Zondag, 30 april, 2017

Geschreven door: Groot, Ger
Artikel door: Onbekend

De geest uit de fles

Hoe de moderne mens werd wie hij is

In De geest uit de fles, hoe de moderne mens werd wie hij is neemt filosoof en essayist Ger Groot ons mee langs de grillige paden van de moderne filosofie. Zijn “boek is een geschiedenis van de moderne filosofie en een zinnenprikkelende beschouwing ineen. Ger Groot laat zien en horen hoe wij, zelfbewuste én onzekere mensen aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zijn geworden wie we zijn. Sinds Descartes heeft de radicale twijfel zijn intrede gedaan en is ‘de geest uit de fles’. De filosofie van de afgelopen vier eeuwen laat zich beschrijven als één lange worsteling met de erfenis van de religie. Niet alleen de filosofie, maar de hele cultuur is van die worsteling doordrongen.”

De geest uit de fles is geen gewoon filosofie boek. Het boek is rijkelijk geïllustreerd en op de website www.degeestuitdefles.com verzamelde Ger Groot geluid- en beeldfragmenten om zijn betoog te staven.

In onderstaande voorpublicatie laat Groot zien hoezeer het denken van verlichtingsfilosoof Jean Jacques Rousseau van invloed is geweest op de jeugdcultuur vanaf de jaren zestig. Uiteraard zijn de links uit het hoofdstuk geactiveerd, zodat de lezer maar hoeft door te klikken.

Trouw

Country Girl

[Voorpublicatie] Rousseau heeft met de[ze] verheerlijking van de landelijke eenvoud en verdachtmaking van een té verfijnde cultuur een blijvende invloed gehad op de manier waarop de westerse mens zichzelf is gaan bezien. Dat vooruitgang niet alleen veel winst oplevert, maar ook een fikse schadepost kan betekenen aan de ‘eigenlijkheid’ van de ziel, is weliswaar niet een geheel nieuwe gedachte (het christendom heeft de gevaren van een al te wereldse en zelfverzekerd voortschrijdende cultuur altijd met wantrouwen bekeken), maar nog nooit eerder werd deze ambiguïteit zo stevig in de inborst van de mens verankerd.

Het scherpst kwam de achttiende-eeuwse ontvankelijkheid voor dit rousseauisme, ironisch genoeg, tot uitdrukking aan het koninklijk hof van Versailles. Kort voor de Franse Revolutie liet koningin Marie-Antoinette, echtgenote van Lodewijk XVI, in de buurt van het slot een kunstmatig boerendorp bouwen, waar zij zich kon terugtrekken uit de veeleisende liturgie van het hofleven. Ook dat laatste was niet nieuw. In de Nederlandse Republiek deden Constantijn en Christiaan Huijgens niets anders toen zij Den Haag ontvluchtten naar een buiten dat niet voor niets ‘Hofwijck’ heet. Maar nieuw was wel dat Marie-Antoinette het tot dan toe verachte dorpsleven uitdrukkelijk tot model nam. Haar hameau (gehucht) omvatte een boerderij, een kaasmakerij, een molen en een stal, en de koningin schroomde niet er zich ter vertonen, gekleed als boerin of herderin.

De spot waarmee dit vaudeville-achtige doen-alsof werd begroet, was er niet minder om.  Het lied Il pleut, il pleu t, bergère (‘Het regent, het regent, herderin’) uit een komische opera uit die tijd werd wijd en zijd opgevat als een steek onder water naar de koningin. D width=e ballade over het herderinnetje dat bij een boer schuilt tegen het onweer en uiteindelijk zwicht voor zijn kussen (‘Welnu, daar is je slaapplaats / slaap er maar tot de dag /en laat me op jouw mondje / een liefdeskus stelen’) moet met besmuikt leedvermaak zijn gezongen: de levenswandel van de koningin werd niet zeer kuis geacht.

Maar de invloed van Rousseau zou dat alles overleven. Vandaag de dag  width=is het platteland dé ideale omgeving voor overwerkte en technologisch verdwaasd geraakte stedelingen om een paar weken lang weer enigszins in het gareel te komen. ‘Vakantie bij de boer’ is populairder dan ooit.
En wat Rousseau nooit had kunnen denken: het boerenbestaan (de ‘zorgboerderij’) is inmiddels zelfs ontdekt als instrument voor de geestelijke gezondheidszorg.  width=

Nog veel radicaler deed het rousseauisme zich gelden tegen het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw, toen ‘tegencultuur’ een hoofdingrediënt werd in de levensstijl van de naoorlogse generatie. Je zou kunnen zeggen dat Rousseau daarin dubbel aanwezig was. Om te beginnen in het feit dat er überhaupt zoiets als een ‘jeugdcultuur’ bestond. Tot aan de Tweede Wereldoorlog, en zelfs nog in het eerste decennium daarna, werden jongeren in kleding en gedrag al snel volwassenen.  width=Wie de bekende foto van de Franse filosoof en semioloog Roland Barthes uit zijn middelbare-schooltijd bekijkt, zou vandaag de dag niet snel zeggen dat hij toen, in 1935, nog maar negentien jaar oud was. In  width=Engeland ging het er in diezelfde periode nóg ouwelijker aan toe.

Vanaf de jaren vijftig en vooral zestig sloeg dat echter radicaal om. Zoals Rousseau zelf het jonge kind een eigen ‘wereld’ en bestaanswijze had gegeven, zo liet de teenager-generatie nu zien dat ook zij zich wenste te onderscheiden van de volwassen wereld en haar burgerlijk conservatisme middels een eigen cultuur, dresscode en (misschien wel het belangrijkste van alles) seksuele moraal. Ze herhaalde de revolutionaire ingreep van Rousseau voor haar eigen leeftijdsgroep en schoof het moment van volwassen-worden (en aanpassing aan de maatschappelijke orde en plicht) opnieuw één of zelfs twee decennia op: eerste de nozems, toen de hippies en ten slotte de punk.

Next Stop Greenwich Village

De film Next Stop Greenwich Village van Paul Mazursky uit 1976  width=(met een piepjonge Christopher Walken) geeft een prachtig beeld van de Amerikaanse naoorlogse generatie die in de jaren vijftig een nieuw levensgevoel tracht te volgen en zich daarbij duidelijk afzet tegen de generatie van haar ouders.

Van al die groepen (en generaties) eerde die van de hippie-beweging ook nog op een andere manier de erfenis van Rousseau. De hippies keerden zich niet alleen tegen de cultuur van hun ouders, maar ook tegen de waarden van ‘de’ cultuur op zich, voor zover die ontaard was in geld aanbidding, welvaartsverslaving en een vervreemdend arbeidsritme dat alles naar zijn hand zette. In hun kritiek op vooruitgangsgeloof en verering van de technologie echoden de hippies Rousseau’s verzet tegen een beschaving die dankzij haar eigen prestaties en geesteskinderen de voeling was kwijtgeraakt met waar het in een mensenleven eigenlijk om ging: liefde, authenticiteit en een vreedzaam samenleven met de natuur en de aarde.

Het onbetwistbare hoogtepunt van de hippiebeweging was het grootse popfestival dat in 1969 gehouden werd in Woodstock, Upstate New York, en dat bekend werd door de mega-film daarvan die het jaar daarop een zegetocht begon door de hele westerse wereld.  width=Vrijheid, schoonheid, liefde, seks en verbondenheid met de aarde, zelfs wanneer daarvoor een rituele dans nodig was tegen de regen die het hele festivalterrein tot één grote modderpoel maakte: dat waren de ingrediënten van wat één summer of love lang de belofte van een nieuwe, utopische mensheid leek.

De gelegenheidsgroep Crosby, Stills & Nash bezong dit rousseauiaanse levensgevoel op een tekst van Joni Mitchell in de titelsong van de film:

We are stardust, we are golden
We are billion year old carbon
And we got to get ourselves back to the garden.

En naar die ‘garden’ kwamen ze in groten getale:

By the time we got to Woodstock
We were half a million strong
And everywhere was a song and a celebration.

Aan de Amerikaanse westkust had Scott McKenzie, bij een ander popfestival, daarvoor al de opmaat gegeven:

If you’re going to San Francisco
be sure to wear some flowers in your hair.

En ook deze beweging was diep overtuigd van Rousseau’s gedachte dat de mens in wezen goed is, en van die goedheid slechts gescheiden werd door een wezensvreemde cultuur die hem van zichzelf vervreemdde. De zangeres Melanie zong haar boodschap Beautiful People zo vals als een kraai, maar liet niet na diepe indruk te maken met haar bezwering dat wij allemaal ‘beautiful people’ zijn en er slechts een open geest voor nodig is om een einde te maken aan alle eenzaamheid. width=

I’ll have a meeting
Invite ev’ryone you know
I’ll pass out buttons to
The ones who come to show
Beautiful people
Never have to be alone
’Cause there’ll always be someone
With the same button on as you
Include him in ev’rything you do
He may be sitting right next to you
He may be beautiful people too.

Het was ten slotte Neil Young die samen met Crosby, Stills & Nash Rousseau’s droom leek uit te drukken met woorden die bijna letterlijk hadden kunnen komen uit de mond van Colin. Hun lied Country Girl, op de immens populaire lp die misschien wel niet toevallig Déjà vu heet, evoceert net als hij het decadente leven van geld en snelle consumptie, al zijn diens rijke edelen nu veranderd in de rocksterren van vandaag: width=

No pass out sign on the door set me thinking
Are waitresses paying the price of their winking?
While stars sit in bars and decide what they’re drinking
They drop by to die ’cause it’s faster than sinking.

Dat is hún bestaan, zíj zijn die sterren. Maar ook hier komen aan het eind van het lied de omslag en de bekering, dankzij de eenvoudige charmes van een boerenmeisje dat misschien wel Colette zou kunnen heten:

Country girl I think you’re pretty
Got to make you understand
Have no lovers in the city
Let me be your country man.

Country girl is een deel uit het zesde hoofdstuk van Ger Groots nieuwe boek De Geest uit de fles, dat vanaf 1 mei in de winkels ligt.