De handen van Cicero

Retorische antwoorden op de retoriek van onze tijd

[Recensie] Als dé bezorger van een reeks klassieke werken over de retorica, heeft de Historische Uitgeverij ook een klein maar fijn boekje laten verschijnen over het belang, het gebruik en de doeltreffendheid van de retoriek in de huidige tijd. Veertien Nederlandse auteurs gaan in essayvorm in op allerlei aspecten van de kunst van de welsprekendheid zoals die in politiek, rechtspraak en het maatschappelijke debat wordt beoefend. De titel mag dan verwijzen naar de beroemde Romeinse redenaar uit de eerste eeuw voor onze jaartelling, de hoofdrolspelers in dit boekje zijn vooral de politici, beleidsmakers, advocaten en andere verleiders uit de 20ste en 21ste eeuw. Hoe proberen ze hun toehoorders en -kijkers mee te krijgen met hun verhaal, hoe overtuigen ze hen van hun boodschap en hun gelijk?

Het onderwerp is breed, de auteurs zijn vrij gelaten, en ze reageren niet op elkaar. De essays staan dan ook op zichzelf en kunnen in willekeurige volgorde gelezen worden. Op het eerste gezicht is er dan ook niet veel samenhang in de bundel te ontdekken.

Zo probeert Bas Heijne de taal van de emotie (de woede, het ressentiment) te duiden die hedendaagse populisten als voedingsbron gebruiken om zich een blijvende plek op het politieke toneel te verschaffen. Jan Kuitenbrouwer daarentegen focust meer op specifieke manieren waarop retorisch taalgebruik werkt. Hij wijst bijvoorbeeld op het belang van kairos – woorden moeten op het juiste moment en bij de juiste gelegenheid worden gebezigd om effect te hebben op het publiek. Een moderne vorm daarvan: wie in de verbale strijd hoge gooien wil gooien moet zijn onderwerpen via slim gekozen woorden en begrippen goed weten te framen. Liesbeth Zegveld kiest een hele andere weg om te laten zien hoe je kunt overtuigen. Ze voert een man op, die als elfjarig jongetje seksueel is misbruikt door een pater. En laat hem ten overstaan van de rechter een emotioneel-rationeel pleidooi houden om in zijn geval de verjaringsregels op te schorten. Het kan niet billijk zijn de daad te laten verjaren als de pijn niet verjaart. 

Luuk van Middelaar gaat vooral in op de vraag of en wanneer iemand in een gezagspositie – een koningin, een staatsman, een politicus – in zijn toespraken er al dan niet in slaagt om de aangesprokenen (volk, burgers, parlement) werkelijk te raken en voor zich te winnen. Improvisatie, waarachtigheid en authenticiteit vormen de sleutelwoorden in zijn met sterke voorbeelden gelardeerde betoog. In de bijdrage van Henk te Velde is het politieke debat het onderwerp. Idealiter staat daarbij de uitwisseling van argumenten om ideeën, plannen en standpunten kracht bij te zetten of aan te vallen centraal. In de praktijk ontaardt het niet zelden in “een voortzetting van twitter met andere middelen”. Dat retoriek meer omvat dan het gesproken of geschreven woord maakt Arjen van Veelen mooi duidelijk als hij in een korte tekst de lichaamstaal van Trump beschrijft.  Om te weten wat voor leider hij is en wil zijn, heb je aan zijn handen genoeg, betoogt hij. “Het zijn wapens. […] Hij klauwt, priemt, hakt; hij spreidt vaak zijn armen als Jezus.”[…] ”Een president met als een van zijn favoriete gebaren een schietbeweging – laat het bezinken.” Het waren niet alleen de tweets waarmee Trump zijn aanhang bedwelmde, het zat ook in zijn gebarentaal, in zijn hele voorkomen – de macht samengebald in een vingerknip.   

TijdvoorTijdschriften

Een veelheid aan aspecten en invalshoeken dus om de betekenis van de retoriek in onze tijd zichtbaar te maken. In de laatste bijdrage weet Casper de Jonge, universitair hoofddocent klassieke retorica en antieke literatuurtheorie, deze veelheid op een soepele manier toch bij elkaar te brengen. En wel door alle voorgaande essays te lezen in het kader van de drie overtuigingsmiddelen en de vijf regels voor het spreken in het openbaar die al in de klassieke retorica (van 2000 jaar geleden) zijn uiteengezet.

Die drie middelen zijn logos, ethos en pathos. In gewoon Nederlands: door goede argumenten te geven, door betrouwbaar en authentiek over te komen en door in te spelen op emoties kan een spreker overtuigen en het publiek aan zijn kant krijgen. In Zegvelds pleitrede van de misbruikte man zijn ze alle drie op voorbeeldige wijze aanwezig.

In de wereld van de politiek lijkt de logos er echter soms nauwelijks toe te doen. Argumentatie legt het af tegen emotie; wie zich opwerpt als de spreekbuis van de angst, de boosheid en de rancune, scoort in onze tijd hogere ogen. Hoe je overkomt is belangrijker dan wat je met welke redenen zegt. Met feiten en cijfers win je geen verkiezingscampagnes of -debatten, het gaat erom dat je ‘echt’ bent, dat je de emoties van je potentiële kiezers aanvoelt en weet aan te wakkeren, dat je je tegenstanders kunt framen als elitair, wereldvreemd of leugenachtig, en dat je het momentum ziet en weet te pakken.

Retoriek is van belang. Maar al met al is het in veel gevallen niet meer dan een weinig verheffend middel. Een middel om je gelijk te krijgen, een middel om de grootste te worden, om je macht veilig te stellen, om je agenda door te drukken, om te winnen. Maar gelijk krijgen is niet hetzelfde als gelijk hebben. Wat is die winst eigenlijk waard? “Retoriek is leuk, maar we willen ook waarheid, visie en inspiratie,” zo sluit De Jonge af. Soms gaan die dingen samen, vaak ook niet. Hoeveel retoriek staat niet haaks op het zoeken naar de waarheid? De retoriek van de mooipraterij, van de valse belofte of van het schoonvegen van het eigen straatje: politici weten er wel raad mee. Hoe dan ook wordt in “het spiegelpaleis van de moderne retorica” (Van Middelaar) het zicht op het ware, het juiste en het goede er niet meteen duidelijker op.

Misschien is dit dan ook uiteindelijk de belangrijkste conclusie die je uit deze essays moet destilleren: de kunst van het overtuigen maakt je nog niet per se tot een goed mens (c.q. politicus).

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles