Vrijdag, 21 augustus, 2020

Geschreven door: Klossowski, Pierre
Artikel door: Francet, Elisabeth

De gefnuikte roeping

Weinigen zijn uitverkoren

[Recensie] Op zijn veertigste besloot de Franse schrijver, vertaler en kunstenaar Pierre Klossowski (1905-2001) in te treden bij de benedictijnen en theologie te studeren. Een late roeping. De decadente levensstijl en het antisemitisme bij de monniken deden hem spoedig uitwijken naar een ander klooster, waar hem na enkele maanden vriendelijk verzocht werd andere oorden op te zoeken, omdat hij “geen erg katholieke mentaliteit” had. Klossowski zwierf van het ene naar het andere seminarie en voltooide drie jaar later zijn opleiding. Waarna hij zich prompt tot het protestantisme bekeerde. Om ook dat een jaar later af te zweren.

Klossowski’s intrigerende debuutroman De gefnuikte roeping (La vocation suspendue, 1950), geïnspireerd op zijn omzwervingen langs kloosters, abdijen en seminaries, is een onderzoek naar theologische en metafysische vraagstukken én een persiflage op de detectiveroman. Een curiosum, kortom, dat ook menig lezer op een dwaalspoor zal zetten. Eersteklas vertaald en voorzien van een (onontbeerlijk) verklarend nawoord door Katelijne De Vuyst.

De dwaling begint al bij het begin van het boek. Aan het woord is een anonieme commentator die beweert dat De gefnuikte roeping een anoniem werk is, ooit verschenen in een oplage van honderd exemplaren. Aanvankelijk denk je dat die uitlegger een inleiding geeft bij het verhaal; naderhand blijkt dat we de verwachte roman helemaal niet te lezen zullen krijgen maar ons tevreden zullen moeten stellen met het commentaar van de interpreet. De lezer die niet voetstoots in deze literaire ‘meta-valstrik’ wil trappen, moet voortdurend op zijn hoede zijn en zich telkens opnieuw afvragen wie er nu precies aan het woord is.

Waarover gaat dit in godsnaam? Voordat hij het over de inhoud heeft, speculeert de commentator over het mogelijke doel van het roepingsverhaal: de religieuze praktijk ontmaskeren als een mystificatie? Of, omgekeerd, bewijzen dat ook ongelovigen het martelaarschap kunnen aanvaarden (terwijl niets hen daartoe verplicht)? De uitlegger erkent dat hij mogelijk zijn eigen vragen en bedenkingen op de anonieme auteur projecteert maar voegt er fijntjes aan toe dat de auteur, “hoewel de intentie mogelijk interessant is, deze problemen hoe dan ook niet heeft opgelost”. De uitgesproken kritische commentator heeft een sterk vermoeden dat de auteur te zeer betrokken partij was en er niet in slaagde zijn personages voldoende te ‘objectiveren’. Gaat het hier wellicht om een persoonlijke afrekening van de commentator met de auteur?

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Laten we het verhaal nader beschouwen. Tegen de achtergrond van zekere sociale omwentelingen (mogelijk de Tweede Wereldoorlog en de nazibezetting in Frankrijk, maar dat wordt niet expliciet vermeld), treedt Jérôme, de al wat oudere held van het verhaal, in een klooster en begint er aan zijn noviciaat. Door zijn kritische houding jaagt hij zowat iedereen tegen zich in het harnas. Jérôme heeft een fascinatie voor het Kwaad, dat hij graag voltrokken wil zien. Intussen treedt de Zwarte Partij, een religieuze kerkorde, op als inquisitie tegen een verzetsbeweging binnen de orde. Een vrijwel onzichtbare ‘sekte’ van leken lapt de heersende dogma’s en tradities schandelijk aan haar laars.

Door de inquisitie beschuldigd van provocatie (de commentator suggereert dat de auteur mogelijk zelf een ‘vervolger’ was) en door het verzet verdacht van spionage, meent de in de tang genomen Jérôme dat hij de laakbare methodes van de Zwarte Partij moet overtreffen. Van het ene naar het andere seminarie trekkend, ziet hij het verzet bij de leken groeien en het conflict met de clerus ontaarden in een machtsstrijd.

Bij de ‘vorstelijk mooie’, moderne, temperamentvolle Moeder Angelica, die een dubbelzinnig beeld koestert van priesters, krijgt Jérôme kost en inwoning. Ook zij wantrouwt hem meteen en draagt hem op, geheime verslagen over de Zwarte Partij te maken. In haar huis maakt Jérôme kennis met de initiatiefnemer van het verzet tegen de Zwarte Partij. La Montagne is een paria en dandy, in de ban van de bandeloosheid en de duivelse kracht van de jeugd. Met toenemende verbijstering ziet Jérôme hoe verregaand de verdraagzaamheid binnen de Kerk geworden is. Broeder Persienne, bijvoorbeeld, blijkt een volslagen atheïst te zijn, die de Kerk louter als een constructie en de roeping als een mechanisme in de menselijke psyche beschouwt. De clerus weet dat en gedoogt het. Toch lijkt iedereen alle anderen van spionage te verdenken. Wie valt er nog te vertrouwen? De rechtschapen zuster Theofiela, die oprecht lijkt te bidden voor Jérômes redding?

Niet in staat “zijn kritische verstand uit te schakelen, zoals de regel van de gehoorzaamheid vereist”, begint Jérôme zich af te vragen waaraan je een ware roeping herkent. Gedreven door nieuwsgierigheid en machtshonger, opgejaagd door zijn tegenstrijdige demonen en verlangens, dreigt hij in tweeën te splijten. Hij bijt zich vast in het raadsel van het onvoltooide fresco, ‘dat de dogmatische en devotionele conflicten moet voorstellen’. Malagrida, de avant-gardistische schilder van het fresco, waarin Jérôme zijn demonen weerspiegeld ziet, lijkt wel zijn dubbelganger. Jérôme raakt stilaan gevangen in zijn eigen valstrik. Hij voelt zich ontwapend, ook jegens zichzelf.

Wie is in dit verhaal de ware inquisiteur? Net zoals in de becommentarieerde roman lijkt ook in het meta-verhaal iedereen iedereen in de gaten te houden. De commentator speelt een kwalijke rol en een intrigerend spel door afwisselend de auteur en Jérôme tegenstrijdigheden aan te wrijven, wat doet vermoeden dat De gefnuikte roeping zowel een geromantiseerde autobiografie als een ‘dubbele biografie’ is. Klossowski pakt het zo knap aan dat de commentator – alias de auteur zelf? – de lezer krijgt waar hij hem hebben wil: verstrikt in een kluwen en het spoor compleet bijster. En Jérôme? Die hing zijn kap over de haag.

Eerder verschenen op Geen dag zonder boek