oorlog komt voort uit Zweers’ promotieonderzoek. Hiervoor heeft hij veelvuldig gebruik gemaakt van foto- en krantencollecties in het Nationaal Archief en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

Het onderzoek is opgebouwd uit drie delen. In het eerste deel staat de werking van de militaire voorlichtingsdiensten centraal, de Dienst voor Legercontacten (DLC) en de Marinevoorlichtingsdienst (MARVO). Deel twee beschrijft de situatie waarin de Nederlandse correspondenten zich bevonden en hun werkzaamheden en het derde deel richt zich op de buitenlandse reporters die verslag deden van het conflict. Zweers begint zijn boek met een nauwgezette reconstructie van het verloop van de twee politionele acties en de daarmee parallel lopende politieke ontwikkelingen. De nadruk hierbij ligt op de wijze waarop de militaire voorlichtingsdiensten trachtten een positief beeld van het handelen van het Nederlandse leger te creëren door het toepassen van censuur op foto’s en filmmateriaal. De legerfotografen die voor de aanvoer van beeldmateriaal zorgden werden in het ongewisse gelaten over de vraag of hun geschoten plaatjes al dan niet gebruikt werden in de pers. De mate van censuur die de DLC toepaste was zeer stringent. Alles wat maar enigszins kon doen denken aan het voeren van een volwaardige oorlog of wat Nederland op enige wijze in een slecht daglicht kon stellen, werd linea recta weggestopt in het archief van de voorlichtingsdiensten.

In deel twee van Zweers’ studie staat de Nederlandse pers centraal, onder andere door middel van het inzoomen op de ervaringen van verschillende Nederlandse correspondenten die van het conflict verslag deden. Bijvoorbeeld de pro-Nederlandse Jan Bouwer die in dienst was van het Amerikaanse persbureau United Press. Hij had tijdens de Japanse bezetting ondergedoken gezeten in zijn eigen huis in Bandung en was zodoende ontsnapt aan internering. Een andere gevolgde figuur is de pro-republikeinse Jacques de Kadt, die geïnterneerd was geweest en goed bevriend was met Sutan Sjahrir, één van de kopstukken aan Indonesische zijde.

De berichtgeving in de Nederlandse pers was over het algemeen oppervlakkig en vaak direct overgenomen uit officiële Rijksvoorlichtingsdienstberichten of militaire persbulletins. Linkse progressieve journalisten werden door de militaire autoriteiten in Indonesië zoveel mogelijk geweerd of tegengewerkt. De gezagstrouwe conservatieve pers, plus het sociaaldemocratische Het Vrije Volk dat in het verzuilde bestel regeringspartij PvdA steunde, ging mee in het geframede beeld van het conflict als zijnde een politioneel optreden tegen rondzwervende ordeloze benden, in plaats van wat in feite in een bloedige koloniale oorlog ontaard was. De voorlichtingsdiensten creëerden een beeld van een Indonesië dat door de Nederlandse troepen weer tot rust en orde gebracht werd, de foto’s die aan de pers vrijgegeven werden ondersteunden dit beeld. Foto’s met betrekking tot geweld en het militaire optreden werden achtergehouden, waardoor in Nederland een zeer vertekend beeld van het conflict ontstond. De strategie van de militaire voorlichtingsdiensten bleek hierin zeer succesvol.

C2W

Het onderzoek van Zweers geeft een brede basis aan de kennis over de militaire voorlichting en de verslaggeving over de strijd in Nederlands-Indië, maar brengt geen echt nieuwe inzichten in de werking van dergelijke diensten ten opzichte van hun functioneren in andere landen, om bijvoorbeeld te zien of de Nederlandse aanpak verschilde van contemporaine diensten in soortgelijke conflicten. Een vergelijking met de Franse diensten in Indochina en de Britse in Malakka was hierbij interessant geweest. Zoals nu lijkt verschilde de Nederlandse diensten echter in niets van hun buitenlandse tegenhangers en draait het in Zweers’ boek voornamelijk om het verzamelen van veel foto- en filmmateriaal, en het vervolgens niet in de openbaarheid brengen hiervan. Een groot deel van de tekst handelt over de wederwaardigheden van een veelvoud aan journalisten die voor kortere of langere tijd betrokken waren bij de verslaggeving over het Nederlandse militaire ingrijpen.

Het derde deel van het boek opent met een hoofdstuk over de Indonesische pers en maakt direct duidelijk waarom er op dit punt zo’n onevenredige aandacht voor het Nederlandse handelen is geweest. Foto’s gemaakt door Republikeinse fotografen zijn schaars, en tonen vooral de leiders en de momenten waarop zij toegejuicht worden door het volk. Later zijn ook veel foto’s verloren gegaan. De behandeling van de internationale pers concentreert zich op de worsteling van de Nederlandse regerings- en voorlichtingsdiensten met de onafhankelijke Westerse buitenlandse journalisten. Men deed er van regeringswege alles aan om onwelgevallige berichten te voorkomen en reporters te weren maar was hierin weinig succesvol. De houding van Amerika was hierin allesbepalend, hier ging dan ook de aandacht van zowel de Nederlandse als de Indonesische propaganda naar uit. Aanvankelijk was de publieke opinie in de Verenigde Staten sterk pro-Indonesisch, maar dit veranderde later toch wel toen de wereld in de ban van de Koude Oorlog begon te raken. Nederland wakkerde de angst voor het communisme in Indonesië aan. De angst van Amerika voor het oprukkende communisme was in die tijd niet geheel ongegrond, in Europa liepen de spanningen hoog op met de blokkade van Berlijn in 1948 en de communistische coups in Oost-Europese landen zoals Tsjecho-Slowakije. In Azië werd China communistisch en woedde in Frans Indochina en Brits Malakka een hevige strijd tegen communistische guerrilla’s.

Aan het eind van zijn boek gaat Zweers ook nadrukkelijker in op de Nederlandse pogingen om de publieke opinie in de Verenigde Staten te beïnvloeden, onder meer door een groots opgezette persreis door de archipel voor een grote groep bekende Amerikaanse journalisten. Deze was aanvankelijk zeer succesvol voor de Nederlandse zijde van het conflict, al bleven de gevolgen vrij beperkt vanwege het omkomen van bijna het voltallige gezelschap door een vliegramp op de weg terug naar Amerika. In de epiloog wordt door de auteur nog kort de situatie van de Nederlandse journalisten in Indonesië na de soevereiniteitsoverdracht besproken, en hun snel verslechterende situatie in het steeds agressiever nationalistisch wordende land.

Met recht kan gesteld worden dat Louis Zweers met dit onderzoek een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de vraag hoe het Nederlands-Indonesische conflict zo uit de hand kon lopen, en in het bijzonder welke rol de militaire voorlichtingsdiensten hierin gespeeld hebben door het actief en zeer succesvol misleiden van de Nederlandse bevolking en daarmee de publieke opinie die een militair optreden in Indonesië mogelijk maakte. Wel is het voor de lezer door de wijze waarop Zweers de gebeurtenissen benaderd aan te raden om zich van tevoren wat in te lezen in de dekolonisatieperiode in Nederlands-Indië. De politieke en militaire ontwikkelingen worden duidelijk gebruikt als kapstok om de werking van de voorlichtingsdiensten uit de doeken te doen, met daarbij een grote rol voor het praktische handelen en de belevenissen van de verschillende legerfotografen gedurende het conflict. Er ligt echter te weinig nadruk op de rol van de verzuiling in Zweers’ relaas over de bespeling van de Nederlandse media door de voorlichtingsdiensten. De verzuilde media waren al decennia lang spreekbuis van hun politieke partijen, dus het succes van de propaganda in Nederland voor de oorlog in Indonesië is niet alleen op het conto te schrijven van de militaire voorlichtingsdiensten maar is mede te danken geweest aan het feit dat een heel groot deel van de politieke partijen die in de Tweede Kamer vertegenwoordigd waren achter het gevoerde beleid stonden. Hun media verkondigden dat beleid dan ook. Over het geheel genomen is Zweers’ studie naar een belangrijke speler op het Indonesische dekolonisatietoneel een zeer welkome aanvulling op de historiografie over het Nederlands-Indonesisch conflict.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus